Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3220

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
25-07-2016
Datum publicatie
19-08-2016
Zaaknummer
C/08/183366 / FA RK 16-522
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de gemeente in de kosten van de procedure, nu zij op alle punten als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/183366 / FA RK 16-522

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 25 juli 2016

in de zaak van:

GEMEENTE ALMELO,

verder te noemen: de gemeente,

zetelend te Almelo,

verzoekster,

gemachtigde: de heer T. te Plate,

en

[verweerder] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

advocaat: mr. L. van Straten.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

  • -

    het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 1 maart 2016;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, binnengekomen op 26 april 2016;

  • -

    een op 27 juni 2016 binnengekomen brief van mr. Van Straten van 24 juni 2016 met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 6 juli 2016. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

De man is gehuwd geweest met [A] , verder de vrouw te noemen. Uit dit huwelijk zijn de navolgende minderjarige kinderen geboren:
- [B], te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] , en
- [C], te [geboorteplaats] op [geboortedatum 2] .

2.2.

De man en de vrouw hebben de gevolgen van hun uiteengaan geregeld en neergelegd in de door hun op 5 februari 2014 ondertekende vaststellingsovereenkomst, tevens houdende een ouderschapsplan. In voormelde vaststellingovereenkomst zijn de man en de vrouw in artikel 2.1 onder het kopje ‘Kinderen’ als volgt overeengekomen:
“Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren, namelijk [B] op [geboortedatum 1] en [C]
op [geboortedatum 2] . Beide kinderen zijn geboren in de gemeente [geboorteplaats] . Ten behoeve van de
kinderen is een ouderschapsplan opgesteld dat achter deze overeenkomst in dit rapport is opgenomen. In
overleg met de kinderen is besloten, dat [B] ingeschreven zal staan op het adres van de vader en
[C] op het adres van moeder. Conform de daarover gemaakte afspraken zullen de kinderen de
meeste tijd bij de vader doorbrengen. Daarom is overeengekomen dat vader de kosten van de kinderen
voor zijn rekening neemt, met uitzondering van de consumptieve kosten tijdens het verblijf bij moeder.

De kinderbijslag valt toe aan de moeder.”

2.3.

In het ouderschapsplan zijn partijen in artikel 2 en 10 als volgt overeengekomen:
Hoofdverblijfplaats/verhuizing
[C] heeft het hoofdverblijf bij de moeder en [B] heeft het hoofdverblijfplaats bij de vader. De
kinderen zullen op de desbetreffende adressen in het bevolkingsregister van de gemeente ingeschreven
staan. In overleg met de kinderen is de volgende regeling afgesproken: [B] is door de week bij de
vader en elke twee weken een weekend bij moeder. [C] is twee weken bij vader en dan vervolgens een
week bij moeder. Aan de vrouw komt het recht toe om de kinderbijslag te innen. Bij inning van de
kinderbijslag door de man zal deze dit bedrag onverwijld doorstorten naar de vrouw.”

(…)
Kinderalimentatie
Nu de kinderen grotendeels bij de vader wonen, zal deze de kosten van de kinderen voor zijn rekening
nemen, met uitzondering van de kosten, gemoeid met het verblijf bij de moeder.”

2.4.

De gemeente verstrekt sinds 17 mei 2013 een bijstandsuitkering aan de vrouw ter voorziening in de noodzakelijke kosten van bestaan, mede ten behoeve van de minderjarige.

2.5.

Om te berekenen of de man een verhaalsbijdrage kan leveren, heeft de gemeente de man op 8 mei 2014 aangeschreven om inlichtingen te verstrekken omtrent zijn inkomsten en uitgaven.

2.6.

Bij verhaalsbesluit van 15 oktober 2015 heeft de gemeente de verhaalsbijdrage met ingang van 15 april 2015 vastgesteld op € 406,17 per maand.

2.7.

Bij besluit van de gemeente van 15 oktober 2015 is besloten tot verhaal in rechte over te gaan.

3 Het verzoek

De gemeente verzoekt de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de door man te betalen verhaalsbijdrage ten behoeve van de vrouw en de minderjarige met ingang van 1 september 2015 vast te stellen op € 406,17 per maand, zolang de bijstandsverlening voortduurt.

4 Het verweer

De man verzoekt de rechtbank het verzoek af te wijzen en de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5 De beoordeling

De behoefte

5.1.

In geschil is de behoefte van [B] en [C] .

Ten aanzien van [B]

5.2.

Wat betreft [B] is niet in geschil dat voor de vaststelling van haar behoefte aansluiting gevonden kan worden bij de WSF-norm voor levensonderhoud van in totaal € 589,81 per maand. Evenmin staat ter discussie dat hierop in mindering dient te strekken de door [B] te ontvangen basisbeurs van € 81,81 per maand en de premie zorgtoeslag van € 83,- per maand. De gemeente stelt dat rekening dient te worden gehouden met de aanspraak aanvullende beurs van € 143,86 per maand. De man betwist dat. Anders dan de gemeente ziet de rechtbank geen reden om bij de berekening van de behoefte van [B] rekening te houden met voormelde aanvullende beurs, nu de gemeente, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [B] op een dergelijke aanvullende beurs aanspraak kan maken. Dit geldt temeer nu uit het door de man bij brief van mr. Van Straten van 24 juni 2016 overgelegde bericht studiefinanciering 2016, nr 1, van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van 7 december 2015, ook volgt dat [B] geen aanvullende beurs ontvangt. De behoeftigheid van [B] aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie stelt de rechtbank daarom in redelijkheid op € 425,- per maand.

Ten aanzien van [C]

5.3.

De rechtbank hanteert voor de vaststelling van de behoefte van [C] de tabel "Eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen" die behoort bij het rapport Alimentatienormen van de Expertgroep Alimentatienormen. Uitgangspunt voor de bepaling van de behoefte van een kind is de aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen om uit te gaan van het gezinsinkomen van de ouders ten tijde van de samenleving dan wel het latere inkomen van de onderhoudsplichtige ouder als dat nadien hoger is dan dat gezinsinkomen.

5.4.

De man en de gemeente zijn het erover eens dat voor de vaststelling van de behoefte van [C] uitgegaan dient te worden van het inkomen zoals dat door de mediator is gehanteerd, zodat de rechtbank daar eveneens aansluiting bij zoek. Uit de door de man als productie 3, bijlage 2, bij het verweerschrift overgelegde berekening van de mediator volgt dat het besteedbaar inkomen van de man en de vrouw bij hun uiteengaan € 2.890,75 netto per maand bedroeg.

5.5.

Op basis van de tabel 2014, voormeld netto gezinsinkomen en uitgaande van de tabel voor 2 kinderen, berekent de rechtbank de behoefte van [C] aan een bijdrage van zijn ouders op € 321,- per maand. De door de man vermelde behoefte van € 315,- per maand overstijgt de behoefte van [C] daarom niet. Bij de vaststelling van de draagkracht van de man houdt de rechtbank daarom rekening met een behoefte van € 315,- per maand, nu de man zelf ook niet uitgaat van een hoger bedrag.

5.6.

Uit de door de gemeente bij verzoekschrift als bijlage 3 overgelegde ‘Berekening kinderalimentatie’ begrijpt de rechtbank dat de gemeente op voormeld aandeel van de man in de kosten van [C] een zorgkorting van € 45,38 per maand in mindering brengt. De rechtbank kan de gemeente hierin niet volgen. Vast staat immers dat de kinderen grotendeels bij de man verblijven en dat hij alle kosten van die kinderen draagt. Toepassing van een zorgkorting is dan ook niet aan de orde.

De draagkracht van de man

5.7.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw uit van de navolgende gegevens.

5.8.

De man vormt met de kinderen een gezin. Blijkens de jaaropgaaf 2015 bedroeg het belastbare loon van de man in dat jaar € 47.705,-. Zijn huidige inkomen bedraagt blijkens de salarisspecificaties over de maanden januari tot en met maart 2016 € 3.590,- bruto per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag. Daarnaast ontvangt hij een eindejaarsuitkering van € 215,40 bruto per maand en heeft hij een recht levensloop van € 53,85 bruto per maand.

5.9.

Bij de berekening van het besteedbaar inkomen van de man houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremie, de premie AOP, het eigenwoningforfait van € 1.575,- per jaar, de aftrekbare hypotheekrente van € 8.556,96 per jaar, de verschuldigde premieheffing en de inkomstenbelasting. De man heeft recht op de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

5.10.

Op grond van voormelde gegevens becijfert de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man op € 3.027,- per maand.

5.11.

Bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw houdt de rechtbank rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

5.12.

Voorts houdt de rechtbank rekening met de navolgende, door de gemeente niet weersproken, lasten (alles op maandbasis):

  • -

    de hypotheekrente ad € 713,08, te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen gemiddelde basishuur ad € 229,-;

  • -

    de premie levensverzekering gekoppeld aan de hypotheek ad € 40,12 en € 71,95;

  • -

    de duurzaamheidslening ad € 42,67;

  • -

    het forfait overige eigenaarslasten ad € 95,-;

  • -

    de premie Zorgverzekeringswet (inclusief aanvullende verzekering) ad € 110,70,
    te verminderen met de in de bijstandsnorm begrepen nominale premie ZVW ad € 39,-;

  • -

    het verplicht eigen risico ad € 32,-.

5.13.

Door de gemeente is niet weersproken dat [B] en [C] grotendeels bij de man wonen en dat de man alle kosten van de kinderen voor zijn rekening neemt, met uitzondering van de kosten van de kinderen gemoeid met het verblijf bij de vrouw. Bij de vaststelling van de draagkracht van de man dient daarom rekening te worden gehouden met de hiervoor overwogen kosten van de kinderen. Anders dan de gemeente is de rechtbank van oordeel dat deze kosten niet dienen te worden meegenomen bij de vorming van het draagkrachtloos inkomen, maar dat deze kosten in mindering dienen te worden gebracht op de draagkracht van de man. Zoals in het rapport Alimentatienormen uitvoerig is weergegeven dienen immers alle onderhoudsverplichtingen bestreden te worden uit de draagkracht. Het verweer van de gemeente dat de kosten alleen dan op de draagkracht in mindering dienen te strekken wanneer naast een bijdrage voor de partner eveneens om een bijdrage voor de kinderen wordt verzocht, snijdt haar het oordeel van de rechtbank geen hout. Dat de kinderen grotendeels in het gezin van de man verblijven maakt niet dat daardoor zijn onderhoudsverplichting jegens deze kinderen anders zou moeten worden behandeld.

5.14.

Aldus gerekend resteert aan de zijde van de man geen draagkracht om een bijdrage te leveren in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank zal daarom het verzoek van de gemeente tot vaststelling van een verhaalsbijdrage afwijzen.

De proceskosten

5.15.

De man heeft ter mondelinge behandeling volhard bij zijn verzoek om de gemeente te veroordelen in de proceskosten. De gemeente heeft verzocht dit verzoek af te wijzen.

5.16.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gebracht volgt dat de discussie tussen partijen met name ziet op het verschil van inzicht over het antwoord op de vraag of [B] al dan niet aanspraak kan maken op een aanvullende beurs en op welke wijze de kosten van de kinderen in de berekening van de draagkracht van de man dienen te worden betrokken. Zoals hiervoor is overwogen heeft de rechtbank, met een verwijzing naar het rapport Alimentatienormen en naar het standpunt van DUO over het recht op een aanvullende studiebeurs, op beide punten conform het door de man in zijn discussie met de gemeente naar voren gebrachte standpunt beslist. De rechtbank ziet daarom reden om de gemeente te veroordelen in de kosten van het geding, nu zij in de onderhavige procedure op alle punten als de in het ongelijk gestelde partij dient te worden aangemerkt. Omdat de man een onderbouwing van zijn kosten achterwege heeft gelaten, bepaald de rechtbank deze kosten in redelijkheid op € 288,- ter zake van de door de man verschuldigde griffierechten en op € 944,00 voor gemaakte advocaatkosten (1 punt voor het verweerschrift en 1 punt voor de zitting ad € 472,- per punt). De rechtbank zal beslissen als na te melden.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. wijst af het verzoek van de gemeente tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen verhaalsbijdrage;

II. veroordeelt de gemeente in de kosten van deze procedure aan de zijde van de man tot op heden begroot op € 288,- aan griffierechten en een bedrag van € 944,- aan kosten van de advocaat.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. T.M. Blankestijn en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2016 in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier.