Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3795

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-04-2016
Datum publicatie
04-10-2016
Zaaknummer
C/08/179474 / FT RK 15/1842
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schulden niet te goeder trouw ontstaan: afwijzing verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team toezicht

Zittingsplaats Almelo

Zaaknummer: C/08/179474 / FT RK 15/1842

Datum uitspraak: 7 april 2016

Vonnis van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken op het verzoek van:

[verzoekster] ,

geboren op [1954] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verzoekster, hierna [verzoekster] te noemen.

Het procesverloop

[verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 31 maart 2016, waar [verzoekster] is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot de heer [A] .

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De beoordeling

De feiten

[verzoekster] en [A] zijn gehuwd buiten gemeenschap van goederen. Zij ontvangen een bijstandsuitkering.

[verzoekster] heeft sinds 5 december 2008 de eenmanszaak “ [X] ” gedreven. Het autobedrijf was voornamelijk gespecialiseerd in APK-keuringen. [A] werkte bij zijn vrouw in loondienst. Hij heeft de eenmanszaak “ [Y] ” gedreven die tijdens zijn op 18 november 2008 uitgesproken schuldsaneringsregeling is beëindigd.

[verzoekster] is op 14 november 2012 op eigen aangifte failliet verklaard. [verzoekster] heeft tijdens haar faillissement geen omzettingsverzoek ingediend.

De schuldenlast van [verzoekster] bedraagt in totaal € 72.011,31, waaronder de volgende schulden:

  • -

    Belastingdienst, € 23.076,87;

  • -

    ING, € 10.982,46;

  • -

    ROZ, € 24.278,43.

De – zakelijk weergegeven – toelichting van [verzoekster]

heeft ter zitting verklaard dat de eenmanszaak van [A] in feite op haar naam is voortgezet. Volgens [verzoekster] hadden zij in 2009 een (huur)pand in [plaats] gevonden en zijn toen weer een eenmanszaak begonnen. [verzoekster] heeft bevestigd dat de eenmanszaak is opgezet om [A] in staat te stellen APK-keuringen voor particuliere klanten te laten verrichten. Zij dachten dat de klanten zouden meegaan, hetgeen niet is gebeurd. [verzoekster] heeft ter zitting bevestigd dat zij, ondanks dat de eenmanszaak na een jaar al niet meer rendeerde, is doorgegaan met de eenmanszaak omdat er voor [A] geen alternatieven waren om werk te vinden. [verzoekster] heeft ten aanzien van de belastingschulden verklaard dat zij de belastingaanslagen niet heeft kunnen betalen. Zij heeft ter zitting bevestigd dat zij eerder had moeten stoppen met de eenmanszaak.

De overwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de schuldenlast van [verzoekster] vooral bestaat uit zakelijke schulden. Deze schulden zijn ontstaan gedurende de periode van 5 december 2008 tot het faillissement op eigen aangifte op 14 november 2012. In die periode heeft [verzoekster] belastingschulden laten ontstaan en heeft deze onbetaald gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van de belastingschulden te goeder trouw is geweest. Gesteld noch gebleken is dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de belastingschulden. [verzoekster] heeft ter zitting enkel verklaard dat zij de belastingaanslagen niet kon betalen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om af te wijken van de in de rechtspraak algemeen aanvaarde norm dat het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van belasting in beginsel als niet te goeder trouw wordt aangemerkt.

Daarnaast zijn er bij de rechtbank naar aanleiding van het faillissementsverslag van de curator in het faillissement van [verzoekster] van 27 maart 2013 vragen gerezen over het al dan niet verantwoorde ondernemerschap van [verzoekster] . Zo wordt in dit verslag vermeld dat de eenmanszaak bij voorbaat gedoemd was te mislukken gezien het kostenpatroon en de inkomsten. De eenmanszaak was in feite opgezet om [A] in staat te stellen om APK-keuringen voor particuliere klanten te verrichten, hetgeen [verzoekster] ter zitting ook heeft bevestigd. Voorts wordt in dit verslag vermeld dat hoewel het na één jaar voor zowel [verzoekster] als [A] duidelijk moet zijn geweest dat de eenmanszaak onvoldoende rendeerde men toch maar verder is gegaan. [verzoekster] heeft ter zitting bevestigd dat de reden hiervoor is geweest dat er geen alternatieven waren om werk te vinden. Gelet hierop sluit de rechtbank niet uit dat [verzoekster] onverantwoorde ondernemersrisico’s heeft genomen waardoor er aanzienlijke (belasting)schulden zijn ontstaan. Zij is te lang doorgegaan met de eenmanszaak, hetgeen zij zelf ter zitting ook heeft erkend.

Gelet op het voorgaande zal het verzoek worden afgewezen op grond van artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Faillissementswet (Fw.).

Omstandigheden als bedoeld in artikel 288 lid 3 Fw. zijn evenmin aannemelijk geworden, zodat het verzoek ook op deze grond niet kan worden toegewezen.

De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af;

Gewezen door mr. M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken door

mr. M.C. Bosch ter openbare terechtzitting van 7 april 2016 in tegenwoordigheid van de griffier1.

1 De schuldenaren hebben gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het hoger beroep kan uitsluitend worden ingesteld bij door een advocaat ondertekend verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. Wanneer de schuldenaar tevens een verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord heeft ingediend, wordt dit verzoek eveneens aan het Gerechtshof voorgelegd (art. 292 lid 3 en 361 Fw.).