Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3761

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
30-09-2016
Datum publicatie
03-10-2016
Zaaknummer
C/08/188661 / KG ZA 16-240
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Niet gebleken dat de Provincie op een onjuiste of onvoldoende transparante wijze invulling geeft aan het door haar gehanteerde EMVI-gunningscriterium.

De Provincie heeft, mede door het overleggen van het rapport van M&I Argitek - waarin aan de hand van diverse berekeningen is geconcludeerd dat er voldoende ruimte is om een lagere kwaliteit met een lagere prijs te compenseren -, in voldoende mate onderbouwd dat de aspecten prijs en kwaliteit ieder een rol spelen bij de vergelijkende beoordeling van de inschrijvingen. Dat de Provincie in dat kader, ook vanuit het oogpunt van de risico’s die gepaard (kunnen) gaan met de gladheidsbestrijding, een substantieel gewicht toekent aan het aspect kwaliteit behoort tot de aan de Provincie toekomende ruime bevoegdheid en dat zij daar in het uiterste geval een bedrag van € 980.000,-- voor over heeft, is niet onredelijk of onaanvaardbaar te achten.

Door de inschrijvingen te beoordelen op de prijs en kwaliteit (te onderscheiden in de subcriteria kwaliteit, communicatie en risicoplan) geeft de Provincie invulling aan haar plicht om te streven naar een zo goed mogelijke c.q. de beste prijs-kwaliteitverhouding en het creëren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde bij deze aanbesteding.

Wetsverwijzingen
Aanbestedingswet 2012
Aanbestedingswet 2012 1.4
Aanbestedingswet 2012 2.114
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2016/252 met annotatie van mr. G. Verberne en mr. T. Ruers
Module Aanbesteding 2016/517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/188661 / KG ZA 16-240 (ib)

Vonnis in kort geding van 30 september 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Rijssen ,

eiseres,

advocaat mr. R. Blom te Enschede,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE PROVINCIE OVERIJSSEL,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. M.J. Mutsaers te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en de Provincie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de door de provincie overgelegde producties A tot en met L,

  • -

    de door [eiseres] overgelegde producties 1 tot en met 6,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitnota van [eiseres] ,

  • -

    de pleitnota van de Provincie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 20 mei 2016 heeft de Provincie een Europese openbare aanbestedingsprocedure van de opdracht “Levering en onderhoud gladheidsmaterieel” aangekondigd (hierna ook: de aanbesteding). Het doel van deze aanbesteding is het afsluiten van een raamovereenkomst met één opdrachtnemer voor de duur van drie jaar met een aan de opdrachtgever toekomende optie tot verlenging van maximaal één jaar. Daarnaast zal er één onderhoudsovereenkomst voor het geleverde materieel worden aangegaan voor het all-in-onderhoud gedurende een maximum periode die gelijk is aan de voorziene levensduur. Voor strooiers is dit 10 jaar en voor ploegen 15 jaar.

2.2.

Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving (hierna ook: EMVI). Genoemd gunningscriterium is onderverdeeld in twee subgunningscriteria, te weten:

  1. Kwaliteit;

  2. Prijs.

2.3.

Het (sub)gunningscriterium Prijs bestaat uit de fictieve totaalprijs van het materieel en de totaalprijs van het onderhoud.

2.4.

Het (sub)gunningscriterium Kwaliteit is onderverdeeld in drie gunningscriteria, te weten:

G1. Kwaliteit,

G2. Communicatie,

G3. Risicoplan.

2.5.

Blijkens paragraaf 1.4 van de Aanbestedingsleidraad wordt bij de beoordeling van de vraag welke inschrijving de EMVI is gebruik gemaakt van de systematiek "gunnen op waarde". In deze systematiek wordt - kort gezegd - aan de behaalde score op verschillende kwaliteitscriteria een bepaalde fictieve waarde in euro’s toegekend, welke totale waarde in mindering wordt gebracht op de (fictieve) totaalprijs van de inschrijving. Hierdoor ontstaat er een vergelijkingsprijs. Het bepalen van de Vergelijkingsprijs gaat als volgt:

“Fictieve totaalprijs materieel + onderhoud vermeld in de Prijslijst – Totale waarde op de gunningscriteria Kwaliteit = Vergelijkingsprijs”

2.6.

Nadat de Provincie - onder meer - ontdekt had dat in de oorspronkelijke Prijslijst abusievelijk het levenslang onderhoud ontbrak, heeft de Provincie op 26 mei 2016 een gerectificeerde Aankondiging, en een aangepaste Prijslijst gepubliceerd. Voorts is via Negometrix de weging van de kwalitatieve subgunningscriteria door middel van een zogenoemd rectificatiedocument aangepast. De fictieve aftrek per rapportcijfer bij de vraag 1.4.4 t/m 1.4.6 in de aanbestedingsleidraad in Negometrix is aangepast. In eerste instantie was de fictieve aftrek per rapportcijfer volgens onderstaand schema (waarbij niet (exact) de opmaak van het document is gevolgd):

Rapportcijfer

G1. Kwaliteit

G2. Communicatie

G3. Risicoplan

10

€ 120.000,--

€ 60.000,--

€ 100.000,--

8

€ 60.000,--

€ 30.000,--

€ 50.000,--

6

€ 20.000,--

€ 10.000,--

€ 15.000,--

4

€ 0,--

€ 0,--

€ 0,--

2

KO

KO

KO

De fictieve aftrek per rapportcijfers is gewijzigd volgens onderstaand schema (waarbij niet (exact) de opmaak van het document is gevolgd):

Rapportcijfer

G1. Kwaliteit

G2. Communicatie

G3. Risicoplan

10

€ 840.000,--

€ 420.000,--

€ 700.000,--

8

€ 420.000,--

€ 210.000,--

€ 350.000,--

6

€ 140.000,--

€ 70.000,--

€ 105.000,--

4

€ 0,--

€ 0,--

€ 0,--

2

KO

KO

KO

2.7.

In de Nota van Inlichtingen is onder meer - voor zover relevant - het volgende vermeld (waarbij niet (exact) de opmaak van het document is gevolgd).

“Vraag 31:

In het rectificatie document verzonden 26 mei 2016 geeft u aan dat de weging van EMVI is gewijzigd. (...). Vraag welke wij hebben heeft betrekking op de vervangingstabel met fictieve aftrek per rapportcijfer. U schrijft in het bestek dat u wilt gunnen op basis van de economisch meest voordelige inschrijving. In onze visie is dit niet realiseerbaar door de grote verschillen in het toekennen van fictieve waardebedragen per rapportcijfer. Zo is het verschil in fictieve waarde tussen rapportcijfer 8 en 10 factor 2 wat kan uitmonden in een totaal verschil tussen beide rapportcijfers G1, G2 en G3 van € 980.000. De waardetoekenning tussen deze rapportcijfers is buitenproportioneel groot gezien de te verwachte financiële omvang van dit bestek. Het verschil is zo groot dat inschrijver met de hoogste score op alle kwalitatief plannen heeft ten alle tijden het bestek wint. Hierbij mag inschrijver bij deze specifieke waarde toekenning ook nog eens € 980.000 duurder zijn. Hiermee kan een substantieel prijs verschil op de totale inschrijving van bijvoorbeeld 15 tot 30% tussen inschrijver 1 en 2 compleet te niet gedaan worden door een marginaal kwaliteitsverschil.
Wij verzoeken u de fictieve waardeverschil tussen rapportcijfers proportioneel te laten zijn met de totaal te verwachten inschrijfsom van het bestek.

Antwoord:

In totaal weegt kwaliteit c.a. 70% mee. De Opdrachtgever heeft bewust gekozen om een groot verschil te hanteren tussen een 10 en een 8. De reden hiervoor is dat Opdrachtgever grote waarde hecht aan kwaliteit. Aanbestedende dienst zal de fictieve bedragen daarom ook niet aanpassen.”

(…)

“Vraag 33:

Op vraag 31 antwoordt u verder dat in totaal de kwaliteit c.a. 70% meeweegt. Wij begrijpen dit percentage niet. In de Aanbestedingsstukken is nergens gesteld en toegelicht dat de verhouding tussen prijs en kwaliteit 30/70 is. Hoe moeten wij deze verhouding zien in het licht van de methodiek ‘gunnen op waarde’ waarbij op de fictieve totale inschrijfprijs de totale fictieve waarde op de gunningscriteria in mindering wordt gebracht? En waarom vermeldt u dat sprake is van c.a. 70%? Dit is niet transparant. Graag ontvangen wij daarom aan de hand van een concreet voorbeeld alsnog een toelichting hierop zodat wij uw beoordelings- en gunningsystematiek voldoende begrijpen.

Antwoord:

In deze aanbesteding wordt, zoals u aangeeft, de methodiek Gunnen Op Waarde gehanteerd, waarbij de totaal behaalde kwaliteitswaarde in mindering wordt gebracht op de fictieve totale inschrijvingsprijs. De door inschrijvers in te dienen inschrijfprijzen en de door inschrijvers te behalen kwaliteitswaarde zijn altijd leidend voor de EMVI beoordelingsmethodiek. Het in de beantwoording op vraag 31 genoemde percentage is slechts indicatief, speelt geen formele rol in de weging en poogt hiermee enig inzicht te geven in de gekozen prijs/kwaliteitsverhouding. Hieronder een toelichting op het indicatief weergegeven percentage:

• De maximaal te behalen kwaliteitswaarde (€1.960.000) staat op voorhand vast, deze is niet afhankelijk van de door inschrijvers in te dienen inschrijfprijzen .

• De uiteindelijke verhouding prijs/kwaliteit binnen de Gunnen Op Waarde methodiek is altijd afhankelijk van de door inschrijvers in te dienen prijzen.

• Op basis van de interne prijsraming voor de fictieve totaalprijs vertegenwoordig de maximale kwaliteitswaarde grogweg een waarde van 70% daarvan.

Voorbeeld 1: Totale fictieve inschrijfsom inschrijver A: € 3.000.000, maximale kwaliteitswaarde € 1.960.000. Kwaliteitswaarde is hier circa 65%

Voorbeeld 2: Totale fictieve inschrijfsom Inschrijver B: € 2.500.000, maximale kwaliteitswaarde € 1.960.000. Kwaliteitswaarde is hier 78,4%.

Deze illustratieve voorbeelden laten zien dat het percentage prijs/kwaliteit op basis van de daadwerkelijk ingediende prijzen kan fluctueren en dus niet op voorhand vast staat. De als toelichting genoemde ca.70% is gerelateerd aan de interne raming.

Concluderend: De reeds vermelde kwaliteitswaarde blijft onverminderd in stand, waarbij de geaccepteerde methodiek Gunnen Op Waarde eveneens blijft gehanteerd.”

“Vraag 34:

In het antwoord op vraag 31 van de 1e Nota van Inlichtingen heeft u afwijzend gereageerd op ons verzoek om de fictieve waardeverschillen tussen de te behalen rapportcijfers op de kwalitatieve (sub)gunningscriteria G1, G2 en G3 aan te passen. De reden die u hiervoor geeft, is dat u grote waarde hecht aan kwaliteit. Dat u waarde hecht aan de kwaliteit van de inschrijvingen vinden wij op zich een goede zaak. Wel wijzen wij u erop dat u als aanbestedende dienst op grond van artikel 1.4 lid 2 Aw2012 dient zorg te dragen voor het leveren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde voor de door u te besteden publieke middelen bij het aangaan van een overeenkomst. In artikel 2.114 lid 1 Aw2012 wordt hier invulling aan gegeven door als uitgangspunt te nemen dat een overheidsopdracht wordt gegund op grond van het gunningcriterium ‘economisch meest voordelige inschrijving’.
Dit betekent dat u moet streven naar de beste prijs-/kwaliteitverhouding. De inschrijver die de beste prijs-kwaliteitverhouding aanbiedt, heeft recht op gunning van de opdracht. In dat geval wordt zo veel mogelijke maatschappelijke waarde gecreëerd. De gunningsystematiek die u nu toepast, is onverenigbaar met het gunningscriterium ‘economisch meest voordelige inschrijving’. Uw systematiek leidt namelijk niet tot de ‘economisch meest voordelige inschrijving’. In paragraaf 1.4 van de Aanbestedingsleidraad heeft u toegelicht op welke wijze de rapportcijfers 2, 4, 6, 8 en 10 (onvoldoende, matig, slecht, voldoende, goed en uitstekend) op de subgunningscriteria G1, G2 en G3 door inschrijvers kunnen worden behaald. Gelet op uw methodiek van ‘gunnen op waarde’ vertegenwoordigt elke rapportcijfer per subgunningscriterium een bepaalde fictieve waarde in Euro’s die op de totale inschrijfprijs in mindering wordt gebracht. Wij hebben bezwaar tegen het substantiële verschil van deze fictieve aftrekwaardes per rapportcijfer. Het verschil in fictieve waarde tussen de rapportcijfers 8 en 10 is bijvoorbeeld factor 2. Ingeval een inschrijver op alle subgunningscriteria G1, G2 en G3 een 10 als rapportcijfer behaalt, dan ontstaat met de nummer 2 in rangorde een verschil in fictieve waarde van € 980.000,-.- Hoewel het kwalitatieve verschil van de inschrijvingen minimaal is (het verschil tussen uitstekend en goed), betekent dit dat de inschrijver die op de subgunningscriteria een 10 heeft behaald, met een inschrijfprijs die € 980.000,— hoger is dan de nummer 2, toch de aanbesteding wint. De winnaar van de aanbesteding kan dus € 980.000,— duurder zijn dan de nummer 2 ondanks dat de kwaliteit die hij aanbiedt slechts een fractie beter is. Naar ons oordeel leidt uw gunningssystematiek (meer in het bijzonder de weging van de rapportcijfers) daarom niet tot de ‘economisch meest voordelige inschrijving’, oftewel de beste
prijs-/kwaliteitverhouding. Ons verzoek is daarom nogmaals om de weging van de subgunningscriteria (de fictieve aftrekwaardes) aan te passen zodanig dat maatschappelijke waarde door u wordt gecreëerd. Meer concreet moet het verschil tussen de fictieve waardes per rapportcijfer substantieel kleiner worden en in redelijke verhouding staan met de te verwachten inschrijfprijzen.

Antwoord:

Aanbestedende dienst gaat niet in op uw verzoek om de weging van de subgunningscriteria (de fictieve aftrekwaardes) aan te passen. Zoals ook al eerder is aangegeven in vraag 31 van de 1e Nota van Inlichtingen heeft Opdrachtgever bewust gekozen om een groot verschil te hanteren tussen de verschillende rapportcijfers, waarbij wordt opgemerkt dat de gekozen systematiek voor opdrachtgever onverminderd aansluit bij haar wens om te komen tot de Economisch Meest Voordelige Inschrijving met de voor opdrachtgever beste prijs/kwaliteitsverhouding.”
2.8. Bij brief van 30 juni 2016 is namens [eiseres] (nogmaals) uiteengezet en onderbouwd waarom zij het niets eens is met de gunningsystematiek van de Provincie. Bij brief van 4 juli 2016 heeft de Provincie (de advocaat van) [eiseres] - kort gezegd - meegedeeld dat in de Nota van Inlichtingen de vraag van [eiseres] door haar reeds is beantwoord en dat zij daarom niet ingaat op de klacht/het dringende verzoek.

2.9.

Daarop heeft [eiseres] zich genoodzaakt gezien om dit kort geding in te leiden.

2.10.

Op 5 juli 2016 heeft de Provincie de potentiële inschrijvers over de ontstane situatie geïnformeerd via Negometrix. Daarbij is aangegeven dat de uiterste inschrijftermijn wordt gehandhaafd, maar dat de eventueel te ontvangen inschrijvingen ongeopend zullen blijven in afwachting van de uitkomst van de onderhavige procedure.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert - samengevat weergegeven - het volgende.

Primair:

1. de Provincie te gebieden de aanbesteding te staken en gestaakt te houden;

2. de Provincie te gebieden, voor zover zij de opdracht nog wenst te gunnen, een

heraanbesteding te organiseren conform de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) en de overig geldende aanbestedingswet-en regelgeving, waaronder in het bijzonder
artikel 1.4 lid 2 Aw 2012 en artikel 2.114 lid 1 Aw 2012;

3. de Provincie te gebieden de weging van de kwalitatieve subgunningscriteria, voor zover de vordering tot heraanbesteding wordt toegewezen, in de heraanbesteding zodanig aan te

passen en vast te stellen dat de Provincie zorgt voor het leveren van zo veel mogelijk

maatschappelijke waarde en dat de opdracht wordt gegund aan de inschrijver met de

EMVI, oftewel de inschrijving die de beste verhouding tussen prijs en kwaliteit biedt.

Subsidiair:

4. de Provincie te gebieden de maatregelen te treffen die de voorzieningenrechter

noodzakelijk dan wel geschikt acht.

Primair en subsidiair:

5. alles op straffe van een direct opeisbare dwangsom.

6. met veroordeling van de Provincie in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten van rechtsbijstand van [eiseres] alsook de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de datum van het te wijzen vonnis tot op de dag van volledige betaling.

3.2.

[eiseres] heeft aan haar vorderingen - samengevat - ten grondslag gelegd dat het verschil in de fictieve aftrekwaarden tussen de rapportcijfers dermate groot is dat dit onverenigbaar is met het gunningscriterium EMVI, waarbij de verhouding tussen prijs en kwaliteit bepalend is voor de gunning van de opdracht aan de inschrijver. Uit de voorbeelden zoals gegeven in het antwoord bij vraag 33 in de Nota van Inlichtingen volgt dat de Provincie uitgaat van inschrijfsommen die tussen € 2.500.000,-- en € 3.000.000,-- zijn gelegen. De gunningssystematiek van de Provincie resulteert erin dat de opdracht (mogelijk) wordt gegund aan een inschrijver die op alle kwalitatieve subgunningscriteria het rapportcijfer 10 behaalt, in totaal maar liefst € 980.000,-- duurder is dan een inschrijver die op alle kwalitatieve gunningscriteria een 8 behaalt. Dit komt erop neer dat een minimaal verschil in kwaliteit kan leiden tot een gunning van de opdracht aan een inschrijver met een prijs die € 980.000,-- hoger is dan de prijs van de nummer 2 in de rangorde. In dat geval is er geen sprake van een inschrijving met de beste prijs-/kwaliteitverhouding. Hiermee handelt de Provincie in strijd met de Aw 2012, haar eigen Aanbestedingsleidraad en de geldende jurisprudentie. Weliswaar heeft de aanbestedende dienst de mogelijkheid om aan de subgunningscriteria een bepaald gewicht toe te kennen, maar deze vrijheid bereikt haar grens waar de keuze van de aanbestedende dienst voor het gunningscriterium EMVI niet leidt tot de inschrijving met de beste prijs-/kwaliteitverhouding, en aldus geen, althans onvoldoende maatschappelijke waarde wordt gecreëerd zoals in deze aanbesteding. Ter onderbouwing wordt - onder meer - verwezen naar het vonnis van de voorzieningenrechter van rechtbank ’s-Gravenhage van 16 december 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:14662).

Indien en voor zover de Provincie daadwerkelijk grote waarde hecht aan de kwaliteit van de inschrijvingen, dan is het bijzonder merkwaardig dat de inschrijvers voor het kwalitatieve subgunningscriterium G1 maximaal twee A4 mogen indienen en voor gunningscriteria G2 en G3 maximaal één A4. [eiseres] vraagt zich af hoe de beoordelingscommissie - gelet op deze maximaal aantal voorgeschreven pagina’s - gaat beoordelen dat de plannen (zeer) concreet, eenduidig en volledig zijn, waarbij alle beoordelingsaspecten specifiek, onderscheidend en in onderlinge samenhang zijn uitgewerkt op een wijze die aansluit op de behoeften en/of uitgangspunten van de Provincie.

3.3.

De Provincie voert gemotiveerd verweer. Samengevat weergegeven stelt de Provincie dat onderhavige EMVI-systematiek in overeenstemming is met de wet(sgeschiedenis) en de jurisprudentie, deugdelijk is en ook daadwerkelijk tot gunning aan de EMVI-inschrijving leidt. Dit wordt bevestigd in het rapport van het onafhankelijk en deskundig bureau M&I Argitek van 19 september 2016. Hierbij heeft de Provincie erop gewezen dat een aanbestedende dienst een grote mate van beoordelingsvrijheid en dus een discretionaire bevoegdheid heeft om de EMVI-criteria nader vorm te geven, mits deze verband houden met het voorwerp van de opdracht en geen onvoorwaardelijke keuzevrijheid bieden bij de gunning van de opdracht. Aan deze randvoorwaarden is bij deze aanbesteding voldaan. De vrijheid geldt ook voor de keuze voor het gewicht dat, oftewel de wegingsfactor, die een aanbestedende dienst aan prijs en kwaliteit in het EMVI-criterium wenst toe te kennen. Dit volgt letterlijk uit artikel 2.114 lid 1 Aw 2012. Verder volgt uit de parlementaire geschiedenis bij voornoemd artikel dat de aanbestedende dienst ervoor kan kiezen om meer gewicht te geven aan andere subcriteria van het gunningscriterium EMVI dan prijs. Ter onderbouwing wordt - onder meer - gewezen op het vonnis van de voorzieningenrechter van rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2016 (ECLI:NL:RBMNE:2016:3518. De (enige) begrenzing die in dit kader geldt, is dat er bij het hanteren van het EMVI-criterium een deugdelijke vergelijkende beoordeling moet plaatsvinden op prijs en kwaliteit. Het verschil in de fictieve aftrekwaarden tussen de rapportcijfers is weliswaar substantieel, maar zeker niet disproportioneel, gezien de risico’s die bij gladheidsbestrijding aan de orde (kunnen) zijn. Op deze manier creëert de Provincie zo veel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen. Het bezwaar van [eiseres] dat er te veel gewicht wordt toegekend aan kwaliteit stuit af op de wet(sgeschiedenis) en de Europese en nationale jurisprudentie. Het staat de Provincie vrij om - in een voorkomend - geval te kiezen voor een in alle opzichten kwalitatief uitmuntende maar duurdere aanbieding, in plaats van een in alle opzichten kwalitatief goede en goedkopere aanbieding. Als de Provincie daar in het uiterste geval € 980.000,-- voor over heeft, dan is dat (ook) haar goed recht. De rechtvaardiging daarvoor is te vinden in de risico’s die bij gladheidsbestrijding aan de orde (kunnen) zijn. Uit de rechtspraak blijkt dat het zelfs is toegestaan om de prijs in het kader van een EMVI-criterium niet te beoordelen/waarderen en de vergelijking uitsluitend op basis van kwaliteit te laten plaatsvinden.

De Provincie stelt dat één of twee A4 meer dan voldoende zou moeten zijn voor professionele, ervaren en deskundige inschrijvers om een SMART Plan van Aanpak op te stellen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van artikel 1.4 lid 2 Aw 2012 dient de aanbestedende dienst of het speciale-sectorbedrijf zorg te dragen voor het leveren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde voor de publieke middelen bij het aangaan van een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het eerste lid.

4.2.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1.4 lid 2 Aw 2012 komt naar voren dat voormelde bepaling ertoe strekt dat aanbestedende diensten streven naar een zo goed mogelijke c.q. de beste prijs-kwaliteitverhouding binnen het beschikbare (en veelal beperkte overheids-) budget. Alsdan wordt zo veel mogelijk maatschappelijke waarde gecreëerd.

4.3.

In zoverre correspondeert deze bepaling met artikel 2.114 Aw 2012, waarin is vastgelegd dat de aanbestedende dienst een overheidsopdracht gunt op grond van de naar het oordeel van de aanbestedende dienst economisch meest voordelige inschrijving. Aan een aanbestedende dienst die bij haar gunning het EMVI-criterium hanteert, komt een ruime beleidsvrijheid toe bij de invulling van de gunningscriteria, mitst het criteria betreffen die leiden tot gunning aan de EMVI. Daarbij past een terughoudende toetsing door de rechter.

4.4.

Die terughoudende toetsing geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voor de vraag of - in voldoende mate - is voldaan aan het bepaalde in

artikel 1.4 lid 2 Aw 2012.

4.5.

Met inachtneming van de voormelde toetsingsmaatstaf is het aan de aanbestedende dienst om te bepalen hoeveel onderling relatief gewicht zij aan de te beoordelen aspecten
- in casu: prijs en kwaliteit - wil toekennen. Het staat de aanbestedende dienst dus ook vrij om aan het ene subcriterium (substantieel) meer gewicht toe te kennen dan aan het andere subcriterium. Er is geen (wettelijke) regel die bepaalt welke onderlinge verhouding daarbij in zijn algemeenheid nog acceptabel is. Voorwaarde is wel dat prijs en kwaliteit beide deel uitmaken van het gunningscriterium.

4.6.

Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de Provincie op een onjuiste of onvoldoende transparante wijze invulling geeft aan het door haar gehanteerde gunningscriterium.

4.7.

De Provincie heeft, mede door het overleggen van het voormelde rapport van
M&I Argitek - waarin aan de hand van diverse berekeningen is geconcludeerd dat er voldoende ruimte is om een lagere kwaliteit met een lagere prijs te compenseren - in voldoende mate onderbouwd dat de aspecten prijs en kwaliteit ieder een rol spelen bij de vergelijkende beoordeling van de inschrijvingen. Dat de Provincie in dat kader, ook vanuit het oogpunt van de risico’s die gepaard (kunnen) gaan met de gladheidsbestrijding, een substantieel gewicht toekent aan het aspect kwaliteit behoort tot de aan de Provincie toekomende ruime bevoegdheid en dat zij daar in het uiterste geval een bedrag van
€ 980.000,-- voor over heeft, is niet onredelijk of onaanvaardbaar te achten. Immers, de hogere prijs wordt gecompenseerd door een betere kwaliteit.

4.8.

Het (eerst) tijdens de mondeling behandeling gehouden betoog van [eiseres] omtrent de geraamde opdrachtwaarde en kwaliteitsweging doet aan het voorgaande niet af. Hoewel de opdrachtwaarde bepalend is voor de impact van de kwaliteit, blijkt uit de analyse van M&I Argitek voldoende dat, uitgaande van het scenario van een inschrijver met maximale kwaliteit/aftrek en een totaalprijs van € 1.000.000,--, een inschrijver niet kansloos is en dat een lagere kwaliteit ook in dat geval kan worden gecompenseerd met een lagere prijs. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op tabel 4 in het rapport van M&I Argitek. Bovendien kan er niet aan voorbij worden gegaan dat [eiseres] in de dagvaarding ook uit is gegaan van de gecorrigeerde geraamde opdrachtwaarde die gelegen is tussen het bedrag van € 2.500.000,-- en € 3.000.000,--.

4.9.

Door de inschrijvingen te beoordelen op de prijs en kwaliteit (te onderscheiden in de subcriteria kwaliteit, communicatie en risicoplan) geeft de Provincie invulling aan haar plicht om te streven naar een zo goed mogelijke c.q. de beste prijs-kwaliteitverhouding en het creëren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde bij deze aanbesteding. Daarbij zij nog aangetekend dat het bij de maatschappelijke waarde van een aanbesteding met name en vooral gaat om de totale prijs-kwaliteitverhouding en niet zozeer om de (maximale) maatschappelijke waarde van ieder der aspecten of één van de aspecten.

4.10.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien waarom niet met het maximaal aantal voorgeschreven pagina’s een deugdelijk plan van aanpak ten aanzien van de diverse subcriteria op het aspect Kwaliteit is op te stellen, zodat het door [eiseres] in dit kader gestelde geen doel treft.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

4.12.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Provincie worden begroot op € 619,-- aan verschotten en € 816,-- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op € 1.435,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis met betrekking tot de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Zweers en in het openbaar uitgesproken op

30 september 2016.1

1 type: coll: