Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:368

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
ak_15_372
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ; proceskostenvergoeding; negen samenhangende zaken;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Bestuursrecht

Zittingsplaats Zwolle

Registratienummer: Awb 15/372


uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer in het geschil tussen

[eiser] ,

wonende te Diepenveen, eiser,
gemachtigde: A. Oosters,

en

de ambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen van de Regionale Belastingsamenwerking Deventer, Olst-Wijhe en Raalte, verweerder.

[jw.sys.1.proc_jaar]/[jw.sys.1.proc_vnr]

1 Ontstaan en loop van het geding

Ingevolge de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te Diepenveen vastgesteld bij beschikking van 28 februari 2014. Daarbij is de waarde vastgesteld op € 533.000,00 per waardepeildatum 1 januari 2013 voor het belastingjaar 2014. Tegelijk met deze beschikking heeft verweerder eiser voor het belastingjaar 2014 een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) opgelegd van € 713,69.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 januari 2015 heeft verweerder het tegen de beschikking gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de waarde verminderd tot € 498.000,00. Daarnaast heeft verweerder eiser een proceskostenvergoeding toegekend van € 323,00, later gecorrigeerd naar € 323,33.

Tegen deze uitspraak op bezwaar is beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 9 november 2015 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.H. Bouwmeester, E.G.J. Sibelt en C.I.I. de Witte.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2 Het geschil

Het geschil beperkt zich tot de hoogte van de aan eiser toegekende proceskostenvergoeding.

In dit kader heeft eiser aangevoerd dat er geen sprake is van samenhangende zaken, omdat er geen sprake is van gelijktijdige behandeling of werkzaamheden die in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Voor zover de rechtbank wel uitgaat van samenhangende zaken heeft verweerder voor de hoorzitting een onjuiste vergoeding toegekend, nu er slecht in vier van de negen zaken een hoorzitting heeft plaatsgevonden.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er voor de beoordeling van samenhangende zaken voldaan moet worden aan de eisen dat:

a. het bestuursorgaan de bezwaren gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandeld; en

b. dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg dezelfde werkzaamheden in ieder zaak kon verrichten.

In het verweerschrift heeft verweerder gewezen op het gehanteerde beleid met betrekking tot de beoordeling of sprake is van identieke of nagenoeg identieke werkzaamheden door de rechtsbijstandverlener en is tevens aangegeven op welke wijze de ontvangen bezwaarschriften van dezelfde rechtsbijstandverlener worden behandeld.

Voor een meer uitvoerige weergave van de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

3 Beoordeling van het geschil

Bij Besluit van 27 oktober 2014 (Stb. 2014, 411) is artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) gewijzigd. Dat artikellid luidt met ingang van

1 januari 2015 als volgt:

“Samenhangende zaken zijn: door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen, die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.”

Op grond van het overgangsrecht, dat is opgenomen in artikel II van het Besluit, heeft de wijziging onmiddellijke werking. Dat betekent dat zowel de proceskostenvergoeding in beroep als de kostenvergoeding in bezwaar in de zaak van eiser op basis van het gewijzigde artikel 3, tweede lid, van het Bpb moet worden vastgesteld.

In de nota van toelichting bij het Besluit van 27 oktober 2014 is onder meer opgenomen:

“In de praktijk komt het regelmatig voor dat verschillende zaken met eenzelfde rechtsbijstandverlener tegelijkertijd of volgtijdelijk worden behandeld op een zitting of hoorzitting. Daarbij wordt tijdens die (hoor)zitting in kort tijdsbestek een veelvoud van zaken behandeld die sterk op elkaar lijken. Een strikte toepassing van het Bpb kan dan onredelijk uitwerken. Dergelijke zittingen kunnen zelden worden aangemerkt als een samenhangende zaak in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Vaak is niet voldaan aan alle in die bepaling gestelde vereisten, namelijk dat de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn gemaakt onderscheidenlijk ingesteld en dat het nagenoeg identieke besluiten betreft, waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld. De Hoge Raad ziet in belastingzaken niet snel aanleiding om te spreken van nagenoeg identieke zaken, aangezien veelal per zaak afzonderlijk moet worden beoordeeld of aanslagen naar de juiste heffingsgrondslag zijn opgelegd (zie ook HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3090). Immers, bij veel aanslagen zullen de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener in niet onbetekenende mate de individuele omstandigheden betreffen.

Om die reden is het wenselijk te komen tot een verruiming van het begrip “samenhangende zaak” in artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Dit wordt bewerkstelligd door schrapping van de vereisten dat het moet gaan om nagenoeg identieke besluiten waartegen op vergelijkbare gronden bezwaar of gemaakt of beroep is ingesteld. Het vereiste dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn ingediend, wil sprake kunnen zijn van samenhangende zaken, is vervangen door het criterium dat de bezwaren of beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig moeten zijn behandeld. Zo is men voor de vraag of sprake is van samenhangende zaken niet afhankelijk van de rechtsbijstandverlener en de vraag of deze de bezwaren of beroepen al dan niet gelijktijdig indient. Leidend wordt de vraag of het bestuursorgaan onderscheidenlijk de bestuursrechter de bezwaren onderscheidenlijk beroepen gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt. Door deze verruiming van het tweede lid zal dus sneller sprake zijn van een samenhangende zaak waardoor het bestuursorgaan en de rechter vaker in situaties dat meerdere zaken gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig worden behandeld, en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak, voor de kosten de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken) in aanmerking zal nemen. Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandverlener niet langer voor ieder zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waarmee een onredelijk hoge vergoeding wordt ontvangen voor zijn werkzaamheden.”

In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3, tweede lid, van het Bpb is gesteld:

“Het nieuwe tweede lid van artikel 3 van het Bpb strekt ertoe dat de rechter en het bestuursorgaan bezwaren en beroepen waarbij rechtsbijstand is verleend door één of meer personen en die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elke individuele zaak nagenoeg identiek konden zijn en welke (nagenoeg) gelijktijdig zijn behandeld, moeten aanmerken als één zaak. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand moeten alsdan worden vastgesteld conform de in onderdeel C2 van de bijlage opgenomen wegingsfactoren voor samenhangende zaken.”

Naar aanleiding van de wijziging van artikel 3, tweede lid, van het Bpb, heeft verweerder per 1 januari 2015 de Beleidsregel proceskosten “Toepassing wegingsfactoren en taxatietarieven Wet waardering onroerende zaken 2015” (hierna: de Beleidsregel) vastgesteld.

In artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregel is bepaald dat zaken die ingevolge artikel 3, tweede lid, van het Bpb, als samenhangend worden aangemerkt beoordeeld worden op basis van de volgende categorieën

a. woningen op basis van de vergelijkingsmethodiek;

b. niet-woningen op basis van de huurwaardekapitalisatie methode;

c. agrarische niet-woningen; en

d. niet-woningen op basis van de gecorrigeerde vervangingswaarde.

In de toelichting bij deze Beleidsregel is aangegeven dat de vraag leidend is of het bestuursorgaan de bezwaren gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig behandelt en dezelfde rechtsbijstandverlener nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten in iedere zaak voor de kosten van de vergoeding voor één zaak (bij minder dan vier zaken) dan wel 1,5 zaak (bij vier of meer zaken). Dit heeft in zaken waarin een rechtsbijstandverlener (nagenoeg) identieke werkzaamheden verricht in diverse zaken tot gevolg dat de rechtsbijstandsverlener niet langer voor iedere zaak apart een kostenvergoeding ontvangt, waar een onredelijk hoge vergoeding word ontvangen voor zijn werkzaamheden. Voor de toekenning van de factor bij de samenhangende zaken wordt uitgegaan van omstandigheden waarbij wordt beoordeeld of binnen de betreffende categorie identieke of nagenoeg identieke argumenten worden aangevoerd.

De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk, maar merkt daarbij op dat daarvan in individuele gevallen wel afgeweken kan worden.

In de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder aangegeven dat er sprake is van negen samenhangende zaken, omdat het door één of meer belanghebbende gemaakte bezwaren betreffen, die door verweerder gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld en waarin de gemachtigde rechtsbijstand heeft verleend en de werkzaamheden voor deze negen zaken nagenoeg identiek zijn. Op grond van het Bpb is een wegingsfactor van 1,5 toegepast.

De proceskostenvergoeding is op grond van de vigerende regelgeving door verweerder als volgt bepaald:

- door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1/9 x 1,5 x € 243) € 40,50

- hoorzitting (1/9 x 1,5 x € 243) € 40,50

- opstellen van taxatierapport € 242,00

Totaal voor deze zaak € 323,00

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 7 januari 2015 negen uitspraken op bezwaar heeft afgegeven waarin dezelfde gemachtigde namens verschillende belanghebbenden is opgetreden. De bezwaren hadden betrekking op de waardering van onroerende zaken waarbij op basis van de vergelijkingsmethode de waarde is bepaald.

De rechtbank stelt eveneens vast dat de bezwaarschriften in de negen bezwaren gebaseerd zijn op het uitgebrachte taxatierapport, waarvoor separaat een vergoeding is verstrekt. Reeds op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van werkzaamheden die in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Zoals de rechtbank eerder in haar uitspraken van 3 juli 2015, onder andere ECLI:NL:RBOVE:2015:3207, heeft overwogen heeft de minister blijkens de toelichting het begrip ‘samenhangende zaken’ willen verruimen en ligt in het criterium ‘werkzaamheden die nagenoeg identiek konden zijn’ besloten dat de samenhang niet moet worden beoordeeld op basis van de concrete werkzaamheden die de rechtsbijstandverlener heeft verricht, maar dat een meer abstracte toets moet worden aangelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat op basis van overeenkomsten inzake de aard van de gewaardeerde objecten (in dit geval uitsluitend woningen) en de gehanteerde waarderingsmethode (in dit geval telkens de vergelijkingsmethode) moet worden beoordeeld of sprake is van werkzaamheden die nagenoeg identiek konden zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook overeenkomstig de per 1 januari 2015 geldende regeling sprake van negen samenhangende zaken en dienen de zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bpb als één zaak te worden aangemerkt.

Dat eiser er niet van op de hoogte is dat de gemachtigde voor een aantal andere belanghebbenden een soort gelijke procedure voert, maakt dit niet anders.

Verweerder heeft dan ook voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase in onderhavige zaak terecht een kostenvergoeding toegekend van € 40,50, uitgaande van 1/9 punt x wegingsfactor 1,5 x € 243,00 per punt. Uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat verweerder onderkend heeft dat het tarief per punt € 244,00 moet zijn en dat dit inmiddels gecorrigeerd is.

In de negen door verweerder als samenhangende zaken aangemerkte bezwaren is door verweerder slechts in vier zaken een hoorzitting gehouden. Het komt de rechtbank dan ook onredelijk voor om voor het bijwonen van de hoorzitting een 1/9 punt toe te kennen.

De rechtbank is van oordeel dat voor het bijwonen van de hoorzitting 1/4 punt moet worden toegekend, in het onderhavige geval € 92,25 (1 punt voor de hoorzitting x € 246,00 per punt x wegingsfactor 1,5 : 4).

Het beroep is in zoverre gegrond. De uitspraak op bezwaar dient in zoverre te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door de proceskostenvergoeding in bezwaar, met inachtneming van het voorgaande vast te stellen op € 382,25 (1/9 punt bezwaarschrift + 1/4 punt voor de hoorzitting x wegingsfactor 1,5 x

€ 246,00 per punt = € 133,25 + € 242,00 voor het taxatierapport + € 7,00 kadasterkosten).

4 Proceskosten

De rechtbank acht termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling in de beroepskosten. Ter zitting is door de gemachtigde van eiseres aangegeven dat in de elf ter zitting van 9 november 2015 behandelde beroepszaken, met betrekking tot de hoogte van de door verweerder toegekende proceskostenvergoedingen in bezwaar, wel sprake is van samenhang. Nu van deze elf zaken het beroep in vijf zaken gegrond is verklaard worden de proceskosten voor het beroep berekend op € 297,60 (1 punt beroepschrift + 1 punt voor de zitting x 1,5 (meer dan vier zaken) x € 496,00 : 5).

5 Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, voorzover deze betrekking heeft op de hoogte van de toegekende proceskosten in bezwaar;

- stelt de proceskosten voor de bezwaarfase vast op € 382,25;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigd deel van de uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het beroep, tot op heden begroot op € 297,60;

- gelast dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 45,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, rechter, in aanwezigheid van Y. van der Zaan-van Arnhem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

Afschrift verzonden op: