Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3219

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-07-2016
Datum publicatie
19-08-2016
Zaaknummer
C/08/181942 / ES RK 16-339
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank past op de verdeling huwelijksgemeenschap tot 14.6.2004 Turks recht toe en vanaf die datum Nederlands recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/181942 / ES RK 16-339

beschikking van de enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 11 juli 2016

inzake

[verzoekster] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster,

advocaat mr. U. Yildirim, kantoorhoudende te Zwolle,

en

[belanghebbende] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats] ,

belanghebbende.--

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 29 januari 2016;

- nadere stukken van de vrouw, binnengekomen op 24 februari 2016 en 23 maart 2016;

- het exploot van de betekening van 29 april 2016;

- een op 9 juni 2016 binnengekomen brief met bijlagen van mr. Yildirim van 9 juni 2016, waaronder een referteverklaring van de man, geautoriseerd door

mr. M.D. Withaar; alsmede

- een op 15 juni 2016 binnengekomen brief met originele bijlagen van mr. Yildirim van 14 juni 2016.

1.2.

De minderjarige [A] heeft op 7 juni 2016 een gesprek met de kinderrechter gehad.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] te [B] met elkaar gehuwd.

2.2.

Partijen hebben de Nederlandse en de Turkse nationaliteit. De vrouw woont vanaf 19 september 1979 in Nederland en heeft sinds 28 oktober 1997 de Nederlandse nationaliteit. De man is vanaf 14 oktober 1999 woonachtig in Nederland en heeft sinds 14 juni 2004 de Nederlandse nationaliteit. Na het huwelijk woonden partijen vanaf

14 oktober 1999, toen de man zich in Nederland vestigde, samen in Nederland.

2.3.

Partijen zijn ouders van de navolgende minderjarige kinderen:

[A] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

[C] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] .

3 Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tussen partijen de echtscheiding uit te spreken;

  2. de verdeling te gelasten overeenkomstig het voorstel van de vrouw, zoals dat blijkt uit het als productie 3 overgelegde formulier ‘verdelen en verrekenen’;

  3. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw wordt bepaald;

  4. te bepalen dat de man zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen met € 150,- per kind per maand;

althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie ment dat behoort.

Nadien heeft de vrouw, bij op 9 juni 2016 ingekomen brief, haar verzoeken gewijzigd in die zin dat zij de rechtbank thans verzoekt het tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan te bekrachtigen in de uitspraak, onder intrekking van de door haar verzochte hoofdverblijfplaats en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.

4 Het verweer

De man heeft op 8 juni 2016 een referteverklaring ondertekend, waarin hij verklaart in te stemmen met de huidige verzoeken van de vrouw.

5 De beoordeling

de ontvankelijkheid

5.1.

Bij de betekening van het verzoekschrift zijn de wettelijke termijnen en formaliteiten in acht genomen. De in artikel 815 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) gemelde bescheiden zijn als bijlagen bij het verzoekschrift gevoegd dan wel later in de procedure binnengekomen.

ten aanzien van de echtscheiding

de rechtsmacht en het toe te passen recht

5.2.

De rechtbank komt rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 onder a van de EG-verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (verder te noemen: Brussel II-bis).

5.3.

Op grond van het bepaalde in artikel 10:56 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

5.4.

Nu de vrouw stelt en de man niet betwist dat het huwelijk van partijen duurzaam is ontwricht, staat deze duurzame ontwrichting in rechte vast. Het verzoek tot echtscheiding zal daarom worden toegewezen.

ten aanzien van de minderjarigen

de rechtsmacht en het toe te passen recht

5.5.

De rechtbank komt rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in artikel 8 van Brussel II-bis, nu de echtscheidingsprocedure in Nederland aanhangig is en de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

5.6.

Omdat de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, is Nederlands recht van toepassing met betrekking tot aangelegenheden die de minderjarigen betreffen.

het ouderschapsplan

5.7.

De vrouw heeft verzocht de inhoud van het overgelegde ouderschapsplan in de beschikking op te nemen. De man heeft dat verzoek niet weersproken. De rechtbank zal daarom overeenkomstig beslissen.

het hoofdverblijf en de bijdrage in de kosten van verzorging

5.8.

Nu het ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking, trekt de vrouw haar verzoeken tot vaststelling van het hoofdverblijf en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen in, zodat deze onderdelen geen verdere bespreking meer behoeven.

ten aanzien van de verdeling

de rechtsmacht en het toe te passen recht

5.9.

Nu de rechtbank rechtsmacht heeft met betrekking tot de verzochte echtscheiding, heeft de rechtbank tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen (artikel 4 lid 3 Rv).

5.10.

De rechtbank dient te beoordelen aan welk huwelijksvermogensrecht partijen onderworpen zijn. Partijen zijn na 31 augustus 1992 gehuwd. Het huwelijk is dus een verdragshuwelijk in de zin van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 (HV 1978). Van een uitdrukkelijke rechtskeuze is niet gebleken, zodat hun huwelijksvermogensregime op grond van artikel 4 lid 1 van het HV 1978 wordt beheerst door het interne recht van de Staat op welk grondgebied zij hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen, dus Nederlands recht.

5.11.

Gebleken is dat partijen bij het aangaan van het huwelijk alleen de Turkse nationaliteit gemeenschappelijk hadden. De vrouw had toen ook de Nederlandse nationaliteit, welke nationaliteit de man later, op 14 juni 2004, heeft verkregen. Op grond van artikel 4 lid 2 van het HV 1978 is het interne recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen van toepassing indien die staat niet partij is bij het Verdrag, terwijl volgens zijn internationaal privaatrecht zijn interne recht van toepassing is (de staat is een zogeheten nationaliteitsland) en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigen in een staat die de in artikel 5 bedoelde verklaring heeft afgelegd. Turkije is geen partij bij het Verdrag, is een nationaliteitsland, terwijl Nederland de in artikel 5 van het Verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd. Dit betekent dat bij aanvang van het huwelijk niet Nederlands maar Turks recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen.

5.12.

Vervolgens bepaalt artikel 7 lid 2 van het Verdrag, indien de echtgenoten noch het toepasselijke recht hebben aangewezen noch huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt, dat in plaats van het recht waaraan hun huwelijksvermogensregime tevoren was onderworpen het interne recht van de staat waar de echtgenoten beiden hun gewone verblijfplaats hebben toepasselijk wordt vanaf het tijdstip waarop zij de nationaliteit van deze staat verkrijgen. Deze bepaling is ook van toepassing indien één van de echtgenoten reeds onderdaan was van het woonland en de andere echtgenoot de nationaliteit van het woonland later verkreeg, ook indien deze laatste echtgenoot bij de naturalisatie de oude nationaliteit behoudt. Op grond van dit artikel is dan ook vanaf 14 juni 2004 Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen huwelijkse voorwaarden hebben laten opmaken, zijn zij naar Nederlands recht in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd geweest.

5.13.

Het hiervóór beschreven ‘wagonstelsel’ van het Verdrag houdt in dat de wijziging van het huwelijksvermogensregime slechts gevolg heeft voor de toekomst. De wettelijke gemeenschap van goederen omvat daarom slechts de goederen die zijn verworven en de schulden die zijn aangegaan na 14 juni 2004. Op hetgeen ieder van de partijen voordien heeft verworven, en de voordien aangegane schulden, blijft het Turkse huwelijksvermogensregime van toepassing. Dit volgt uit artikel 8 lid 1 van het Verdrag.

5.14.

Aldus kan worden geconcludeerd dat vanaf het aangaan van het huwelijk tot het moment waarop de man de Nederlandse nationaliteit verkreeg (14 juni 2004) Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Vanaf 14 juni 2004 is Nederlands recht van toepassing.

5.15.

Onweersproken is gesteld dat de vermogensbestanddelen, waarvan verdeling wordt verzocht, na deze datum zijn verkregen dan wel opgebouwd, zodat op basis van Nederlands recht een verdeling daarvan dient plaats te vinden.

Nu de man geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek van de vrouw om een verdeling te gelasten overeenkomstig haar voorstel zoals dat blijkt uit het door haar opgestelde en overgelegde formulier ‘verdelen en verrekenen’, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank zal de verdeling dan ook vaststellen conform het voorstel vermeld in het aan deze beschikking gehechte en daarvan deel uitmakende formulier ‘verdelen en verrekenen’.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] te [B] gehuwd;

II. stelt de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast conform het aan deze beschikking gehechte en hiervan deel uitmakende formulier ‘verdelen en verrekenen’, indien en voor zover tot inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand wordt overgegaan;

III. bepaalt dat de inhoud van het aangehechte ouderschapsplan deel uitmaakt van deze beschikking;

IV. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. E.V.A. Groener en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2016 in tegenwoordigheid van M.T. Hovius-Huisman als griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de Raad voor de Kinderbescherming Almelo en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door die Raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan – uitsluitend door tussenkomst van een advocaat – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

  1. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden: binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak;

  2. door de echtgenoot die in eerste aanleg niet is verschenen: binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en openlijk bekend is gemaakt;

  3. door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.