Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:385

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
C/08/181177 / KG ZA 16-8 (ib)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter heft op het door Mevo ten laste van Finex onder Jongeneel gelegde conservatoire derdenbeslag, met ingang van het moment dat Finex ten behoeve van Mevo tot een bedrag van € 10.000,-- zekerheid stelt door middel van een aan de gebruikelijke voorwaarden voldoende bankgarantie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 705
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBPR 2016/41 met annotatie van Mr. M.R. van Zanten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/181177 / KG ZA 16-8 (ib)

Vonnis in kort geding van 4 februari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FINEX TIMBER SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Borne,

eiseres,

verder te noemen Finex,

advocaat mr. A. Hurenkamp te Enschede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOUTINDUSTRIE MEVO B.V.,

gevestigd te Helmond,

gedaagde,

verder te noemen Mevo,

advocaat mr. M. Teekens te Leiden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties,

  • -

    de aanvullende producties van Finex,

  • -

    de producties van Mevo,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van Finex,

  • -

    de pleitnota van Mevo.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn een samenwerking aangegaan nadat Finex Mevo heeft benaderd voor de vervaardiging van een specifiek Finex houtproduct, waarop een patent rust (hierna: Finti). Finex heeft Mevo vervolgens opdrachten verstrekt tot de vervaardiging van Finti.

2.2.

Finex heeft een exclusieve overeenkomst gesloten met de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Jongeneel B.V. te Utrecht (hierna: Jongeneel), op basis waarvan Finex Finti exclusief aan Jongeneel levert, gelijk Jongeneel die Finti van Finex afneemt en op de markt brengt.

2.3.

Tussen partijen is discussie ontstaan over de uitvoering van de werkzaamheden, de gemaakte afspraken en de gehoudenheid van Finex tot betaling aan Mevo van facturen.

2.4.

In een brief van 8 juli 2015 van Mevo aan Finex staat – onder meer – het volgende.

“Naar aanleiding van ons gesprek van vandaag, bevestigen wij de gemaakte afspraken.

De facturen die nu openstaan zijn uitgelegd en accoord bevonden. Ze worden niet meer gewijzigd.

Voor het vervolg van de facturen spraken wij af dat het netto eindproduct als 1 prijs wordt gefactureerd. Alles wat niet leidt tot eind product wordt gespecificeerd gefactureerd. Partijen moeten dan wel gesloten blijven.

Eventueel meerwerk wat naderhand wordt uitgevoerd wordt apart belast.

De gehele claim die er lag van het project Jongeneel, is met de gestuurde credit opgelost en afgehandeld.

Het schadebedrag van € 9313 voor de windvangers staat geparkeerd en hoeft niet te worden voldaan op de openstaande posten. Hier komen we later samen op terug.

De lopende order kan worden afgehaald. Afspraak is dat er binnen 30 dagen een bedrag van
€ 30.000 wordt betaald aan Mevo.

(…)

We menen de zaken juist te hebben verwoord en weergegeven. Mochten er zaken niet juist zijn geformuleerd, laat het ons dan p.o. weten.

(…)”

Bij de brief is een overzicht met de openstaande posten Finex 28 april 2015 gevoegd.

2.5.

Op 24 augustus 2015 heeft [medewerker Mevo] van Mevo een e-mailbericht gestuurd aan [medewerker Finex] van Finex, waarin onder meer het volgende staat:

“(…)

Begin juli hebben we een afspraak gemaakt over de betaling. Er zou binnen 30 dagen
€ 30.000 worden betaald. Tot op heden hebben we nog niets ontvangen…

(…)”

2.6.

Op 25 augustus 2015 heeft [medewerker Finex] aan [medewerker Mevo] een e-mailbericht verzonden, waarin onder meer het volgende staat:


“(…)

Afspraak is dat ik € 30.000,-. ga betalen als de order van Jongeneel, die nu in productie is, compleet is uitgeleverd en akkoord bevonden. Ik kan dan binnen 2 tot 3 weken na afleverdatum het bedrag naar jullie overmaken.

Aangezien deze order behoorlijk vertraagd is zal betaling dus nog even op zich laten wachten maar zal zoals afgesproken uitgevoerd worden.

(…)”

2.7.

Op 25 augustus 2015 heeft [medewerker Mevo] vervolgens een e-mailbericht naar [medewerker Finex] gestuurd met als inhoud “Ben ik nou gek”.

2.8.

Bij brief van 8 oktober 2015 heeft Mevo Finex, kort gezegd, meegedeeld dat er voortdurend facturen openstaan, dat er nog geen rente is berekend, maar dat zij voornemens is om rente te gaan berekenen en dat Finex in de gelegenheid wordt gesteld alle facturen voor 1 november 2015 te voldoen zonder berekening van rente.

2.9.

Per e-mailbericht van 20 oktober 2015 heeft [medewerker Mevo] [medewerker Finex] een bijlage gestuurd met de nog openstaande posten en gevraagd wat er voor deze week afgesproken kan worden qua betalingen. In reactie daarop heeft [medewerker Finex] [medewerker Mevo] per e-mail bericht dat er zojuist een bedrag van € 3.500,-- is overgemaakt en dat hij, als de laatste levering (60x84 en 60x144) eruit is, de volgende betaling eruit zal doen om zo ook in te lopen op de oude posten.

2.10.

Bij brief van 11 november 2015 heeft Mevo Finex in gebreke gesteld voor het openstaande bedrag van € 98.904,36 (inclusief btw), vermeerderd met de wettelijke rente. Voorts is meegedeeld dat Mevo zich beroept op het retentierecht ten aanzien van de goederen die bij haar staan.

2.11.

Bij brief van 14 november 2015 heeft Finex gereageerd op voornoemde brief van 11 november 2015. Er wordt - kort gezegd - meegedeeld dat de post openstaande facturen door partijen diverse keren is besproken, dat Finex niet alleen de hoogte en de omvang van de betreffende facturen betwist, maar dat zij ook aanspraak maakt op vergoeding van de schade die zij door toedoen van Mevo heeft geleden, dat zij bestrijdt dat Mevo een vordering heeft op Finex, dat Mevo zich onder deze omstandigheden niet op een retentierecht kan beroepen en dat Finex Mevo aansprakelijk stelt voor de door Finex geleden schade. Door Finex wordt voorgesteld om een en ander nader te bespreken.

2.12.

Bij brief van 18 november 2015 heeft Finex aan Mevo onder meer meegedeeld dat zij van Jongeneel heeft begrepen dat er door Mevo geen producten meer uitgeleverd zullen worden, alvorens Finex de openstaande rekeningen heeft betaald.

2.13.

Bij e-mailbericht van 18 november 2015 aan Mevo heeft Finex onder meer bericht dat zij van Jongeneel heeft begrepen dat Mevo heeft aangeboden rechtstreeks
Finex-producten te leveren en dat dit niet is toegestaan. Ook heeft Finex geprotesteerd tegen het door Mevo gepretendeerde retentierecht en is Mevo uitdrukkelijk aansprakelijk gesteld voor de schade die Finex lijdt en zal lijden als gevolg van de handelwijze van Mevo.

2.14.

Op 23 november 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, aan Mevo verlof verleend tot het leggen van conservatoire (derden)beslagen onder - onder meer - Jongeneel ten laste van Finex.

3 Het geschil

3.1.

Het gevorderde door Finex strekt er - kort gezegd - toe de door Mevo gelegde conservatoire (derden)beslagen op te (doen) heffen, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van Mevo in de kosten van dit geding.

3.2.

Mevo voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering tot opheffing van het beslag is gebaseerd op artikel 705 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), welk artikel de voorzieningenrechter die het verlof tot het beslag heeft gegeven, de bevoegdheid geeft dit beslag, desgevorderd, in kort geding op te heffen.

4.2.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.3.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481).

4.4.

Er zal moeten worden beslist aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat Mevo werkzaamheden heeft verricht en dat zij daarvoor facturen heeft gestuurd aan Finex. Finex heeft gesteld dat zij aan Mevo veelvuldig kenbaar heeft gemaakt dat zij de verschuldigdheid van de facturen en de omvang daarvan betwist. Hetzelfde geldt volgens Finex voor de betalingsafspraak met betrekking tot het bedrag van € 30.0000,--. Kort nadat deze afspraak is gemaakt, is gebleken dat Mevo met zeer slechte rendementsresultaten kwam, waardoor Finex zich op het verkeerde been gezet voelde en ook dit is direct kenbaar gemaakt aan Mevo, aldus Finex. Mevo heeft deze stellingen van Finex gemotiveerd betwist en wijst daarbij, onder meer, op de inhoud van eerdergenoemde brief van 8 juli 2015. Mevo stelt dat zij uitvoering heeft gegeven aan de afspraken en dat Finex de lopende order kon afhalen. Volgens Mevo heeft Finex de inhoud van de brief niet betwist en daarmee de inhoud stilzwijgend als juist erkend. In dit verband heeft Mevo erop gewezen dat Finex de toenmalige partij heeft opgehaald, hetgeen alleen mogelijk was dankzij de met Mevo gemaakte afspraken en dat Finex de creditnota van € 1.963,-- zonder protest heeft behouden. Uit deze omstandigheden volgt, aldus Mevo, dat de inhoud van de brief van
8 juli 2015 juist is. Finex stelt dat het terugkrabbelen van Finex eerst volgde nadat Mevo had uitgeleverd.

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hetgeen Finex summierlijk omtrent het door Mevo gestelde vorderingsrecht naar voren heeft gebracht onvoldoende om daaraan reeds nu de conclusie te kunnen verbinden dat zij de ondeugdelijkheid van de door Mevo gepretendeerde vordering aannemelijk heeft gemaakt. Daarvoor is nader (feiten)onderzoek, eventueel gevolgd door bewijslevering, nodig. Hiervoor is in het beperkte bestek van dit kort geding echter geen plaats. Op basis van de gegevens die thans voorhanden zijn kan vooralsnog worden geoordeeld dat Mevo althans enige vordering op Finex heeft.

4.7.

Er kan dus niet worden gezegd dat summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering is gebleken, zodat de beslagen niet op die grond worden opgeheven.

4.8.

Finex stelt verder dat handhaving van de derdenbeslagen niet nodig is, omdat Mevo zich ook heeft beroepen op een retentierecht met betrekking tot de voorraden die zij onder zich heeft en zij dat retentierecht ook daadwerkelijk uitoefent. In dit kader wordt verwezen naar de door Mevo toegezonden voorraadlijst van 27 november 2015. Volgens Finex heeft Mevo zich daarmee al een grote mate van zekerheid verschaft, aangezien de bij Mevo aanwezige voorraad A-kwaliteit een verkoopwaarde heeft van ruim € 53.500,--, de aanwezige voorraad B-kwaliteit, na verdere bewerking, nog een bedrag van ruim € 20.000,-- zou kunnen opleveren en de aanwezige C-kwaliteit een waarde van ongeveer € 2.500,-- vertegenwoordigt.

4.9.

Mevo stelt zich op het standpunt dat het hout op de voornoemde voorraadlijst als zodanig geen substantiële waarde voor Mevo vertegenwoordigt en dat zij zich daarop later niet goed kan verhalen. Bij onderhandse verkoop is de waarde veel lager.

4.10.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel de precieze waarde van de bij Mevo aanwezige voorraad niet duidelijk is, Mevo zich, gelet op de omvang van de bij haar aanwezige voorraad, door het uitoefenen van opschorting en het retentierecht zekerheid van betekenende omvang heeft verschaft.

4.11.

Met inachtneming van het vorenstaande en nu door Finex onweersproken is gesteld dat door het beslag onder Jongeneel de bedrijfsvoering van Finex volledig stil komt te liggen, omdat Finex met Jongeneel een exclusieve distributieovereenkomst heeft gesloten, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beslag onder Jongeneel vexatoir is. Finex heeft er belang bij dat zij de inkomsten van Jongeneel, op dit gebied haar enige afnemer, op korte termijn weer zal gaan ontvangen, terwijl ook Mevo er belang bij heeft dat Finex haar onderneming kan blijven drijven. De voorzieningenrechter merkt daarbij nog op dat het belang van Finex bij een spoedige hervatting van haar bedrijfsvoering zwaarder weegt dan het belang van Mevo bij (mogelijk overmatige) zekerheid door het beslag onder Jongeneel. Dat neemt evenwel niet weg dat Mevo, mede gelet op de omvang van de door haar gestelde vorderingen en het door Finex gevoerde verweer, naast de waarde van de voorraden die zij terughoudt, belang heeft bij een aanvullende zekerheidstelling. Dat kan, zonder de bedrijfsvoering van Finex te torpederen door het stellen van een bankgarantie.

4.12.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, leidt een afweging van de belangen tot het oordeel dat het beslag onder Jongeneel dient te worden opgeheven, onder de voorwaarde dat Finex ten behoeve van Mevo tot het bedrag van € 10.000,-- een bankgarantie verstrekt.

4.13.

De voorzieningenrechter ziet onvoldoende rechtvaardiging voor opheffing van de andere gelegde derdenbeslagen, nu duidelijk is geworden dat deze niet “kleven”.

4.14.

De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat de voorzieningenrechter het beslag op grond van artikel 705 Rv zelf zal opheffen.

4.15.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd zoals hieronder vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

Heft op het door Mevo ten laste van Finex onder Jongeneel gelegde conservatoire derdenbeslag, met ingang van het moment dat Finex ten behoeve van Mevo tot een bedrag van € 10.000,-- zekerheid stelt door middel van een aan de gebruikelijke voorwaarden voldoende bankgarantie.

5.2.

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

5.3.

Compenseert de proceskosten in die zin dat partijen elk de eigen kosten dragen.

5.4.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op
4 februari 2016.