Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3790

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
C/08/190586 / KG ZA 16-285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakomen onderwijsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/190586 / KG ZA 16-285

Vonnis in kort geding van 3 oktober 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [plaats 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [plaats 3] ,

4. [eiser 4],

wonende te [plaats 4] ,

5. [eiser 5],

wonende te [plaats 5] ,

6. [eiser 6],

wonende te [plaats 6] ,

7. [eiser 7],

wonende te [plaats 7] ,

8. [eiser 8],

wonende te [plaats 8] ,

9. [eiser 9],

wonende te [plaats 9] ,

10. [eiser 10],

wonende te [plaats 10] ,

11. [eiser 11],

wonende te [plaats 11] ,

12. [eiser 12] ,

wonende te [plaats 12] ,

13. [eiser 13],

wonende te [plaats 13] ,

14. [eiser 14],

wonende te [plaats 6] ,

15. [eiser 15],

wonende te Heemstede,

16. [eiser 16],

wonende te [plaats 6] ,

17. [eiser 17],

wonende te [plaats 14] ,

18. [eiser 18],

wonende te [plaats 6] ,

19. [eiser 19],

wonende te [plaats 15] ,

20. [eiser 20],

wonende te [plaats 2] ,

21. [eiser 21],

wonende te [plaats 16] ,

eisers,

advocaten mrs. W. Brussee en S. Kruithof te 's-Gravenhage,

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPORT BUSINESS SCHOOL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gevoegde partij aan de zijde van eisers,

advocaten mrs. W.E. Pors en P. van Gemert te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting

STICHTING LANDSTEDE,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

gedaagde,

advocaten mrs. J.S.C. Liebrand-Bos en J. Scholtens te Zwolle.

Partijen zullen hierna Van Alphen c.s., EPBS en Stichting Landstede genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met 5 producties

  • -

    de e-mails van Stichting Landstede van 26 augustus 2016 met 9 producties

  • -

    de brief van EPBS van 26 augustus 2016 met 26 producties

  • -

    de e-mail van Van Alphen c.s. van 26 augustus 2016

  • -

    de e-mail van Stichting Landstede van 26 augustus 2016

  • -

    de e-mail van EPBS van 26 augustus 2016 met 1 bijlage

  • -

    het proces-verbaal van de zitting, gehouden op 29 augustus 2016, met daaraan gehecht de “marsroute”

  • -

    de e-mail van Van Alphen c.s. van 31 augustus 2016

  • -

    de brief van Stichting Landstede van 31 augustus 2016

  • -

    de e-mail van EPBS van 31 augustus 2016

  • -

    het faxbericht van de griffier van 2 september 2016 aan partijen

  • -

    de e-mail van Stichting Landstede van 8 september 2016

  • -

    de e-mail van EPBS van 9 september 2016

  • -

    het faxbericht van Van Alphen c.s. van 9 september 2016

  • -

    het faxbericht van de griffier van 12 september 2016 aan partijen

  • -

    het faxbericht van Van Alphen c.s. van 26 september 2016

  • -

    de e-mail van EPBS van 26 september 2016

  • -

    de e-mail van Stichting Landstede van 27 september 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Stichting Landstede houdt een aantal instellingen in de zin van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) in stand.

2.2.

Op 25 september 2012 hebben de Stichting Onderwijsgroep Landstede en EPBS een “Samenwerkingsovereenkomst Bol Opleidingen Landstede en EuroPort Business School B.V. met ingang van cohort 2012” gesloten.

2.3.

In 2013/2014 is door Van Alphen c.s. ieder afzonderlijk een onderwijsovereenkomst met “de onderwijsinstelling EuroPort Business School” aangegaan. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende vermeld:

* EuroPort Business School is een autonome organisatorische eenheid binnen de stichting Landstede

2.4.

Op of omstreeks 18 augustus 2016 heeft de directeur van EPBS aan Van Alphen c.s. meegedeeld dat Stichting Landstede – gevoed door bevindingen van de Onderwijsinspectie – zich op het standpunt heeft gesteld dat er tussen Stichting Landstede en Van Alphen c.s. geen onderwijsovereenkomsten tot stand zijn gekomen en dat Stichting Landstede daarom geen diploma aan Van Alphen c.s. kan uitreiken.

2.5.

Bij brief van 19 augustus 2016 heeft Van Alphen c.s. Stichting Landstede verzocht en voor zover nodig gesommeerd uiterlijk dinsdag 23 augustus 2016 om 12.00 uur schriftelijk te bevestigen dat zij de onderwijsovereenkomsten met Van Alphen c.s. zal nakomen en dienovereenkomstig tot diploma-uitreiking dan wel toegangsverschaffing tot examens zal overgaan.

2.6.

Tijdens de zitting zijn partijen de volgende “marsroute” overeengekomen, in aanmerking nemende dat de voorzieningenrechter als zijn standpunt kenbaar heeft gemaakt dat hij voorshands op basis van de feiten en omstandigheden van onderhavige kwestie ervan uitgaat dat er sprake is van een onderwijsovereenkomst tussen de Deelnemer (de student) en Stichting Landstede:

  1. voortvarend zal ter hand worden genomen de administratieve en inhoudelijke toets van alle 21 examendossiers van eisers, waarvan 12 dossiers thans gereed liggen voor fiattering door de examencommissie (vanzelfsprekend hebben de dossiers van de studenten die een vervolgopleiding aan een HBO-instelling gaan aanvangen daarbij de voorrang). Met betrekking tot de overige studenten die hebben gevorderd toegang tot het onderwijs en de examens zal een rechtsgeldige onderwijsovereenkomst tussen gedaagde en de betreffende student worden gesloten in de zin van artikel 8.1.3 WEB, in aansluiting waarop een individueel leerplan wordt vastgesteld ter afronding van de opleiding

  2. partijen zullen het kortgedingbureau woensdagochtend 31 augustus uiterlijk om 12.00 uur berichten welke eisers een diploma c.q. een daarmee vergelijkbaar document zullen / hebben ontvangen

  3. tenslotte zal een en ander in een kortgedingvonnis worden vastgelegd, uit te spreken op een nader te bepalen datum

  4. ieder der partijen draagt de eigen kosten.

3 Het geschil

3.1.

Van Alphen c.s. vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

(1) Stichting Landstede zal gebieden om de onderwijsovereenkomsten met Van Alphen c.s. na te komen;

(2) Stichting Landstede zal opdragen Van Alphen c.s. die voldaan hebben aan de onderwijs- en exameneisen, vóór 31 augustus 2016 het hen toekomende diploma uit te reiken;

(3) Stichting Landstede zal opdragen Van Alphen c.s. die nog niet volledig voldaan hebben aan de onderwijs- en exameneisen, toegang te verlenen tot het onderwijs en de examens;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 voor elke situatie waarin Stichting Landstede nalaat overeenkomstig het vonnis of onderdelen daarvan te handelen,

met veroordeling van Stichting Landstede in de kosten van deze procedure.

3.2.

Stichting Landstede voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover – mede gelet op de ter zitting overeengekomen “marsroute” en de correspondentie nadien – van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Allereerst overweegt de voorzieningenrechter dat het in beginsel mogelijk is voor derden om zich ter terechtzitting in kort geding te voegen aan de kant van één van partijen of in dat geding met een zelfstandige vordering tussen te komen (HR 10 september 1999, ECLI:NL:HR:1999:AF5783). De kortgedingrechter zal een derde partij, de procespartijen gehoord, alleen in voeging of tussenkomst toelaten zolang de bij het kort geding vereiste spoed en de goede procesorde daar niet onder lijden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was daarvan geen sprake, zodat de vordering van EPBS tot voeging ter zitting is toegewezen.

4.2.

Uit de aard van het gevorderde vloeit reeds voort dat Van Alphen c.s. daarbij een spoedeisend belang heeft.

4.3.

Tijdens de zitting zijn partijen gemelde “marsroute” overeengekomen. Naar aanleiding hiervan heeft Van Alphen c.s. op 9 en 26 september 2016 schriftelijk bevestigd dat eisers sub 2, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 20 en 21 inmiddels hun diploma uitgereikt hebben gekregen, dat de overige 8 eisers druk doende zijn om hun opleiding af te ronden en dat Stichting Landstede hieraan voortvarende medewerking verleent.

4.4.

In het faxbericht van de griffier van 2 september 2016 staat het volgende vermeld:

In het te wijzen KG-vonnis zal worden vastgelegd dat de in de e-mails van mrs. Brussee en Scholtens van 31 augustus jl. genoemde 10 eisers/studenten voldoen aan de exameneisen en in aanmerking komen voor een diploma. Graag ziet de voorzieningenrechter een bevestiging tegemoet dat deze diploma’s vóór 1 september 2016 aan de betrokken eisers/studenten zijn uitgereikt.

Voorts gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat – naast hetgeen reeds tussen partijen is overeengekomen (zie het proces-verbaal van de zitting van 29 augustus 2016, blz. 3, punt a) – partijen geen behoefte hebben dat in het vonnis, behoudens een verwijzing naar de aan te hechten marsroute, nader wordt ingegaan op de eisers/studenten die (nog) niet aan de exameneisen voldoen en (nog) niet voor een diploma in aanmerking komen. U wordt verzocht op zo kort mogelijke termijn, doch uiterlijk een week na heden, zich hierover uit te laten.

4.5.

Stichting Landstede heeft aangevoerd dat Van Alphen c.s. en EPBS buiten de vragen in gemelde brief van de griffier zijn getreden door de voorzieningenrechter te verzoeken dat het gevorderde in rechtsoverweging 3.1 onder (1) en (3) ongeclausuleerd wordt toegewezen.

De voorzieningenrechter kan Stichting Landstede daarin niet volgen. Hoewel Stichting Landstede kennelijk haar voortvarende medewerking verleent aan de afronding van de opleiding van eisers sub 1, 3, 6, 7, 15, 17, 18 en 19, kan uit dien hoofde niet reeds worden geconcludeerd dat Van Alphen c.s. geen recht en belang meer heeft bij het gevorderde als weergegeven in rechtsoverweging 3.1 onder (1) en (3). Bovendien is in het proces-verbaal van 29 augustus 2016, blz. 3, punt c vastgelegd dat partijen als onderdeel van de “marsroute” zijn overeengekomen dat ”een en ander in een kortgedingvonnis zal worden vastgelegd, uit te spreken op een nader te bepalen datum”.

4.6.

Gelet op het voorgaande zal Stichting Landstede worden opgedragen om de onderwijsovereenkomsten met eisers sub 1, 3, 6, 7, 15, 17, 18 en 19 na te komen en zal Stichting Landstede ten aanzien van deze eisers worden opgedragen toegang te verlenen tot het onderwijs en de examens.

4.7.

De gevorderde dwangsom zal slechts worden verbonden aan het gevorderde sub (3) teneinde, zoals door Stichting Landstede terecht is aangevoerd, executiegeschillen te voorkomen ten aanzien van het gevorderde sub (1), dat immers niet nader is geconcretiseerd. De dwangsom zal op de hierna te melden wijze worden gematigd en gemaximeerd.

4.8.

Partijen zijn overeengekomen dat de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

stelt vast dat eisers sub 2, 4, 5, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 16, 20 en 21 inmiddels hun diploma uitgereikt hebben gekregen,

5.2.

draagt Stichting Landstede op om de onderwijsovereenkomsten met eisers sub 1, 3, 6, 7, 15, 17, 18 en 19 na te komen,

5.3.

draagt Stichting Landstede op eisers sub 1, 3, 6, 7, 15, 17, 18 en 19 toegang te verlenen tot het onderwijs en de examens,

5.4.

bepaalt dat Stichting Landstede een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag – een gedeelte van een dag daaronder begrepen – per eiser wanneer zij niet voldoet aan de in 5.3 uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 5.000,00 per eiser is bereikt,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2016.1

1 type: coll: