Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3399

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
08-09-2016
Zaaknummer
08/181740 / KG ZA 16-30
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst. Afgifte bedrijfsadministratie: eiseres verlangt vergaande rekening en verantwoording m.b.t. de financiële positie in het verleden en heden. Staat niet in redelijke verhouding tot het beoogde doel in dezen. Artikel 475g Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: 08/181740 / KG ZA 16-30

Vonnis in kort geding van 26 augustus 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. M.J.H. Mühlstaff te Deventer, procederend onder toevoeging (geregistreerd onder kenmerk 2FB4914, afgegeven op 22 juni 2015),

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagden,

advocaat mr. S.J. Nijhof te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 februari 2016, inclusief producties (5)

  • -

    het herstelexploot van 19 februari 2016

  • -

    de akte overlegging producties van [eiseres] , inclusief productie (1)

  • -

    de mondelinge behandeling van 10 mei 2016

  • -

    de pleitnota van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , inclusief producties (5)

  • -

    de aanhouding ten behoeve van minnelijk overleg

  • -

    de berichten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en [eiseres] van respectievelijk 6 juni 2016 en 16 juni 2016 met het verzoek vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [gedaagde 1] zijn ex-partners en hebben samengeleefd als ware zij gehuwd van 1985 tot 2006. Tussen [eiseres] en [gedaagde 1] zijn verschillende gerechtelijke procedures gevoerd, onder meer over het te verdelen vermogen van partijen.

2.2.

Bij arrest van 7 juni 2011 heeft het gerechtshof Arnhem (zaaknummer 90319/HAZA 07-1196) [gedaagde 1] veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 118.096,88, te verminderen met de eventuele aflossingen die [gedaagde 1] na april 2010 nog heeft gedaan en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 december 2007 over het bedrag van
€ 234.275,00, steeds te verminderen met de door [gedaagde 1] alsdan reeds gedane aflossingen.

2.3.

Op 14 juli 2011 hebben [eiseres] enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze vaststellingsovereenkomst is door rechtbank Zutphen (zaaknummer 120529 / HA ZA 11-252) in een proces-verbaal vastgelegd. Hierin is – voor zover hier van belang – opgenomen:

  1. Partij [gedaagde 1] betaalt binnen 14 dagen na heden een bedrag van € 10.000,00 aan partij [eiseres] door overboeking van dit bedrag (…).

  2. Partij [gedaagde 1] betaalt vervolgens het bedrag van € 130.000,00 in 48 maandelijkse termijnen van € 2.708,33 ingaande 1 september 2011. Betaling geschiedt elke maand vóór de 15e onder vermelding van aflossing.

  3. Vervroegde aflossing is toegestaan.

  4. Partij [gedaagde 2] verleent een pandrecht op de door haar gehouden aandelen in [X] B.V. [eiseres] en [gedaagde 1] dragen daarbij ieder de helft van de notariskosten.

  5. Partij [gedaagde 1] verleent bij deze een recht van pand aan partij [eiseres] op de inventaris van de drie restaurants aan partijen welbekend.

  6. Partijen zien af van het beroep in cassatie tegen het arrest van het Hof van 7 juni 2011.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert om in het onderhavige kort geding:

I. [gedaagde 1] te veroordelen zijn complete administratie, inclusief alle bankafschriften van alle bankrekeningen over 2011 tot en met 2015 aan [eiseres] te overleggen binnen zeven dagen na dit vonnis, op straffe van lijfsdwang, waarbij [gedaagde 1] steeds voor een periode van zeven dagen wordt opgesloten en vervolgens vijf dagen de gelegenheid te krijgt aan het vonnis te voldoen en daarna weer 21 dagen wordt opgesloten etc. tot aan het veroordelend vonnis volledig is voldaan

II. [gedaagde 2] te veroordelen om binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis het pandrecht op de door haar gehouden aandelen in [X] B.V. aan [eiseres] te verlenen en alles te doen wat daarvoor nodig is, op kosten van [gedaagde 2] , bij gebreke waarvan zij een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel verschuldigd is zolang zij daaraan niet voldoet tot een maximum van € 50.000,00

III. [gedaagde 1] te veroordelen binnen zeven dagen na dit vonnis het pandrecht op de inventaris van de drie restaurants, bij partijen genoegzaam bekend, aan [eiseres] te verlenen en alles te doen wat daarvoor nodig is, bij gebreke waarvan [gedaagde 1] :

a. Primair: steeds voor een periode van zeven dagen wordt opgesloten en vervolgens vijf dagen de gelegenheid krijgt hieraan te voldoen en dan weer veertien dagen wordt opgesloten om vervolgens vijf dagen de gelegenheid te krijgen aan het vonnis te voldoen en daarna weer 21 dagen wordt opgesloten etc. tot aan het veroordelend vonnis volledig is voldaan

b. Subsidiair: een dwangsom van € 500,00 per dag of dagdeel verschuldigd is zolang hij daarna niet voldoet tot een maximum van € 150.000,00

IV. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van wettelijke rente over het bedrag van € 130.000,00 vanaf het opeisbaar worden van de vordering, tot aan de dag der algehele voldoening

V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om een voorschot op de schade te voldoen van
€ 4.000,00 vanwege nalatigheid in de uitvoering van de tijdens de comparitie van 14 juli 2011 gemaakte afspraken

VI. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee dagen na dit vonnis aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 1.000,00 (gemodereerd) aan buitengerechtelijke incassokosten

VII. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.1.1.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke zijn gebleven om (volledig) te voldoen aan hetgeen waartoe zij bij arrest van 7 juni 2011 zijn veroordeeld alsmede hetgeen in het proces-verbaal van 14 juli 2011 is vastgelegd.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betogen dat het gevorderde moet worden afgewezen, en voeren daartoe het volgende aan. [eiseres] heeft geen dan wel onvoldoende spoedeisend belang bij de door haar verzochte voorzieningen. Hetgeen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] moeten voldoen betreft niet een uitkering tot levensonderhoud, maar een vordering ten aanzien van een verdeling. Van belang is ook dat [eiseres] niet eerder stappen heeft ondernomen.

[eiseres] heeft ook geen belang bij haar vordering tot het overleggen van stukken, nu [gedaagde 1] reeds op grond van artikel 475g van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gehouden is om desgevraagd de bronnen van inkomsten op te geven. Bovendien is het hetgeen [eiseres] met het gevorderde voorstaat in strijd met het wettelijk stelsel; het is niet te verenigen met de beperkte kring van personen die van een schuldenaar rekening en verantwoording kunnen vergen. [eiseres] behoort niet tot deze kring van personen. Daar komt nog bij dat door [eiseres] niet eerder is verzocht opgave te doen overeenkomstig artikel 475g Rv; [eiseres] heeft niet alle tot haar beschikking staande dwangmiddelen aangewend. Daarom bestaat er geen reden [gedaagde 1] thans te veroordelen tot het verstrekken van de gevraagde inlichtingen, laat staan de gevorderde lijfsdwang toe te wijzen. Indien hieraan voorbijgegaan wordt, dient te worden opgemerkt dat een vonnis of beschikking slechts uitvoerbaar bij lijfsdwang wordt verklaard indien aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden en het belang van de schuldeiser toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. Lijfsdwang wordt niet uitgesproken indien de schuldenaar buiten staat is aan de hoofdverplichting te voldoen en dit geldt ook voor [gedaagde 1] .

Ten aanzien van het verzochte pandrecht (op de aandelen en op de inventaris) kunnen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet aan het gevorderde voldoen. De door [gedaagde 2] gehouden aandelen in [X] B.V. zijn overgedragen aan [gedaagde 1] en vertegenwoordigen geen enkele waarde, waardoor [eiseres] ook geen belang heeft bij haar vordering. De inventaris is verkocht.

Voorts kan een voorschot op haar schade niet worden toegewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is geworden waaruit de schade bestaat en wat de omvang daarvan is.

Omdat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen, geldt dit ook voor de gevraagde proceskostenveroordeling.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het arrest van het gerechtshof Arnhem en de vaststellingsovereenkomst tussen partijen dateren van medio 2011 en hieraan is vijf jaar later nog steeds niet (volledig) voldaan. [eiseres] heeft er op gewezen dat [gedaagde 1] wel in staat is (geweest) langere tijd in het buitenland te verblijven en dat zij een uitkering ontvangt. [eiseres] heeft hiermee in zoverre voldoende onderbouwd een spoedeisend belang te hebben om te achterhalen of verhaal mogelijk is.

4.2.

Het gevorderde, hiervoor weergegeven onder I., is gegrond op het bepaalde in artikel 475g Rv, teneinde verhaalsmogelijkheden te vinden om het arrest en hetgeen in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen te kunnen executeren. Hierover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.3.

Op grond van artikel 475g Rv is een schuldenaar verplicht aan een deurwaarder die gerechtigd is tegen hem executoriaal beslag te leggen, desgevraagd zijn bronnen van inkomsten op te geven. In beginsel is een schuldenaar verplicht een schuldeiser die een veroordeling tot betaling van een geldsom jegens hem verkreeg, inlichtingen omtrent zijn inkomens- en vermogenspositie en voor verhaal vatbare goederen te verschaffen. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 20 september 1991 (NJ 1992, 552, Tripels/Masson), waarbij ook de afgifte van een groot deel van de financiële administratie werd gevorderd. Volgens de Hoge Raad kan een dergelijke verstrekkende vordering niet onder de reikwijdte van artikel 475g Rv worden gebracht, omdat het recht om een dergelijk vergaande aflegging van rekening en verantwoording dan wel overlegging van de boekhouding te verlangen, is voorbehouden aan de curator nadat de schuldenaar in staat van faillissement is geraakt en dan plaatsvindt ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers, onder toezicht van de rechter-commissaris. De Hoge Raad acht het overlaten hiervan aan de curator ook wenselijk met het oog op de vraag of het afdwingen van die afgifte in redelijke verhouding staat tot het beoogde doel. Volgens de Hoge Raad strookt het niet met het wettelijk stelsel aan deze verplichting een praktische uitwerking te geven die in feite neerkomt op de eis dat de schuldenaar vergaande rekening en verantwoording aflegt met betrekking tot zijn financiële positie in het verleden en heden, omdat dit niet te verenigen is met de beperkte kring van personen die van een schuldenaar rekening en verantwoording, onderscheidenlijk overleggen van de boekhouding kunnen vergen.

4.4.

Hetgeen door [eiseres] wordt gevorderd, ziet op een situatie als door de Hoge Raad beoordeeld. [eiseres] verlangt vergaande rekening en verantwoording met betrekking tot de financiële positie in het verleden en heden. Naar voorshands oordeel staat dit niet in redelijke verhouding tot het beoogde doel in dezen. De uitleg van de Hoge Raad in aanmerking nemende, valt het gevorderde dan ook niet binnen de reikwijdte van artikel 475g Rv, nu aldus meer informatie zou worden verkregen dan enkel nodig is voor het vinden van verhaalsmogelijkheden. Om deze reden wordt het gevorderde, zoals weergegeven onder I., afgewezen.

4.5.

Ten aanzien van de vordering zoals weergegeven onder II. overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn de door [gedaagde 2] gehouden aandelen in [X] B.V. aan [gedaagde 1] overgedragen. Nu [eiseres] dit verweer onweersproken heeft gelaten, wordt ervan uitgegaan dat [gedaagde 2] geen houder meer is van de betreffende aandelen en dus ook niet langer beschikkingsbevoegd is dienaangaande. De door [eiseres] gevorderde verlening van een pandrecht op deze aandelen ligt bij gevolg voor afwijzing gereed. Overigens moet ervan worden uitgaan dat [eiseres] ter zake geen belang heeft, nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onweersproken hebben aangevoerd dat deze geen enkele waarde meer vertegenwoordigen.

4.6.

Wat betreft het gevorderde onder III. wordt het volgende overwogen. De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat [gedaagde 1] geen eigenaar meer is van de inventaris van de betreffende restaurants en dat hij dus ook niet langer beschikkingsbevoegd is. [gedaagde 1] heeft immers onweersproken aangevoerd dat de restaurants en bijbehorende inventaris in 2011 zijn verkocht. De door [eiseres] gevorderde verlening van een pandrecht op de inventaris van de restaurants zal daarom eveneens worden afgewezen.

4.7.

De onder IV. gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 130.000,00 komt als niet weersproken en op de wet gegrond voor toewijzing in aanmerking.

4.8.

Ten aanzien van het onder V. gevorderde voorschot van € 4.000,00 op de door [eiseres] geleden schade wordt het volgende overwogen.

4.9.

Voor de vraag of in kort geding plaats is voor toewijzing van de vordering tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding, aldus zijnde een geldvordering, moet volgens vaste jurisprudentie worden bezien of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is en of sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl ook het restitutierisico in de afweging van de belangen van partijen moet worden betrokken. Die voldoende aannemelijkheid houdt in dat de stellingen die aan de vordering ten grondslag worden gelegd zonder nadere bewijslevering in voldoende mate zeker zijn en dat daardoor het voor een voorlopige voorziening noodzakelijke vooruitzicht bestaat op een voor de eisende partij positieve uitkomst van een bodemprocedure.

4.10.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betogen dat bedoeld onverwijld spoedeisend belang ontbreekt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is een en ander – indachtig de criteria als voormeld in rechtsoverweging 4.9. – door [eiseres] hoe dan ook onvoldoende concreet onderbouwd. De slotsom is dat ook deze vordering strandt.

4.11.

[eiseres] heeft de gevorderde betaling van buitengerechtelijke incassokosten van
€ 1.000,00 niet nader onderbouwd, terwijl dit gelet op de betwisting van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van die vordering wel op haar weg lag. Deze vordering zal eveneens als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd worden afgewezen.

4.12.

Vanwege de relatie tussen partijen worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] tegen bewijs van kwijting aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente over een bedrag van € 130.000,00 vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

5.2.

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de veroordeling onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Hidma en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2016.1(MvH)

1 type: coll: