Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:392

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-02-2016
Datum publicatie
10-02-2016
Zaaknummer
C/08/180213 / KG RK 15-843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rekestnummer: C/08/180213 / KG RK 15-843

Beslissing van 8 februari 2016

in de zaak van

[A] ,

wonende te [plaats] ,

verzoeker,

verschenen in persoon,

strekkende tot wraking van mr. F. Koster, in zijn hoedanigheid van kantonrechter in deze rechtbank, verder te noemen mr. Koster.

1 De procedure

1.1.

Op 15 december 2015 heeft verzoeker het verzoek tot wraking gedaan van mr. Koster, rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder nummer 4236678 CV EXPL 15-4288.

1.2.

Bij schrijven van 18 december 2015 heeft mr. Koster gereageerd op het wrakingsverzoek. Mr. Koster heeft niet in de wraking berust.

1.3.

Het wrakingsverzoek is op 3 februari 2016 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen, bijgestaan door zijn partner. Mr. Koster is met kennisgeving niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Bij dagvaarding van 5 juni 2015 heeft [B], gevestigd te Andijk (hierna: [B]), gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, verzoeker (h.o.d.n. BasicDesign) zal veroordelen om aan [B] tegen kwijting te betalen de som van € 12.391,31, vermeerderd met rente en met veroordeling van verzoeker in de kosten van dit geding. Aan haar vordering legt [B], samengevat, ten grondslag dat verzoeker facturen tot een bedrag van € 10.954,60 onbetaald heeft gelaten.

Verzoeker voert verweer en heeft een tegenvordering van € 50.000,00 ingesteld als gevolg van misgelopen en gereduceerde 1e en 2e kwartaal omzetten en geleden Imago schade welke is ontstaan door willens en wetens producten aan ondergetekende te leveren waarvan men wist dat deze ondeugdelijk waren.

2.2.

Op 15 december 2015 is mr. Koster overgegaan tot de bij vonnis van 8 september 2015 bevolen comparitie van partijen. Na afloop van deze zitting heeft verzoeker een wrakingsverzoek tegen mr. Koster ingediend.

2.3.

Bij brieven van 30 december 2015 en 4 januari 2016 hebben verzoeker respectievelijk [B] gebruik gemaakt van de mogelijkheid om opmerkingen te maken over het proces-verbaal van de zitting van 15 december 2015 over de wijze waarop het verhandelde tijdens deze comparitie is geverbaliseerd en daarbij te wijzen op eventuele onjuistheden en/of omissies. In zijn reactie heeft verzoeker ook de wrakingsgronden aangevuld.

3 Het wrakingsverzoek

3.1.

Aan zijn verzoek tot wraking legt verzoeker, samengevat, ten grondslag dat mr. Koster reeds eerder betrokken was bij een andere zaak van hem die is geregistreerd onder nummer 4028159 CV EXPL 15-2356 en dat mr. Koster deze zaak zonder opgave van reden en zonder voorafgaande kennisgeving aan verzoeker heeft overgedragen aan mr. M.M. Lorist. Verzoeker kan hier dan ook niet anders uit concluderen dat het moment waarop overdracht van deze Casus aan MR Lorist heeft plaatsgevonden op zijn minst discutabel te noemen is waarbij 1) vooringenomenheid aangaande het verloop van deze zaak t.a.v. ondergetekende bij het al dan niet slagen van deze comparitie reeds voorzien was. (…) 2 Edelachtbare MR. F Koster mede door de voorkennis van beide zaken bovengenoemde casus met kenmerk: 4028159 CV EXPL 15-2356 bewust aan Edelachtbare MR Lorist heeft overgedragen teneinde de huidige casus met kenmerk: 4236678CV EXPL 15-4288 te kunnen voorzitten. Verzoeker beroept zich op artikel 6 lid 1 EVRM. Volgens verzoeker heeft mr. Koster ten onrechte geen gebruik gemaakt van zijn verschoningsrecht. In dit verband verwijst verzoeker naar de uitspraak van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2013, ECLI:NL:RBDHA:8663.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

4.2.

Verzoeker heeft zijn verzoek gegrond op (het moment van) de beslissing van mr. Koster tot overdracht van de zaak met nummer 4028159 CV EXPL 15-2356 aan mr. Lorist waardoor mr. Koster jegens hem in de zaak met nummer 4236678 CV EXPL 15-4288 door de voorkennis van beide zaken een vooringenomenheid koestert. Gelet hierop begrijpt verzoeker niet waarom mr. Koster ook de zaak met nummer 4323025 CV 15-5130, waarin hij gedaagde partij is, behandelt.

4.3.

De wrakingskamer stelt vast dat verzoeker na gemelde beslissing van mr. Koster geruime tijd heeft laten verstrijken alvorens op grond van deze beslissing mr. Koster te wraken. Daarmee heeft verzoeker naar het oordeel van de wrakingskamer niet voldaan aan het bepaalde in artikel 37 lid 1 Rv. Daarbij betrekt de wrakingskamer dat verzoeker ten tijde van de overdracht van de zaak met nummer 4028159 CV EXPL 15-2356 door mr. Koster aan mr. Lorist wist dat de zaak met nummer 4236678 CV EXPL 15-4288 bij mr. Koster in behandeling was. In die zaak heeft verzoeker immers op 25 augustus 2015 ten overstaan van mr. Koster op de eis van [B] geantwoord. Voorts heeft verzoeker ook tijdens de comparitie van partijen op 15 december 2015 geen opmerkingen gemaakt over de beslissing van mr. Koster tot overdracht van meergenoemde zaak aan mr. Lorist. Dat verzoeker met het indienen van het wrakingsverzoek heeft gewacht tot na de comparitie teneinde een goede indruk te verkrijgen aangaande het verloop van deze zitting en de behandeling van de zaak, doet aan het bepaalde in artikel 37 lid 1 Rv niet af. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn verzoek om wraking van mr. Koster.

4.4.

Verder merkt de wrakingskamer op dat uit artikel 37 lid 3 Rv volgt dat de partij die om wraking verzoekt alle feiten of omstandigheden, die naar haar mening het wrakingsverzoek rechtvaardigen, tegelijk moet voordragen. De wet kent derhalve een systeem van concentratie van feiten en omstandigheden. Dit betekent dat de wrakingskamer bij een inhoudelijke behandeling van het wrakingsverzoek van verzoeker de aanvullende wrakingsgronden, zoals verwoord in de brief van verzoeker van 30 december 2015, buiten beschouwing zou hebben gelaten.

5 De beslissing

De wrakingskamer

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G. van Eerden, W.J.B. Cornelissen en F. van der Maden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. van der Stroom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2016.1

de griffier, de voorzitter,

1 type: coll: