Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3966

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
C/08/167841 / HA ZA 15-101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening; bepalen schadeloosstelling; beoordeling uitgangspunt voor schadeloosstelling door rechtbank los van standpunten partijen;

aanbod vervangende pachtgronden, keuze redelijk handelende agrarische ondernemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/167841 / HA ZA 15-101

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE OVERIJSSEL,

zetelend te Zwolle,

advocaat mr. B.S. ten Kate en mr. R.C.K. van Andel te Arnhem,

tegen

[A] ,

wonende te [plaats 1] ,

interveniënt,

advocaat mr. G.J.I.M. Seelen en mr. M.N. van Amersfoort te Leiden.

Partijen zullen hierna de provincie en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 juni 2015 waarbij de onteigening van perceel [plaats 1] , [nummer] (02.64.19 ha), eigendom van Kampereiland Vastgoed BV, gepacht door [A] , vervroegd is uitgesproken;

  • -

    het concept-rapport van deskundigen van 13 juli 2015;

  • -

    de brief van 19 augustus 2015 van [A] met verzoek om een tussenuitspraak van de rechtbank;

  • -

    de brief van de provincie van 21 augustus 2015 houdende reactie op voornoemd verzoek

  • -

    de brief van de rechtbank aan partijen van 26 augustus 2015 houdende afwijzing van voornoemd verzoek;

  • -

    de rolbeslissingen van 26 augustus 2015 en 2 september 2015 tot bepaling van een nieuwe roldatum voor het definitieve deskundigenrapport;

  • -

    de brief van [A] van 21 september 2015 (met bijlagen) houdende reactie op het concept-deskundigenrapport;

  • -

    de brief van 21 september 2015 van de provincie houdende reactie op het concept-deskundigenbericht;

  • -

    de brief van [A] van 5 oktober 2015 tot het overleggen van het definitieve rapport d.d. 24 september 2015 van [bedrijf 1] te [plaats 2] alsmede nadere berekeningen d.d. 5 oktober 2015 van [bedrijf 2] te [plaats 3] ;

  • -

    de brief van de deskundigen van 6 oktober 2015 met het verzoek om de datum van het definitieve deskundigenrapport te verschuiven;

  • -

    de brief van [A] van 9 oktober 2015 inzake de handelwijze van de deskundigen;

  • -

    de brief van de deskundigen van 21 oktober 2015 in reactie op de laatst voornoemde brief;

  • -

    de rolbeslissing van 28 oktober 2015 tot bepaling van een nieuwe roldatum voor het definitieve deskundigenrapport;

  • -

    de brief van de provincie van 13 november 2015 houdende reactie op de reactie van [A] op het concept-deskundigenrapport en op diens brief van 5 oktober 2015;

- de brief van [A] van 11 december 2015 (met bijlage) houdende reactie op de laatst vermelde brief van de provincie;

- de brief van de provincie van 23 december 2015 in reactie op de laatst vermelde brief van [A] ;

- het e-mailbericht van de provincie van 6 januari 2016 (met bijlagen) houdende o.m. overlegging van het Bewijs van inschrijving van het tussenvonnis van 10 juni 2015 in de openbare registers van het Kadaster op 20 augustus 2015;

- het e-mailbericht van de provincie van 7 januari 2016 houdende mededeling van de dagvaarding tot beëindiging van de pachtrechten van [A] ;

  • -

    de akte DP 16-2 HA 120 ter zake van het deponeren op 21 januari 2016 van het definitieve deskundigenrapport van 19 januari 2016;

  • -

    de brief van [A] van 13 mei 2016 tot overlegging van een verslag van een overleg van 5 november 2015, alsmede van een opgave van gemaakte (en nog te maken) kosten van deskundige en juridische bijstand;

  • -

    de brief van de provincie van 20 mei 2016 tot overlegging als aanvullende productie van een offerte van 19 mei 2016 van [bedrijf 3] te [plaats 4] ;

  • -

    de brief van [A] van 23 mei 2016 houdende bezwaar tegen overlegging van laatstgenoemde productie ;

  • -

    de brief van de provincie van 25 mei 2016 in reactie op voornoemd bezwaar;

  • -

    de pleidooien op 30 mei 2016 en de ter gelegenheid daarvan door de provincie en [A] , overgelegde pleitnota’s, onder vermelding dat de door [A] overgelegde pleitnota niet is voorgelezen;

- door de deskundigen bij brief van 6 juni 2016 ingediende kostenopgave;

- de akte opgave deskundigenkosten van [A] op de rol van 15 juni 2016;

- de akte uitlaten deskundigenkosten van de provincie op de rol van 29 juni 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Inschrijving onteigeningsvonnis

Het tussenvonnis van 10 juni 2015 waarbij vervroegd de onteigening is uitgesproken, is ingeschreven in de openbare registers op 20 augustus 2015. Laatstgenoemde datum is de peildatum voor de berekening van de schadeloosstelling.

3 Het deskundigenrapport en de standpunten van partijen

3.1.

Deskundigen hebben geadviseerd aan [A] ten titel van vermogensschade toe te kennen een bedrag van (2.64.19 ha maal € 1,00/m2 , derhalve) € 26.419,00, wegens het verlies van zijn pachtrecht op het onteigende.

Voor de schadeberekening hebben de deskundigen voorts als uitgangspunt genomen dat [A] na aanleg van de dijk waarvoor wordt onteigend, de gronden aan de westzijde van deze dijk als gevolg van de onteigening niet meer op verantwoorde wijze, dat wil zeggen via enige voorziening die het overgaan van de dijk faciliteert, kan bereiken. Op de peildatum bestond voor [A] geen concreet zicht op een voor hem werkbare situatie voor het overgaan van de dijk.

Voorts zijn de deskundigen er van uitgegaan dat een willekeurig redelijk handelend ondernemer - i.c. melkveehouder - met de leeftijd en bedrijfsresultaten van [A] , wanneer die zich geconfronteerd ziet met deze onteigening van een deel van de pachtgronden ten behoeve van een dijklichaam, terwijl in de rede ligt dat hij van zijn overige pachtgronden buiten het onteigende deel afstand zal moeten doen, kiest voor het aanvaarden van de hem door de provincie aangeboden vervangende gronden in (reguliere) pacht, te weten een drietal percelen, dan wel gedeelten daarvan, met oppervlakten, groot 03.72.70 ha en 03.32.30 ha, gelegen tussen de Buitendijksweg en de westelijk daarvan aan te leggen dijk, en 15.66.50 ha gelegen ten oosten van de Buitendijksweg en ten zuiden aansluitend aan aldaar door [A] gepachte gronden. Deze gronden zullen dan nog wel geschikt moeten worden gemaakt voor de beweiding van melkvee, in verband waarmee de deskundigen adviseren om onder de titel overige schaden en kosten [A] een bedrag van € 101.000,00 te vergoeden. Dit bedrag heeft betrekking op de aanleg van dammen met duiker (€ 2.000,00), nieuwe drainage in de vervangende gronden (€ 29.000,00), de noodzakelijke aanleg van een nieuw kavelpad ten behoeve van de vervangende gronden oostelijk van de Buitendijksweg (€ 45.000,00), grondverbetering van de vervangende gronden aan weerszijden van deze weg (25.000,00).

Aan inkomensschade (inclusief stagnatieschade) hebben de deskundigen een bedrag van € 10.514,00 begroot, voor de berekening waarvan zij het norminkomen, berekend aan de hand van de jaarcijfers over een drietal boekjaren op basis van het gemiddelde jaarinkomen per hectare in aanmerking hebben genomen. Verder hebben zij rekening gehouden met een verschil in opbrengst van 30 % tussen de vervangende pachtgronden ten oosten van de Buitendijksweg en de door [A] vóór de onteigening gepachte gronden ten westen van deze weg en met een stagnatieschade over de eerste tien jaar vanwege de te plegen verbetering aan de oostelijke compensatiegronden.

De voornoemde schadebedragen optellende, adviseren de deskundigen een schadeloosstelling voor [A] van in totaal € 137.933,00.

3.2.

Partijen kunnen zich niet met het deskundigenadvies verenigen, primair niet met door de deskundigen aan hun advies ten grondslag gelegde uitgangspunt voor de berekening van de schadeloosstelling.

a. uitgangspunt voor schadeloosstelling.

3.2.1.

het standpunt van de provincie

Bij haar aanbod bij dagvaarding van een schadeloosstelling van € 81.000,00 aan [A] is de provincie uitgegaan van de liquidatie, althans reconstructie op het overblijvende aan de oostzijde van de aan te leggen dijk. Bij het tevens gedane aanbod voor een schadeloosstelling van € 51.000,00 is de provincie uitgegaan van reconstructie gecombineerd met aanvaarding van vervangende pachtgronden (van pacht op 18.09.90 ha, inclusief het onteigende deel van 02.64.19 ha, naar pacht op andere gronden van in totaal 18.98.70 ha ). Aan dit laatste aanbod ligt de wens van de provincie ten grondslag om over alle pachtgronden van [A] ten westen van de aan te leggen dijk de beschikking te verkrijgen voor de uitvoering van het bestemmingsplan aldaar, dat voorziet in de aanleg van een waterpartij en aansluitend de aanleg van een natuurgebied.

In relatie tot de onteigening heeft de provincie [A] vervangende pachtgronden ter compensatie van het verlies van de pacht op het onteigende almede voor de pachtgrond die benodigd is voor de ontwikkelingen ten westen van de nieuwe dijk aangeboden. Betrof dit aanbod blijkens de dagvaarding twee percelen van 3.32.20 ha en 15.66.50 ha (totaal circa 18.98.70 ha), ter descente en op 1 april 2015 schriftelijk bevestigd, heeft de provincie het aanbod nadien verruimt met een extra perceel van circa 3.72.70 ha, dus tot 22.71.40 ha in totaliteit, die alle zijn gelegen aan de “bedrijfszijde” (dus ten oosten) van de nieuwe dijk en deels (het perceel van 15.66.50 ha) ten oosten van de Buitendijksweg. Aldus heeft de provincie aangeboden het pachtrecht op 22.71.40 ha met (bij)betaling van een schadeloosstelling in geld van € 51.000,00.

De deskundigen zijn in hun conceptadvies ervan uitgegaan dat de provincie schadeloosstelling op basis van (gedeeltelijke) liquidatie, althans reconstructie op het overblijvende voorstaat, gelet op eerst vermeld primair aanbod bij dagvaarding. De provincie heeft in reactie op het conceptadvies betoogd dat dit standpunt niet juist is en heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de schadeloosstelling moet worden bepaald op basis van het uitgangspunt dat een redelijk handelende melkveehouder in de geldende omstandigheden het bijkomende aanbod tot vervangende grond met een schadeloosstelling van € 51.000,00 zal aanvaarden, los van de voorwaarde om afstand te moeten doen van de pachtrechten op de gronden ten westen van de dijk.

Tijdens de pleidooien heeft de provincie evenwel een andersluidend standpunt dan hiervoor vermeld ingenomen, inhoudende dat zij het niet eens is met de conclusie van de deskundigen dat een redelijk handelend ondernemer het aanbod zou aanvaarden als gevolg van het verlies van enkel het onteigende en in dat verband afstand zou doen van zijn buitendijkse pachtgronden. Zij heeft daartoe aangevoerd dat [A] het aanbod van de provincie heeft aanvaard om maatregelen te treffen opdat [A] de buitendijkse gronden kan blijven gebruiken zolang de pacht voortduurt. Aan het eind van het voortgezet gebruik om niet van het onteigende door [A] heeft de provincie voorzien in een adequate ontsluiting over het onteigende, door - met het oog op de pachtontbinding per 1 november 2016 die de pachtkamer heeft uitgesproken - een tweetal - blijkens verklaring van [A] feitelijk één - uitsparingen te maken, zodat [A] eenvoudig over/door de dijk kan. Tevens zijn op- en afritten aangebracht.

Met deze schadebeperkende aanbiedingen, voorafgaand aan de onteigening gedaan moet bij het bepalen van de schadeloosstelling rekening worden gehouden. Het standpunt van de deskundigen dat op de peildatum geen concreet zicht bestond op een adequate dijkovergang acht de provincie daarom onjuist. Met deze schadebeperkende maatregelen, die partijen zijn overeengekomen, moet rekening worden gehouden.

Onder de gegeven omstandigheden ligt het in de rede dat een redelijk handelend ondernemer, anders dan eerder betoogd, als gevolg van het enkele verlies van het onteigende zijn bedrijfsvoering op het overblijvende (aan beide zijden van de dijk) reconstrueert, zoals [A] feitelijk heeft gedaan. Hierbij heeft de provincie toegelicht dat zij er aanvankelijk van uit ging dat de vervangende pachtgronden prima geschikt zijn voor de bedrijfsvoering van [A] , maar dat die - naar nu blijkt - tot bijkomende schade leiden, ook al acht zij die schade niet zo groot als de deskundigen hebben geadviseerd. Reconstructie op afstand van het relatief geringe verlies aan grond door de onteigening acht de provincie niet in de rede te liggen.

Het aanvaarden van de aangeboden vervangende pachtgronden ten behoeve van reconstructie op die gronden, zal de keuze zijn van de redelijk handelend ondernemer die de buitendijkse pachtgronden door ontbinding van de pacht zal verliezen. Daarmee gepaard gaande schade is dan een gevolg van de pachtontbinding en niet van de onteigening.

In de benadering van de provincie bedraagt de schade als gevolg van de onteigening alsdan € 22.000,00.

Ten overvloede - de rechtbank verstaat subsidiair - heeft de provincie het standpunt ingenomen, ingeval het uitgangspunt van de deskundigen zou worden gevolgd, dat de schade beduidend lager zal zijn dan door de deskundigen begroot, namelijk € 51.500,00.

3.2.2.

het standpunt van [A]

[A] heeft het deskundigenadvies bestreden omdat hij het uitgangspunt van de deskundigen betwist om zich bij de schadeloosstelling te baseren op méér dan enkel de onteigende oppervlakte van 2.64.19 ha. [A] heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de deskundigen met hun uitgangspunt om de schade te begroten, uitgaande van de situatie dat [A] het aanbod van vervangende pachtgronden zal aanvaarden, buiten de omvang van het geschil zijn getreden. Voor enkel het ter onteigening aangewezen deel zijn géén compensatiegronden aangeboden. Deze gronden zijn als compensatiegronden aangeboden voor de gronden die nodig zijn voor de dijk tezamen met de westelijk van die dijk gelegen gronden met een oppervlakte van 18.09.90 ha, gepacht door [A] , die nodig zijn voor de aanleg van een watergang en natuurgebied. Laatstbedoelde gronden zijn niet in de onteigening betrokken, maar daarvan beoogt de provincie ontpachting, een kwestie die in de onteigeningsprocedure niet aan de orde behoort te komen. De deskundigen hadden zich dienen te beperken tot de gevolgen van de onteigening van 2.64.19 ha en de schadeloosstelling moeten baseren op reconstructie.

[A] heeft de rechtbank verzocht de schadeloosstelling zelfstandig vast te stellen en wel op basis van uitsluitend de onteigende oppervlakte van 2.64.19 ha.

Geconfronteerd met het ter zitting nader gebleken standpunt van de provincie heeft [A] zich op het standpunt gesteld dat het voorliggende deskundigenadvies in die benadering niet meer bruikbaar is in deze zaak, reden waarom [A] verzoekt om de deskundigen, met inachtneming van het door de rechtbank vast te stellen uitgangspunt, conform het uitgangspunt zoals dat thans tussen partijen in confesso is, op te dragen om de schadeloosstelling opnieuw te berekenen.

3.3.

Op de onderdelen van de schadeloosstelling volgens het deskundigenadvies hebben partijen eveneens andersluidende standpunten ingenomen.

b. vermogensschade.

3.3.1.

het standpunt van de provincie

De provincie is van mening dat de onteigeningswet geen vergoeding toelaat voor het verlies op het onteigende van het persoonlijk recht van pacht, bij wijze van werkelijke waarde, van de beweerdelijke vergoeding die een pachter in het onderhavige gebied kan bedingen van opkomende pachters van € 1,00/m2. Het gaat hierbij om het verlies van een toekomstige, persoonlijke aanspraak in geval van uiteindelijke beëindiging van de pacht. Het betreft hier een onzekere toekomstige schade die zich eerst bij afstand van het pachtrecht zou kunnen manifesteren, welke afstand gelet op het uitgangspunt van het voortduren van de pacht, de onteigening weggedacht, niet in de rede zou liggen. Niet uitgesloten is bovendien dat een dergelijke vergoeding (bij wijziging van (het beleid van een) verpachter) niet meer (blijvend) zal worden betaald dan wel wettelijk niet (meer) toegestaan zal worden. Met de aldus als onzekere toekomstige gebeurtenis aan te merken vergoeding moet geen rekening worden gehouden. De vermogensschade van [A] is dus nihil.

Voor zover het uitgangspunt van de deskundigen voor de schadeloosstelling zou worden gevolgd, heeft de provincie aangevoerd dat [A] door de vervangende pachtgronden een grotere aanspraak in de aangegeven zin zou verkrijgen door uitbreiding van het pachtareaal met 4.61.50 ha, als gevolg waarvan [A] dan € 1,00/m² moet vergoeden voor de extra pachtgronden.

3.3.2.

het standpunt van [A]

Volgens [A] moet deze door de deskundigen terecht aangenomen vermogensschade niet worden beperkt tot het door hen genoemde bedrag, maar bij verlies van zijn overige pachtrechten op de te verlaten gronden ten westen van de aan te leggen dijk - waarvan de deskundigen zijn uitgegaan - dient het bedrag te worden bepaald naar de totale oppervlakte van 18.09.90 ha, ofwel op € 180.990,00.

c. inkomensschade.

3.4.

het standpunt van de provincie

De provincie heeft de inkomensschade berekend op een bedrag van € 21.993,83 bij het uitgangspunt reconstructie op het overblijvende.

3.4.1.

het standpunt van [A]

[A] heeft zich op het standpunt gesteld dat de deskundigen de overgelegde bedrijfsresultaten onjuist hebben geïnterpreteerd en hij betwist daarom de berekening van de deskundigen. Tegelijkertijd heeft [A] aangegeven dat de eerder door hem gemaakte berekening in verband met nieuwe cijfers over de bedrijfsresultaten moet worden herzien, in die zin dat van een gemiddeld resultaat (inkomen) van € 2.911,00/ha moet worden uitgegaan, waar hij eerder het bedrag van € 2.000,00/ha (KWIN-cijfer) als basis heeft genomen. [A] heeft aanvankelijk aan inkomensschade een bedrag van € 92.731,31 begroot.

4 Kosten van bijstand

4.1.

Wat betreft de kosten van deskundige en juridische bijstand verzoekt [A] veroordeling van de provincie tot vergoeding van het bedrag van € 138.876,24 inclusief btw. Dit bedrag is als volgt opgebouwd (alle bedragen inclusief btw):

- deskundigenkosten [bedrijf 2] ad € 32.397,75;

- deskundigenkosten [bedrijf 1] ad € 12.003,20;

- deskundigenkosten Alfa Accountants en Adviseurs ad € 255,99;

- advocaatkosten Geelkerken Linskens Advocaten (mr. Seelen en mr. Van Amersfoort)

ad € 90.219,30, inclusief griffierecht ad € 1.533,00.

4.2.

De provincie heeft zich reeds tijdens de pleidooizitting ten aanzien van het tot aan dat moment door [A] opgevoerde kosten (€ 118.273,16) op het gemotiveerde standpunt gesteld dat deze kosten onredelijk hoog zijn en daarom ten dele voor rekening van [A] moeten blijven. Bij akte nadien heeft de provincie dat standpunt gehandhaafd ten aanzien van de uiteindelijke kostenopgave van [A] .

4.3.

[A] heeft het grootste deel van de na de zitting genomen akte opgave deskundigenkosten benut voor een uitvoerige standpuntuiteenzetting in reactie op hetgeen de provincie ten pleidooie heeft aangevoerd ten aanzien van de op dat moment bekende kostenopgave van [A] . Bij antwoordakte heeft de provincie erop gewezen dat de rechtbank [A] daartoe niet in de gelegenheid heeft gesteld, nu het uitsluitend een akte tot opgave van de kosten diende te betreffen, reden waarom die nadere reactie volgens de provincie als zijnde in strijd met een goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten.

5 De beoordeling

Ad a. uitgangspunt voor schadeloosstelling

5.1.

De rechtbank stelt voorop dat het krachtens vaste jurisprudentie aan haar is zelfstandig te bepalen welke schadeloosstelling (in dit geval) de pachter als belanghebbende wegens onteigening toekomt. Dit brengt mee dat zij niet gebonden is aan de standpunten van partijen noch aan het deskundigenadvies. De bij pleidooi gebleken omstandigheid dat partijen het uiteindelijk eens zijn geworden over een voor de schadeberekening te hanteren uitgangspunt maakt dat niet anders.

5.2.

Bij het bepalen van de schadeloosstelling wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden op de dag van inschrijving van het vervroegde onteigeningsvonnis; in dit geval is deze peildatum 20 augustus 2015.

5.3.

De rechtbank dient te onderzoeken wat iemand in de omstandigheden van de onteigende als redelijk handelend persoon zou doen indien hij zijn bedrijf niet op het onteigende kan voortzetten. In dit geval betreft het niet kunnen voortzetten een gedeelte van de bedrijfsgronden, namelijk voor het onteigende deel dat voor het dijklichaam is benodigd, zodat de vraag zich doet gelden in hoeverre de bedrijfsvoering zonder het onteigende deel met aanpassing kan worden voortgezet op de rest van de gronden en of dat in de rede ligt.

5.4.

Het staat vast dat het werk, waarvoor de onteigeningsprocedure is gestart, niet voorzag in een voorziening via welke [A] het op de te onteigenen grond te realiseren dijklichaam zou kunnen passeren om met vee en materieel te komen op zijn westelijk van de toekomstige dijk resterende pachtgronden. De dijk doorsnijdt de bestaande pachtgronden ten westen van de Buitendijksweg. Ook op peildatum waren daarvoor benodigde en uit een oogpunt van bedrijfsvoering geschikt te achten voorzieningen onvoldoende naar tevredenheid van partijen uitgekristalliseerd, ook al had de provincie na de descente inmiddels wel een voorstel aan het papier toevertrouwd.

5.5.

De aanleg van de dijk (met een fietspad) vormt één exponent van de in het gebied beoogde planologische ontwikkeling samenhangende met de realisering van het Reevediep, een andere is de ontwikkeling van natuurgebied ten westen van de aan te leggen dijk. Voor beide onderdelen van de ontwikkeling zijn gronden benodigd die [A] in pacht heeft. Vanwege verschillende onteigeningstitels, de urgentie (vanwege de waterveiligheid) en een daarmee samenhangend ander tijdpad voor de realisering van de planologische herinrichting heeft de provincie ervoor gekozen om in eerste aanleg (alleen) onteigening te vorderen van de gronden voor het dijklichaam, onverminderd het streven om over de resterende (pacht) gronden van [A] te beschikken. De verwerving van die resterende gronden was in een later fase voorzien. Voor deze gronden is vervolgens door de provincie een pachtontbindingsprocedure gestart met een op 19 oktober 2015 uitgebrachte dagvaarding.

5.6.

De Provincie heeft [A] vervangende pachtgronden aangeboden voor 18.09.90 ha (inclusief het onteigende). Onderzocht moet worden of dit aanbod door een (willekeurig) redelijk handelend melkveehouder in de gegeven omstandigheden zal worden aanvaard en of die gronden met het oog op een gelijkwaardige geschiktheid voor de bedrijfsvoering nog nadere bewerking zullen moeten ondergaan, hetgeen kosten met zich zal brengen.

5.7.

Partijen opteren beide voor de fictie (op peildatum) van het gegeven zijn van een dijkdoorgang ten behoeve van [A] naar de “af te snijden” pachtgronden buitendijks de nieuwe dijk, zodat uitgegaan kan worden van een voortgezet gebruik op die gronden.

[A] beroept zich daarbij op de overweging in het Koninklijk Besluit tot onteigening, dat de provincie de bereikbaarheid zal garanderen van de pachtgronden die vanwege de aanleg van het Reevediep buitendijks komen te liggen. Voorts hebben beide partijen aangevoerd dat met [A] op 5 november 2015 nadere afspraken zijn gemaakt over twee uitsparingen in de dijk met op- en afritten teneinde die dijk te kunnen passeren. De provincie heeft aangevoerd dat die uitsparingen zijn gemaakt, maar ter zitting (op 30 mei 2016) is gebleken dat in overleg met [A] feitelijk één doorgang is gemaakt en voorhanden is. Thans is derhalve sprake van bereikbaarheid van de buitendijkse gronden. De realisering van die bereikbaarheid heeft kennelijk op enig moment tussen 5 november 2015 en de datum van de zitting op 30 mei 2016 plaatsgevonden.

5.8.

De rechtbank begrijpt dat de keuze van [A] tot realisering van (een) doorgang(en) is gerelateerd aan de ontbinding van de pacht krachtens uitspraak van de pachtkamer op 3 mei 2016 met betrekking tot de pachtgronden van [A] die ten westen van de nieuwe dijk zijn gelegen. Met het oog op het tijdelijk karakter vanwege het eindigen van de pacht per 1 november 2016 heeft de provincie hiervoor “aan het einde van het voortgezet gebruik om niet” gekozen.

5.9.

De pachtontbinding en de realisering van een doorgang zijn feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na de peildatum. De rechtbank is van oordeel dat zij de wens van partijen om rekening te houden met deze nadere ontwikkelingen na peildatum derhalve niet kan honoreren en dus van de toestand op peildatum zal moeten uitgaan.

5.10.

Overigens ziet de rechtbank in de feiten en omstandigheden zoals die zijn verlopen inzake de dijkdoorgang een bevestiging van haar oordeel als in rechtsoverweging 5.4.

Het komt haar voor, gelet op het aanvankelijk ontbreken van enig concreet voorstel daartoe en het vervolgens op tafel leggen van een niet voldragen voorstel, dat door de provincie van meet af aan werd voorzien dat een voortgezet gebruik van de pachtgronden na de dijkaanleg niet aan de orde zou zijn en dat zij daarom een dijkovergang niet (serieus) heeft voorzien. De door [A] benadrukte “garantie” uit de Kroonprocedure acht de rechtbank in dit verband van onvoldoende gewicht om uit te gaan van de fictie dat er op peildatum van een dijkovergang sprake was.

5.11.

Ook de pachtontbinding ziet de rechtbank als de bevestiging van een ontwikkeling die voor de onteigening en ook op de peildatum reeds was voorzien. De fictie van partijen van een voortgezet gebruik van de pachtgronden op de peildatum acht de rechtbank niet ondersteund door hetgeen “algemeen bekend moet worden verondersteld” omtrent de ontwikkeling van Reevediep c.a. in het gebied. Ook [A] moet geacht worden zich de onzekere toekomst wat betreft het behoud van de pachtgronden ten westen van de nieuwe dijk al eerder, maar zeker op de peildatum, te hebben gerealiseerd.

5.12.

Gelet op de aldus in aanmerking genomen feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een (willekeurig) redelijk handelende melkveehouder in de gegeven omstandigheden op de peildatum zou omzien naar de mogelijkheid tot het verkrijgen van vervangende pachtgronden voor de pachtgrond die wordt onteigend, maar ook ter vervanging van de pachtgronden die door hem als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening niet langer voor zijn bedrijfsvoering aan te wenden zijn of zullen worden en bovendien gedoemd zijn om in de toekomst in een andere ruimtelijke ontwikkeling op te gaan en aldus verloren te gaan voor pacht. De rechtbank volgt in deze zin de deskundigen in hun benadering.

5.13.

Voorwaarde voor een redelijke keuze als hiervoor bedoeld is dat de vervangende pachtgronden geschikt zijn voor de bedrijfsvoering van de ondernemer, in dit geval een ondernemer die een melkveehouderijbedrijf voert. Voor zover die geschiktheid te wensen overlaat ten opzichte van de “verloren” gronden zal deze ondernemer ernaar streven die alsnog te realiseren, hetgeen investering vergt.

5.14.

De deskundigen hebben hiervoor bij wijze van overige schade en kosten een bedrag begroot van € 101.000,00, opgebouwd als in rechtsoverweging 3.1 aangegeven. De provincie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat met zodanige investering een bedrag is gemoeid van € 31.403,32.

5.15.

Het verschil in benadering tussen de deskundigen en de provincie betreft voornamelijk de te begroten kosten van een nieuw kavelpad van de huiskavel naar de vervangende pachtgronden ten oosten van de Buitendijksweg en het aanbrengen van drainage. De provincie heeft zich voor haar standpunt laten leiden door een offerte van [bedrijf 2] te [plaats 4] van 12 mei 2016. De kosten van het volgens de provincie met 900 meter veel te lang bemeten kavelpad - volgens de provincie zou 110 meter voldoende zijn en zou een redelijk handelend ondernemer nooit die grotere lengte kiezen - bedragen volgens die offerte € 8.090,12.

Na grondverbeteringswerkzaamheden, waarmee volgens de provincie een bedrag van € 22.163,20 voor de oostelijk van de Buitendijksweg gelegen grond voldoende is, acht de provincie, ook in navolging van de aannemer, drainage niet nodig, omdat met spitten en egaliseren de wateroverlast verholpen zal zijn. Ook de kosten van dammen met duikers zijn volgens de provincie met € 1.150,00 voldaan.

5.16.

[A] heeft zich hieromtrent na het deskundigenrapport niet uitgelaten, zij het dat hij ter zitting heeft verklaard dat drainage weliswaar goed is voor de toegankelijkheid van het land maar niet de (gras)opbrengst verzekert.

5.17.

Tegenover het advies van de deskundigen dat uitgaat van de noodzaak van de aanleg van drainage staat het door de provincie ingebrachte standpunt van een loon- en grondverzetbedrijf - kennelijk af te leiden uit het ontbreken daarvan in een overgelegde offerte - dat drainage niet nodig is. De rechtbank acht hiermee het advies van de deskundigen onvoldoende gemotiveerd bestreden. Hierbij heeft zij mede in aanmerking genomen dat [A] de aan de bewuste gronden aansluitende huiskavel van 9 ha (uiteindelijk toch weer) heeft laten voorzien van drainage. De rechtbank volgt op dit onderdeel derhalve de deskundigen.

5.18.

Hetzelfde geldt waar het gaat om het aan te leggen kavelpad. Ook hier beroept de provincie zich ter bestrijding van het advies van de deskundigen op de inschatting van het loon- en grondverzetbedrijf. De rechtbank volgt haar daarin niet, te minder waar niet is gebleken hoe het kavelpad in de benadering van dit bedrijf zou moeten verlopen en of daarbij rekening is gehouden met de door deskundigen wel onderkende vereisten voor dit pad met het oog op intern vervoer en melktransport. De rechtbank volgt daarom de begroting van de deskundigen op dit onderdeel.

5.19.

Wat betreft de kosten van grondverbetering aan weerzijden van de Buitendijksweg leiden de door de provincie gestelde kosten van € 22.163,20, afgezet tegen het door de deskundigen begrote bedrag van € 25.000,00, de rechtbank niet tot het oordeel dat het advies van de deskundigen op dit onderdeel niet zou moeten worden gevolgd.

5.20.

Resumerend betekent het vorenstaande dat de rechtbank de totale bijkomende schade overeenkomstig het advies van de deskundigen als genoemd onder 3.1 zal bepalen.

Ad b. vermogensschade

5.21.

De rechtbank is van oordeel dat als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening moet worden aangemerkt schade van [A] wegens het verlies van een bedrag van € 1,00/m2 voor de “overdracht” van het pachtrecht op het onteigende, die de afgaande pachter van de opkomende pachters in dit gebied pleegt te ontvangen. De rechtbank acht de toepasselijkheid van dit “systeem” genoegzaam bevestigd gezien in de (eerder) door partijen ingenomen standpunten hieromtrent. Of dit systeem in de toekomst stand zal houden, valt te bezien, maar op de peildatum moet de toepasselijkheid daarvan als reëel worden aangenomen. [A] heeft immers nu afstand moeten doen van het pachtrecht op het onteigende, zodat het niet gaat om een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bovendien acht de rechtbank de conclusie van de deskundigen niet onjuist dat, ingeval deze schade (bij wijze van vermogensschade) niet wordt aangenomen, dit gevolgen in positieve zin zal meebrengen voor de berekening van de inkomensschade.

Voor vergoeding van deze schade bij wijze van “asset” acht de rechtbank een juridische grondslag gelegen in artikel 42a van de onteigeningswet in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Het niet vergoeden van deze schade zou naar het oordeel van de rechtbank tot een onredelijke uitkomst leiden.

Het standpunt van [A] dat ook voor het afstaan in pacht van de gronden die niet in de onteigening zijn betrokken, deze vergoeding zou moeten worden meegenomen, volgt de rechtbank niet omdat de vraag, of deze vergoeding over die gronden zou moeten worden toegekend, dient te worden betrokken in de schadeloosstelling in het kader van de pachtontbindingsprocedure.

De rechtbank volgt evenmin het standpunt van de provincie dat [A] een soortgelijke vergoeding van € 1,00/m² is verschuldigd, althans dat een daarmee corresponderend bedrag op de schade in mindering moet worden gebracht, voor de uitbreiding van het pachtareaal met 4.61.50 ha. Daaraan staat niet alleen in de weg dat de provincie niet als een afgaande pachter is aan te merken doch ook dat niet valt in te zien dat reëel is te voorzien dat [A] in de toekomst bij een overgang van de pacht van deze gronden een dergelijke vergoeding zal ontvangen.

De rechtbank zal derhalve bepalen dat als vermogensschade aan [A] het bedrag van € 26.419,00 moet worden vergoed.

Ad c. inkomensschade

5.22.

Gelet op een ander gehanteerd uitgangspunt, acht de rechtbank in hetgeen de provincie als schadebedrag heeft berekend, geen aanleiding gelegen om het advies van de deskundigen niet te volgen.

5.23.

De deskundigen hebben zich bij hun berekening van de inkomensschade laten leiden door de gegevens volgens het KWIN-handboek kwantitatieve informatie veehouderij (hierna KWIN-cijfers). Die basis wordt door [A] ook niet bestreden. De deskundigen zijn voorts uitgegaan van de jaarcijfers van het bedrijf over de in het advies aangegeven jaren, gegevens die [A] eveneens heeft gevolgd. Niettemin betwist [A] de berekening van de deskundigen met als argument dat deze niet correct is en/of op onjuiste interpretatie van de cijfers berust, doordat niet met afschrijving is gerekend. Hij acht een nieuwe berekening nodig.

De deskundigen hebben ter zitting hun standpunt gehandhaafd, onder de - onweersproken - stelling dat het inkomen van [A] onder de KWIN-cijfers ligt.

De rechtbank acht in het door [A] aangevoerde onvoldoende reden gelegen om de deskundigen niet in hun advies te volgen op dit onderdeel en zij zal derhalve dienovereenkomstig beslissen.

Kosten deskundige en juridische bijstand

5.24.

In aanmerking genomen dat de rechtbank [A] niet in de gelegenheid heeft gesteld om na de zitting een akte te nemen teneinde zich (naast de kostenopgave) uit te laten omtrent het tijdens het pleidooi door de provincie ingenomen standpunt op het onderdeel kosten, heeft de rechtbank wegens strijd met een goede procesorde de akte van [A] van 15 juni 2016 vanaf randnummer 9 buiten beoordeling gelaten. Datzelfde lot treft de akte van de provincie van 29 juni 2016, die de rechtbank alleen tot en met randnummer 5 in aanmerking heeft genomen.

5.25.

Vooropgesteld wordt dat de rechtbank de inschakeling van deskundige- en rechtsbijstand redelijk acht. Ter beoordeling staat of de hoogte van de gevorderde kosten als redelijk kan worden aangemerkt.

5.26.

De rechtbank stelt vast dat de declaratie van [bedrijf 2] steunt op 143 geregistreerde uren. Daarbij geldt dat deze deskundige in de loop van de procedure diverse alternatieve berekeningen en herberekeningen heeft gemaakt voor verschillende scenario’s wat betreft het uitgangspunt voor het bepalen van de schadeloosstelling en dat [A] c.q. diens deskundige tijdens het pleidooi er uiteindelijk niet in is geslaagd een alternatieve en onderbouwde berekening voor de door hem bestreden berekening van de deskundigen te geven, maar de noodzaak van (weer) een nieuwe berekening heeft betoogd.

Het aantal gedeclareerde uren van 143 en het dienaangaande opgevoerde bedrag van € 32.297,75 inclusief btw, komt de rechtbank voor een zaak als deze dan ook bovenmatig voor en zij zal de ter zake te vergoeden kosten maximeren op € 15.000,00 inclusief btw.5.27. De rechtbank acht de opgevoerde kosten van Aequator ad € 12.003,20 niet onredelijk, evenmin als die van Alfa Accountants en Adviseurs ad € 255,99 en zal tot vergoeding daarvan beslissen.

5.28.

[A] heeft ter zake van de advocaatkosten aangevoerd dat deze kosten zijn opgelopen door allerlei zaken die op zijn pad kwamen, naast de normale werkzaamheden in de zaak, zoals een tijdelijk gronddepot, betrokkenheid bij kadasterinmetingen, minnelijk overleg daarover en overleg in de pachtontbindingszaak. In zoverre heeft [A] erkend dat de kosten op meer zien dan op de gebruikelijke werkzaamheden in onteigeningsverband.

Belangrijk bezwaar van de provincie tegen de hoogte van de advocaatkosten is voorts erin gelegen dat aan de zijde van [A] voortdurend twee advocaten bij alle handelingen in touw zijn geweest, hetgeen de kosten navenant hoog heeft doen uitvallen. De rechtbank acht dit bezwaar gegrond. Zij is er niet van overtuigd geraakt dat deze inzet niet dubbelop heeft gewerkt voor de kostenomvang en niet substantieel kostenverlagend (zoals de advocaat van [A] stelt) maar juist kostenverhogend heeft gewerkt, wat er zij van een gestelde verhouding van 1/3 – 2/3 tussen de beide advocaten met een verschillend uurtarief, nu immers ook voortdurend (de nodige uren) afstemming tussen beiden was vereist en naar ter zitting bevestigd, beide advocaten gezamenlijk besprekingen hebben gevoerd.

Onverminderd zulks, de rechtbank acht sprake van een aanzienlijk urenaantal, zoals door de provincie ter zitting onweersproken reeds op 264 vastgesteld uit de dan bekende specificaties van de advocaten van [A] , na het pleidooi nog aangevuld met 15 uren.

Dit urenaantal komt de rechtbank, gelet op de aard van de zaak en mede afgezet tegen de hoogte van de schadeloosstelling, als onredelijk hoog en bovenmatig voor.

Hierbij is mede in ogenschouw genomen dat de advocaten mede tijd hebben gestoken in acties die niet op voorhand in de rede lagen, zoals het verzoeken van een tussentijdse uitspraak van de rechtbank over de werkwijze van de deskundigen en het opstellen van een uitvoerige, niet gevraagde inhoudelijke akte na pleidooi.

Als niet meer dan een indicatie, bij gebreke van inzicht in onderliggende voorwaarden, heeft de rechtbank kennis genomen van de door de advocaat van de provincie verklaarde kosten van verleende rechtsbijstand aan die zijde van € 40.000,00 voor bijstand in deze onteigening én in de pachtontbindingszaak.

Al met al ziet de rechtbank aanleiding om de gestelde advocaatkosten van [A] ad € 90.219,30 inclusief btw en inclusief griffierecht ad € 1.533,00 te matigen tot het bedrag van € 50.000,00 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht ad € 1.533.00.

5.29.

Gelet op al het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende slotsom.

5.29.1.

De rechtbank zal het bedrag van de aan [A] te betalen schadeloosstelling bepalen op € 137.933,00 en de provincie veroordelen tot betaling aan [A] van wat hij met het betaalde voorschat te weinig heeft ontvangen, te weten € 56.933,00.

5.29.2.

De rechtbank zal de vordering jegens de provincie tot vergoeding van de kosten van deskundigen en juridische bijstand van [A] toewijzen tot een bedrag van € 77.259,19 inclusief btw, nog te vermeerderen met het griffierecht ad € 1.533,00.

5.29.3.

De provincie zal worden veroordeeld tot betaling van salaris en verschotten van de door de rechtbank benoemde deskundigen van (in totaal) € 53.085,84 inclusief btw.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

bepaalt de schadeloosstelling van [A] voor de onteigening van een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , [nummer] , ter grootte van 2.64.19 ha, op € 137.933,00, te vermeerderen met een rente van 1,5 % per jaar over het verschil tussen het voorschot op de schadeloosstelling van € 81.000,00 en de eerstgenoemd bedrag, te rekenen vanaf 20 augustus 2015, zijnde de dag van inschrijving in de openbare registers van het vonnis van 10 juni 2015 tot vervroegde onteigening, tot aan de datum van dit vonnis,

6.2.

veroordeelt de provincie om aan [A] te betalen het verschil tussen het door haar betaalde voorschot van € 81.000,00 en het door de rechtbank sub 6.1 bepaalde bedrag van € 137.933,00, derhalve € 56.933,00 (zesenvijftigduizend negenhonderd drieëndertig euro), vermeerderd met de sub 6.1 bedoelde rente alsmede vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het aldus bepaalde bedrag vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt de provincie om aan [A] te betalen de kosten van deskundige- en juridische bijstand ten bedrage van € 77.259,19 inclusief btw, vermeerderd met het door [A] voldane griffierecht ad € 1.533,00,

6.4.

veroordeelt de provincie tot betaling van de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, in totaal vastgesteld op € 53.085,84 inclusief btw,

6.5.

veroordeelt de provincie tot betaling van de kosten van de door de griffier te verrichten bekendmaking in deze procedure, na ontvangst van een desbetreffende factuur van het Landelijk Dienstencentrum Rechtspraak te Utrecht,

6.6.

wijst aan de Stentor/editie Kampen -Flevoland, als het nieuwsblad waarin overeenkomstig artikel 54 onteigeningswet een uittreksel van dit vonnis door de griffier geplaatst dient te worden,

6.7.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Bottenberg - van Ommeren, mr. W.J.B. Cornelissen en mr. W.F. Boele en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.