Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3833

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
08/730295-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na een feestje is in de auto onderweg naar huis ruzie ontstaan tussen verdachte en aangever. De aangever was de schoonvader van de verdachte. Verdachte is door het lint gegaan en in gevecht geraakt met aangever. Hij pakte een verfkrabber en verwond de aangever met dit gereedschap. Nadat verdachte uit de auto stapte, liep hij naar het huis van de aangever en heeft daar met een hamer een aantal ruiten vernield. De rechtbank legt een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk op met een proeftijd van drie jaar. Hiernaast legt de rechtbank een werkstraf op van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis. Ook moet de verdachte een schadevergoeding van 545 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0404

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer (P): 08/730295-16

Datum vonnis: 6 oktober 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1973 in [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 2] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 september 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.J. Wiegant en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.W. van Faassen, advocaat te Zwolle, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 29 mei 2016 [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar heeft mishandeld dan wel heeft geprobeerd hen zwaar te mishandelen en dat hij de ramen van een woning heeft vernield.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Zwolle aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (diepe) wond in een duim, althans in een hand, heeft toegebracht door haar met een verfkrabber, althans met een scherp voorwerp, in/op/tegen een duim, althans in/op/tegen een hand te snijden en/of te slaan en/of een verfkrabber over een duim, althans een hand,

te halen/trekken en/of uit haar hand te trekken;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Zwolle

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet die [slachtoffer 1] met een verfkrabber, althans met een scherpvoorwerp, in/op/tegen een duim, althans in/op/tegen een hand heeft gesneden en/of geslagen en/of een verfkrabber, althans een scherp voorwerp, over een duim, althans over een hand van die [slachtoffer 1] heeft getrokken/gehaald en/of uit een hand van die [slachtoffer 1] heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Zwolle zijn levensgezel, [slachtoffer 1] , heeft

mishandeld door haar met een verfkrabber in/op/tegen haar hand te snijden en/of te slaan en/of een verfkrabber over haar hand te halen en/of over/uit haar hand te trekken;

2.

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Zwolle aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten lange en/of diepe wonden in de hals en/of de nek en/of een schouder en/of de rug, heeft toegebracht door die [slachtoffer 2] met een verfkrabber, althans met een scherp voorwerp, in/op/tegen de hals en/of de nek en/of een schouder en/of de rug, althans op/tegen het lichaam, te slaan en/of te snijden en/of te krassen en/of een verfkrasser over de nek en/of de hals en/of een schouder en/of de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 2] te halen en/of te trekken;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet met een verfkrabber, althans met een scherp voorwerp,

in/op/tegen de nek en/of de schouder en/of de hals en/of de rug, althans op/tegen het lichaam, van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en/of getrokken en/of gesneden en/of gekrast en/of een verfkrabber, althans een scherp voorwerp over de rug en/of de hals en/of de nek en/of de rug, althans over het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gehaald en/of getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 2 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Zwolle [slachtoffer 2] heeft mishandeld door hem met een verfkrabber in/op/tegen de hals en/of een schouder en/of de nek en/of de rug, althans op/tegen het lichaam te slaan en/of te snijden en/of te krassen en/of een verfkrabber over

de nek en/of de hals en/of een schouder en/of de rug, althans over het lichaam, te halen en/of te trekken;

3.

hij op of omstreeks 29 mei 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een aantal ruiten/ramen (van een woning gelegen aan de [adres 1] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Deltawonen en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het eerste feit wordt vrijgesproken en dat verdachte voor de feiten 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat de verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Feit 1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

De overwegingen van de rechtbank

Vast staat dat verdachte en de aangeefster [slachtoffer 1] in een auto een woordenwisseling heeft gehad met verdachte. Op enig moment is aangeefster gewond geraakt aan haar hand. Aangeefster zelf kan niet zeggen hoe zij precies gewond is geraakt. Ook de andere inzittenden hebben dat niet gezien. Voor de rechtbank is daardoor de feitelijke toedracht van wat zich in de auto heeft afgespeeld - en daarmee ook het eventueel aanwezige (voorwaardelijk) opzet op de mishandeling van aangeefster - niet vast te stellen. Net als de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank aldus van oordeel dat het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen is. De rechtbank zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken.

5.2

Feit 2

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair tenlastegelegde (zware mishandeling) wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat er sprake is van blijvende ontsierende littekens bij aangever [slachtoffer 2] .

De raadsman heeft vrijspraak bepleit.

De overwegingen van de rechtbank

Aangever [slachtoffer 2] (hierna ook: aangever) heeft op 30 mei 2016 aangifte heeft gedaan van zware mishandeling. Uit de verklaring van aangever blijkt onder meer dat hij op 29 mei 2016 na afloop van een feest samen met [slachtoffer 1] , [getuige 1] en verdachte in de auto naar huis is teruggereden. Op enig moment is het in de auto tot een woordenwisseling gekomen tussen verdachte en [slachtoffer 1] omdat zij als bestuurster van de auto tijdens het rijden met haar mobiele telefoon bezig was geweest en daardoor kennelijk een stuurfout maakte. Aangever heeft over de woordenwisseling tussen [slachtoffer 1] en verdachte een opmerking gemaakt, waarna verdachte aangever meerdere keren met een verfkrabber heeft geslagen. Verdachte heeft daarentegen bij de politie en ter terechtzitting onder meer verklaard dat aangever naar aanleiding van de woordenwisseling tussen hem en [slachtoffer 1] in de auto is doorgedraaid van woede. Op het moment dat de auto voor een stoplicht was gestopt, is aangever uit de auto gestapt, is naar het achterportier gelopen, heeft dit geopend en heeft vervolgens op verdachte ingeslagen. Verdachte kon op dat moment de auto niet uit omdat aangever voor het achterportier stond. Volgens verdachte is aangever weer voor in de auto gestapt en wilde hij in de auto de verdachte opnieuw slaan. De situatie zou volgens verdachte behoorlijk bedreigend zijn geweest. Verdachte heeft verder verklaard dat hij op een bepaald moment tussen de voorstoelen van de auto een verfkrabber zag liggen en dat hij die heeft op- of afgepakt. Omdat aangever slaande bewegingen richting de verdachte bleef maken, heeft verdachte zich met de verfkrabber verweerd tegen de slaande bewegingen van aangever. Het dossier bevat verder verklaringen van aangeefster [slachtoffer 1] en getuigen [getuige 1] ,
[getuige 2] en [getuige 3] over wat zij hebben gezien. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] geven geen compleet beeld van het incident, maar uit de verklaringen valt wel af te leiden dat sprake is geweest van een escalatie van gebeurtenissen. Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat een persoon slaande bewegingen maakte in de richting van het openstaande achterportier van een auto. Volgens getuige [getuige 2] sloeg de persoon iemand die achterin zat.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich met de verfkrabber heeft verweerd tegen de aanvallen van aangever. De rechtbank acht deze door verdachte gegeven lezing niet aannemelijk. De verklaring van verdachte wordt niet ondersteund door de verklaring van [slachtoffer 1] . Laatstgenoemde verklaart immers dat zij, op het moment dat zij moest stoppen voor een stoplicht en aangever verdachte uit de auto heeft gezet, al gewond was en niet, zoals verdachte heeft verklaard, dat de verfkrabber daarna (nadat zij verder zijn gereden) ter hand is genomen. De rechtbank overweegt voorts dat een arts (blijkens de letselrapportage, gedateerd 30 mei 2016) bij aangever aan de bovenzijde van de borst, op de achterzijde van het hoofd, de nek, de bovenzijde van de borst en de rug letsel heeft geconstateerd, dat kan passen bij de door aangever omschreven toedracht. Uit de letselbeschrijving blijkt dat er grote diepe open bloedende door de huid heen lopende snijwonden die lopen van de nek via de linkerschouder naar de zijkant van de linker bovenarm zijn geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op de aard van de verwondingen, en gelet op de positie van verdachte (achterin de auto) ten opzichte van aangever (voorin de auto op de bijrijdersstoel) het niet aannemelijk dat een afweerbeweging, zoals verdachte heeft aangevoerd, voornoemd letsel heeft veroorzaakt.

Net als de officier van justitie gaat de rechtbank uit van de toedracht die aangever heeft geschetst. Daardoor is bij aangever fors letsel ontstaan. Voor het antwoord op de vraag of dit letsel gekwalificeerd moet worden als zwaar lichamelijk letsel is de rechtbank van oordeel dat het bij aangever vastgestelde letsel (al dan niet diepe snijwonden) niet als zodanig kan worden gekwalificeerd. De officier van justitie heeft ter terechtzitting een ander standpunt dienaangaande ingenomen. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de blijvende ontsierende littekens bij aangever. De rechtbank stelt echter vast dat het door de officier van justitie als zwaar lichamelijk letsel genoemde “blijvende ontsierende littekens” niet in de tenlastelegging is opgenomen. Toepassing van de grondslagleer leidt er dan ook toe dat niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte wel als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de foto’s van het letsel en de letselbeschrijving leidt de rechtbank af dat verdachte met een scherp voorwerp meerdere malen op ogenschijnlijk willekeurige wijze heeft uitgehaald en daarbij snijwonden heeft veroorzaakt op het achterhoofd en in de nek van aangever. Ook heeft hij een diepe wond veroorzaakt in het bovenste gedeelte van de rug. Deze wonden dienden medisch behandeld te worden; meerdere hechtpleisters waren noodzakelijk. Het is een feit van algemene bekendheid dat de hals en de nek kwetsbare delen van het menselijk lichaam zijn. In het bovenste gedeelte van de torso, hals en nek bevinden zich immers vlak onder de huid diverse (slag)aderen en de ruggengraat en is de kans dat het slaan/uithalen daartegen met een scherp voorwerp zwaar lichamelijk letsel ten gevolge kan hebben naar ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Van dit risico moet verdachte, die de verfkrabber gebruikt voor zijn werk en dus weet hoe scherp deze is, zich bewust zijn geweest. Verdachte heeft zich dus willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen en die kans op de koop toegenomen.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem subsidiair tenlastegelegde feit.

5.3

Feit 3

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat sprake is van een bekennende de verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

De rechtbank is van oordeel dat de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en in samenhang bezien, wettig en overtuigend bewijs opleveren dat de verdachte zich op 29 mei 2016 te Zwolle schuldig heeft gemaakt aan vernieling.

5.4

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en onder feit 2 primair is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

ten aanzien van feit 2 subsidiair

hij op 29 mei 2016 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voormeld opzet met een verfkrabber, in/tegen de nek en/of de schouder en/of de hals en de rug, van die [slachtoffer 2] heeft geslagen en gesneden en een verfkrabber over de rug en de hals en de nek van die [slachtoffer 2] heeft getrokken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ten aanzien van feit 3

hij op 29 mei 2016 te Zwolle opzettelijk en wederrechtelijk een aantal ruiten van een woning gelegen aan de [adres 1] , toebehorende aan Deltawonen, in elk geval aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder feit 2 subsidiair en feit 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van feit 2 primair en subsidiair een beroep gedaan op noodweer.

Voor het slagen van een beroep op noodweer is allereerst vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich moest verdedigen. Uit wat hiervoor onder de bewijsoverweging van de rechtbank is opgenomen, volgt dat de rechtbank de lezing van verdachte niet aannemelijk acht. De rechtbank acht een noodweersituatie niet aannemelijk geworden en verwerpt het verweer.

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45, 302 en 350 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 2 subsidiair

het misdrijf: poging tot zware mishandeling;

feit 3

het misdrijf: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

7 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft subsidiair het standpunt ingenomen dat ten aanzien van feit 2 primair en subsidiair sprake is geweest van noodweerexces.

Nu de rechtbank niet aannemelijk acht dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen, kan het beroep op noodweerexces evenmin slagen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Na een feestje waarbij zowel aangever als verdachte stevig hebben gedronken, is in de auto – die werd bestuurd door verdachtes partner – onderweg naar huis ruzie ontstaan. Verdachte was boos over het verkeersgedrag van zijn partner, waarna aangever (verdachtes schoonvader) opmerkingen heeft gemaakt over het optreden van verdachte. Vrijwel direct daarna is de situatie geëscaleerd. Verdachte is door het lint gegaan en in gevecht geraakt met aangever. Hij heeft een verfkrabber gepakt die in de auto lag en daarmee uitgehaald naar aangever. Hierdoor heeft aangever (diepe) snijwonden opgelopen. De aard van de wonden was niet levensbedreigend, maar aangever heeft als gevolg van de diepe wonden wel blijvende littekens overgehouden aan het incident. Nadat verdachte uit de auto is gestapt, is hij naar het huis van aangever gelopen en heeft daar uit frustratie en woede met een hamer een aantal ruiten vernield.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), alsmede met het bepaalde in artikel 22b Sr. In dit artikel is onder meer bepaald dat een taakstraf niet wordt opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

Verdachte heeft drie dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. De rechtbank zal deze drie dagen gevangenisstraf als onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zodat aan het bepaalde in artikel 22b Sr is voldaan. Hoewel volgens de oriëntatiepunten van het LOVS een gevangenisstraf van een aantal maanden uitgangspunt is, heeft de rechtbank bij het bepalen van de straf overwogen dat een langer durende gevangenisstraf in dit geval niet passend is. Niet alleen is dat gelegen in de omstandigheden van het geval, maar ook in de persoon van de verdachte. In de eerste plaats heeft het incident plaatsgevonden in een beperkte kring en was deze situationeel bepaald. De aanleiding was een ingreep van verdachte na telefoongebruik door de bestuurster tijdens het rijden. Nadat daarover ruzie was ontstaan, heeft verdachte in een opwelling een verfkrabber gepakt, die toevalligerwijs voorhanden was, en daarmee het slachtoffer verwond.

Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat sprake is van beschermende factoren ter voorkoming van recidive in die zin dat de verdachte een eigen bedrijf heeft en er geen aanwijzingen bestaan voor financiële problemen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd, zou betekenen dat verdachte geen inkomen meer heeft met alle gevolgen van dien.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank overwogen of aan een op te leggen voorwaardelijke gevangenisstraf, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, voorwaarden moeten worden verbonden. In dat kader heeft de rechtbank

de adviesrapportages van 19 augustus 2016 en 20 september 2016, beiden opgemaakt door

T. Dol , reclasseringswerker Tactus Reclassering Zwolle in haar strafoplegging betrokken.

In het reclasseringsadvies van 19 augustus 2016 geeft mevrouw Dol aan dat de reclassering van mening is dat er sprake is van een directe relatie tussen verdachtes alcoholgebruik en delictgedrag. Daarnaast geeft mevrouw Dol aan dat verdachte niet altijd in staat is om in conflictsituaties tot adequate oplossingsstrategieën te komen. De reclassering is van mening dat aandacht dient uit te gaan naar toekomstige partnerrelaties. Verdachte is in verband hiermee aangemeld voor ambulante behandeling bij de forensische verslavingspolikliniek JusTact te Zwolle. Verdachte kwam ten tijde van deze rapportage zijn afspraken na en stelde zich meewerkend op.

In het reclasseringsadvies van 20 september 2016 vermeldt mevrouw Dol dat er sprake is van een visieverschil tussen verdachte en de reclassering. Verdachte ervaart geen problemen en is van mening dat er geen relatie bestaat tussen zijn alcoholgebruik en agressieregulatie. Verdachte is niet langer gemotiveerd voor een reclasseringstraject. Verdachte heeft te kennen gegeven geen meerwaarde te zien in een reclasseringstraject waar een behandeling onderdeel van uitmaakt. Gelet hierop denkt de reclassering dat een traject eerder weerstand zal op gaan roepen dan de gewenste gedragsverandering. De reclassering ziet dan ook geen mogelijkheden voor een plan van aanpak in een voorwaardelijk strafkader. Om die reden zal de rechtbank dan ook geen bijzondere voorwaarden verbinden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alle omstandigheden in deze zaak in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat naast een voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur aan de verdachte een forse taakstraf moet worden opgelegd. De rechtbank zal de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twee (2) maanden voorwaardelijk. De proeftijd wordt vastgesteld op drie jaar. Daarnaast legt de rechtbank een werkstraf op voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats], heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 3.545,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    materiële schade van € 545,--;

  • -

    immateriële schade van € 3.000,--.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer.

De opgevoerde materiële schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 545,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde immateriële schade is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van het strafproces, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 subsidiair is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart niet bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 subsidiair en feit 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 2 subsidiair: poging tot zware mishandeling;
    feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder feit 2 subsidiair en feit 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van 200 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 545,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 mei 2016;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 subsidiair tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 545,- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van H.J.A. Teerlink, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2016.

Mr. S. Taalman en mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper zijn buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2016268949. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feit 2 subsidiair

1.

Het proces-verbaal van aangifte van 30 mei 2016, pagina 35 t/m 37, voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :

“(…) Ik wil aangifte doen van (…) zware mishandeling (…) gepleegd op zondagavond

29 mei 2016. (…) Toen ik op hem reageerde had [verdachte] ergens een verfkrabber vandaan gehaald. (…) Ik voelde dat hij mij sloeg in de nek en daarna voelde ik hem krassen. Hij sloeg mij meerdere keren en opzettelijk en met kracht. (…) Ik zag dat [verdachte] de verfkrabber nog steeds vast had en dat hij nog een slaande beweging naar mij maakte met deze krabber. Ik kon deze min of meer ontwijken maar hij raakte mij wel net iets onder mijn hals. (…).”

2.

Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 31 mei 2016, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [slachtoffer 2] :

“(…) Ik merkte toen dat ik diverse malen van achteren op mijn rug en nek werd bewerkt met een scherp voorwerp. (…).”

3.

Een letselrapportage van de GGD IJsselland met foto’s, van 30 mei 2016, betreffende [slachtoffer 2] , geboortedatum [geboortedatum 2] 1967, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de forensisch arts H. Pathuis:

“(…) Letselbeschrijving. Hoofd/hals. Op achterzijde hoofd en in de nek diverse (reeds genezende) snijwonden die door de huid zijn geweest en hebben gebloed. Romp. Borst. Bovenzijde borst rechts een licht gebogen lopende (reeds genezende snijwond) die door de huid is geweest en heeft gebloed. Rug. Grote diepe open bloedende door de huid heen lopende snijwonden die lopen van de nek via de linker schouder naar de zijkant van de linker bovenarm. (…) Beoordeling letsel. Ontstaan: letsel ontstaan door scherp krassend direct geweld door snijden, krassen of steken met scherp snijdende voorwerpen. Herstel: functioneel herstel waarschijnlijk binnen 4 tot 6 weken maar wel met blijvend zichtbare littekens. Blijvend letsel: blijvende zichtbare en daardoor ontsierende littekens op rug, arm en hand. Letsel past bij toedracht: het geconstateerde letsel kan passen bij de door slachtoffer aangegeven toedracht. (…).”

4.

Het proces-verbaal van aangifte van 30 mei 2016, pagina 45 t/m 48, voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] :

“(…) Ik zag dat [verdachte] en [slachtoffer 2] met elkaar in gevecht raakte. (…).”

5.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2016, voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

“(…) Ik heb de verfkrabber tegen [slachtoffer 2] gebruikt om mij te verweren. (…) Toen [slachtoffer 2] wilde uithalen heb ik met de verfkrabber uitgehaald. (…).”

Feit 3

1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 september 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte;

2.

Het proces-verbaal van aangifte van 30 mei 2016, pagina 35 t/m 37, voor zover inhoudende de verklaring van aangever [slachtoffer 2] ;

3.

Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] van 30 mei 2016, pagina 62 t/m 63, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige.