Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3422

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
190481 / KG RK 16-625 (ib)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking. De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 190481 / KG RK 16-625 (ib)

Beslissing van 24 augustus 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Op 18 augustus 2016 heeft verzoeker een verzoek tot wraking gedaan van
mr. W.M.B. Elferink, rechter in deze rechtbank en in zijn hoedanigheid van kinderrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/08/189804 / JE RK 16/1352. Het verzoek is opgenomen in het proces-verbaal van deze terechtzitting.

1.2.

Bij schrijven van 18 augustus 2016 heeft mr. Elferink medegedeeld niet in de wraking te berusten.

1.3.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 22 augustus 2016 ter terechtzitting behandeld. Bij de mondelinge behandeling op 22 augustus 2016 is verzoeker verschenen. Mr. Elferink is niet verschenen.

1.4.

Tijdens de voornoemde mondelinge behandeling heeft verzoeker - onder meer - de wraking van de leden van de wrakingskamer verzocht. Bij beslissing van 23 augustus 2016 is dit verzoek tot wraking afgewezen. Tevens is bepaald dat een volgend verzoek tot wraking van leden van de wrakingskamer in deze zaak niet in behandeling wordt genomen. Deze beslissing is geregistreerd onder 08/190547 / KG RK 16-627.

1.5.

Bij e-mailbericht van 23 augustus 2016 heeft de griffie van de rechtbank verzoeker - onder meer - meegedeeld dat de behandeling van het onderhavige wrakingsverzoek opnieuw is gepland, thans op 24 augustus 2016 om 10.00 uur en is verzoeker opgeroepen hierbij te verschijnen teneinde te worden gehoord.

1.6.

Bij e-mailbericht van dinsdag 23 augustus 2016 heeft verzoeker de griffie van de rechtbank meegedeeld dat hij op twee locaties heeft aangegeven dat hij op 24 augustus 2016 geen mogelijkheid heeft om te verschijnen in verband met een al eerder gepland uitje.

1.7.

Bij e-mailbericht van woensdag 24 augustus 2016 heeft de griffie van de rechtbank verzoeker medegedeeld dat de zitting niet verplaatst zal worden en is verzoeker opgeroepen om om 10.00 uur te verschijnen teneinde te worden gehoord.

1.8.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek van 18 augustus 2016 is voortgezet op 24 augustus 2016. Verzoeker is niet verschenen. Mr. Elferink is niet verschenen.

2 De beoordeling

2.1.

Allereerst overweegt de wrakingskamer dat in het e-mailbericht van verzoeker van 23 augustus 2016 geen aanleiding is gezien om de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek niet op 24 augustus 2016 voort te zetten. De griffie van de rechtbank heeft verzoeker dit ook medegedeeld. In de onderliggende zaak is sprake van een aanzienlijke tijdsdruk doordat de OTS-maatregel op 26 augustus 2016 zal aflopen. Dit maakt dat het wrakingsverzoek voortvarend dient te worden behandeld, hetgeen ook de wet voorschrijft. Die voortvarende behandeling maakt dat degene die wraakt er rekening mee moet houden dat op korte termijn een zitting gepland zal worden en dus bereid moet zijn om zijn agenda en prioritering aan te passen.

2.2.

Blijkens het proces-verbaal van de behandeling van de zitting met gesloten deuren op 18 augustus 2016 heeft verzoeker medegedeeld dat hij mr. Elferink wraakt. In het

proces-verbaal is - voor zover hier relevant - het volgende vastgelegd:

“ De vader:

Ik ben geagiteerd, omdat ik hier door de leugens van JBO vandaag moet komen. Ik wil graag dat de zaak wordt aangehouden, omdat ik niet alle stukken heb gekregen. Ik heb JBO verzocht om de stukken van de afgelopen tien jaren.

De kinderrechter:

De stukken die u bij het verzoekschrift heeft ontvangen, zijn de stukken op grond waarvan ik het moet doen.”

De vader:

“Ik wraak u op grond van artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is geen sprake van een eerlijk proces.”

2.3.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

2.4.

Naar het oordeel van de wrakingskamer mag van de verzoeker tot wraking worden verwacht dat hij in het verzoek motiveert waarom hij meent dat de behandelend rechter vooringenomen is of hem, verzoeker, een eerlijk proces onthoudt. Verzoeker heeft evenwel op geen enkele wijze geconcretiseerd waarom hij meent dat mr. Elferink vooringenomen is of anderszins niet onpartijdig is.

2.5.

Voor zover verzoeker het vermeende gebrek aan onpartijdigheid zou willen baseren op de wijze waarop mr. Elferink heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker om de zaak aan te houden, omdat hij, verzoeker, niet alle stukken heeft gekregen, overweegt de wrakingskamer dat de rechter de regie voert op de zitting en bepaalt of er aanleiding is om de zaak aan te houden wegens het ontbreken van stukken. Het gaat hier om een procesbeslissing. Daarbij dient in ogenschouw te worden genomen dat tijdens de voortgang van de behandeling van de zaak en zelfs nadien, indien blijkt van de noodzaak van het opvragen van ontbrekende stukken, hiertoe alsnog kan worden besloten. Het gegeven dat verzoeker JBO heeft verzocht om de stukken van de afgelopen tien jaren en dat verzoeker deze, naar de wrakingskamer begrijpt uit de stellingen van verzoeker, kennelijk niet heeft mogen ontvangen van JBO, is, wat hier verder ook van zij, geen reden om mr. Elferink partijdigheid te verwijten. Verzoeker heeft ook niet duidelijk gemaakt dat het ontbreken van deze stukken moet leiden tot de gevolgtrekking dat mr. Elferink het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing niet onpartijdig zal beoordelen.

2.6.

Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat het van het van de zitting van
mr. Elferink opgemaakte proces-verbaal onjuistheden bevat, is de wrakingskamer van oordeel dat dit niet kan leiden tot toewijzing van het wrakingsverzoek, nu de wraking niet is gegrond op onjuistheden in het proces-verbaal.

2.7.

Het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.

2.8.

Zoals hiervoor is overwogen is in de onderliggende zaak sprake van een aanzienlijke tijdsdruk doordat de OTS-maatregel, over de verlenging waarvan mr. Elferink heeft te oordelen, op 26 augustus 2016 zal aflopen. Het verlengingsverzoek is met het oog op de afloopdatum tijdig ter terechtzitting behandeld op 18 augustus 2016. Het eerste wrakingsverzoek is behandeld op 22 augustus 2016, waarna opnieuw een wrakingsverzoek is gevolgd. Het wrakingsverzoek van 22 augustus 2016 is afgewezen. Hierboven is geconcludeerd dat in het wrakingsverzoek van 18 augustus 2016 geen feiten of omstandigheden zijn gesteld, waaruit in redelijkheid kan worden afgeleid dat sprake is van partijdigheid of van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Bij deze stand van zaken moet worden geconcludeerd dat verzoeker het middel van wraking gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven en met name gebruikt om de voortgang in de procedure te frustreren. Dat is misbruik. De wrakingskamer zal daarom op de voet van artikel 39 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.

3 De beslissing

De wrakingskamer

3.1.

wijst het verzoek tot wraking af,

3.2.

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. A.E. Zweers, G. van Eerden en G. G. Vermeulen in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A.M. Booijink en in openbaar uitgesproken op
24 augustus 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.