Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3212

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
17-08-2016
Datum publicatie
05-09-2016
Zaaknummer
C/08/187687 / KG ZA 16-207
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Beslag i.v.m. hennepkwekerij in gehuurd pand. Verzoek tot opheffing beslag afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/187687 / KG ZA 16-207

Vonnis in kort geding van 17 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. Impact Fysiotherapie en voorheen

h.o.d.n. Dreamcar Factory,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. W.K. Cheng te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.J. Baken te Emmeloord.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding (met producties 1 tot en met 10)

  • -

    de producties 1 tot en met 9 van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] heeft als eigenaar van een bedrijfsunit in een bedrijfsverzamelgebouw, plaatselijk bekend als [adres 3] te [plaats 2] , deze unit voor de periode 1 oktober 2014 tot en met 30 september 2016 verhuurd aan [eiser] . [eiser] heeft op 22 maart 2016 de huur van de unit opgezegd per afloop van de huurtermijn.

2.2.

[eiser] heeft de bedrijfsunit in strijd met de huurovereenkomst zonder toestemming van [gedaagde] ter beschikking gesteld van en onderverhuurd aan een derde.

[eiser] heeft dit gedaan, vooraf wetende dat die derde daarin een hennepkwekerij zou gaan onderbrengen, met het vooruitzicht dat hij in de financiële opbrengst daarvan zou delen.

2.3.

Bij onderzoek wegens klachten met betrekking tot de elektriciteitsvoorziening in het bedrijfsverzamelgebouw door netwerkbeheerder Liander op 17 maart 2016 is in de meterkast van dit gebouw een illegale aftap van elektriciteit gebleken, die naar de door [eiser] gehuurde unit leidde.

2.4.

Op 17 maart 2016 is de politie binnengetreden in het gebouw en heeft in de door [eiser] gehuurde unit een hennepkwekerij aangetroffen.

2.5.

Op 17 maart 2016 heeft Liander de elektriciteitstoevoer van het bedrijfsverzamel-gebouw volledig afgesloten. [gedaagde] heeft daarop (moeten) voorzien in stroomvoorziening van het gebouw door middel van een noodaggregaat.

2.6.

Bij brief van 24 maart 2016 heeft [gedaagde] [eiser] aansprakelijk gesteld voor de geleden en nog te lijden schade als gevolg van de geconstateerde hennepkwekerij, waarvoor [eiser] als huurder verantwoordelijk is. Daarbij heeft [gedaagde] aan [eiser] verzocht om reeds de geraamde kosten van het noodaggregaat en dieselolie ad € 3.000,00 als eerste bedrag aan schadevergoeding aan hem te voldoen. [eiser] heeft aan dit verzoek niet voldaan.

2.7.

Op 4 april 2016 heeft Liander de Vereniging van Eigenaren IJzerweg te Dalfsen (hierna: VVE) gefactureerd voor een bedrag van € 14.280,38 voor ongeregistreerd verbruik van elektriciteit in 2015 en 2016 alsmede voor verricht onderzoek en (afsluit)werkzaamheden c.a.

2.8.

Bij brief van 14 juni 2016 heeft de voorzitter van de VVE [gedaagde] bericht:

(…) “Op 17 maart 2016 heeft Liander de elektriciteit van het gehele bedrijfsverzamelgebouw afgesloten omdat de illegale elektriciteitstap geplaatst was voor of in de nabijheid van de centrale elektriciteitstoevoer.

In de dagen direct volgende op 17 maart 2016 heeft nauw overleg tussen u en ons plaatsgevonden, over de ontstane situatie. Wij hebben u in ieder geval op dat ogenblik aansprakelijk gesteld voor alle schade die de overige eigenaren van de bedrijfsunit van het bedrijfsverzamelgebouw lijden als gevolg van het afsluiten van de elektriciteit. Teneinde die schade te beperken, hebben wij u gesommeerd om over te gaan tot het plaatsen van een noodaggregaat. Hieraan hebt u gehoor gegeven.

Op 4 april 2016 hebben wij van Liander als netwerkbeheerder een factuur ontvangen, van welke factuur wij u direct een kopie hebben toegezonden. Aangezien de illegale elektriciteitstap is geplaatst ten behoeve van uw bedrijfsunit door uw huurder, dan wel een onderhuurder, komt de financiële schade die daardoor wordt geleden voor uw rekening en risico. Wij sommeren u dan ook om over te gaan tot betaling van de ontvangen factuur van Liander. Het gaat daarbij om een bedrag van € 14.280,38.” (…)

2.9.

Tot de gedingstukken behoren de door beide partijen overgelegde facturen van Sijperda verhuur betreffende de huur van een aggregaat (drie facturen à € 263,40), een factuur van Slump Oil wegens geleverde dieselolie à € 720,33 en een factuur van Slotenexpert Meijering inzake het vervangen/aanbrengen van sloten à € 485,27. Deze facturen zijn gericht tot respectievelijk [gedaagde] Beheer B.V., [gedaagde] Beheer B.V. en [gedaagde] Beheer.

2.10.

Op 12 april 2016 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [gedaagde] verlof verleend om ter verzekering van zijn door de voorzieningenrecher op € 20.000,00 begrote vordering op [eiser] conservatoir derdenbeslag te leggen onder de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Achmea N.V., statutair gevestigd te Utrecht (in het petitum van het desbetreffende verzoek is vermeld de naamloze vennootschap Zilveren Kruis Zorgverzekering N.V. statutair gevestigd te Utrecht)(hierna: Zilveren Kruis) alsmede conservatoir beslag op het registergoed van [eiser] , bekend als [adres 1] te [plaats 1] en op roerende zaken (niet zijnde handelsvoorraad) in de panden [adres 2] te [plaats 2] en [adres 3] te [plaats 2] .

2.11.

De sub 2.10 genoemde beslagen zijn gelegd op 13 april 2016. Het beslag op roerende zaken in de unit [adres 3] omvat mede twee personenauto’s met de kentekens [xxxx] (Fiat type 500L) en [yyyy] (Audi Cabriolet).

2.12.

[gedaagde] Beheer B.V., waarvan [gedaagde] enig aandeelhouder is, heeft bij brief van 16 juni 2016 aan [gedaagde] bericht:

“(…) Als gevolg van de ontmanteling van de hennepkwekerij bent u geconfronteerd met een aantal kostenposten die u op dat ogenblik niet direct kon dragen. Daarop is de afspraak gemaakt dat [gedaagde] Beheer B.V. deze kosten eerst voor u zal betalen en dat u deze kosten vervolgens aan [gedaagde] Beheer B.V. terugbetaalt. Het gaat bij bovenstaande om de navolgende kosten:

1. huur noodaggregaat Sijperda € 790,20

2. kosten diesel noodaggregaat Slump Oil € 720,33

3. vervanging sloten door Slotenexpert € 485,27

Totaal voor u betaald € 1.995,80

De facturen die de grondslag vormen voor bovengenoemd totaalbedrag, treft u als bijlage bij deze brief aan.

Wij verzoeken u om binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief over te gaan tot betaling van het bedrag van € 1.995,80 op rekeningnummer [IBAN] .

(…)

Wij verzoeken u deze brief nog mede te ondertekenen voor akkoord voor de gemaakte afspraken, in die zin dat wij bovengenoemde kosten voor u zouden betalen en dat u deze aan de beheermaatschappij zou terugbetalen.”

2.13.

[gedaagde] heeft [eiser] gedagvaard in een bodemprocedure bij de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, waarin de zaak voor comparitie na antwoord staat op 24 oktober 2016.

2.14.

[gedaagde] heeft [eiser] het (nog steeds geldende) aanbod gedaan de beslagen op te heffen tegen onvoorwaardelijke zekerheidstelling door [eiser] door middel van storting van een bedrag van € 20.000,00 op de derdenrekening van [gedaagdes] advocaat.

2.15.

[eiser] heeft niet op dit aanbod gereageerd, zij het dat hij ter zitting een bedrag van € 3.000,00 heeft aangeboden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - de opheffing van een viertal conservatoire beslagen die [gedaagde] heeft gelegd, te weten derdenbeslag onder Zilveren Kruis, beslag op eerdergenoemd registergoed in [plaats 1] , beslag op roerende zaken bij Impact Fysiotherapie aan de [adres 2] te [plaats 2] en beslag op roerende zaken, waaronder twee personenauto’s, in de door [eiser] gehuurde bedrijfsunit aan de [adres 3] te [plaats 2] .

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Gelet op de aard van de zaak acht de voorzieningenrechter voldoende spoedeisendheid van de vordering(en) van [eiser] gegeven. Hieraan doet niet af dat de zaak in de bodemprocedure voor comparitie dient op 24 oktober 2016.

4.2.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.3.

[eiser] vordert opheffing van de gelegde conservatoire beslagen en heeft daartoe primair aangevoerd dat het beslag is gebaseerd op een niet bestaande vordering van [gedaagde] , aangezien [gedaagde] als privépersoon geen enkele vordering op [eiser] heeft. Aan de eisen voor cessie van vorderingen aan [gedaagde] is volgens [eiser] niet voldaan.

Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat de gelegde beslagen samen naar waarde ruim overstijgen het door de voorzieningenrechter geraamde bedrag van de vordering van [gedaagde] van € 20.000,00, aangezien het totaal aan waarde van de zaken waarop beslag is gelegd volgens [eiser] € 32.500,00 bedraagt. Vanwege dit overstijgen in waarde was het beslag onnodig en dient daarom te worden opgeheven.

4.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorzieningenrechter bij het verzoek tot het leggen van beslag verzoek summierlijk heeft getoetst op de deugdelijkheid van het door [gedaagde] ingeroepen recht, welke toetsing tot het verlenen van het gevraagde verlof heeft geleid.

[eiser] betwist in deze kort gedingprocedure de deugdelijkheid van het door [gedaagde] jegens hem ingeroepen recht, primair op grond van de rechtsgrond dat de vorderingen met het oog waarop de beslagen zijn gelegd niet bestaan, in die zin dat het geen vorderingen betreft die [gedaagde] als privépersoon (die de beslagen heeft gelegd) toebehoren, omdat deze niet aan hem in persoon zijn gericht, maar aan (afzonderlijke) rechtspersonen, te weten de VVE en [gedaagde] Beheer B.V. (met verschillende schrijfwijzen waarmee kennelijk dezelfde rechtspersoon is bedoeld).

De subsidiaire rechtsgrond van [eiser] steunt op de stelling dat het beslagen registergoed een overwaarde heeft van € 15.000,00, dat de inventaris van de fysiopraktijk een waarde heeft van € 15.000,00 en dat er aan roerende zaken in de bedrijfsunit waarde is van € 2.500,00.

[eiser] heeft voorts betoogd dat het beslag op de twee auto’s ten onrechte is gelegd omdat deze auto’s niet aan [eiser] toebehoren maar aan zijn ex-partner [A] .

4.5.

Wat betreft de primaire rechtsgrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat

voldoende aannemelijk is, dat de betwiste vorderingen ten laste komen van [gedaagde] als privépersoon. Daarbij betrekt zij de stukken, genoemd in rechtsoverwegingen 2.8 en 2.12.

De brief van de VVE kan in redelijkheid niet anders worden gezien dan als een (schriftelijk bevestigde) aansprakelijkstelling van [gedaagde] voor de kosten die Liander aan de VVE heeft gefactureerd, met de sommatie om die factuur rechtstreeks aan Liander te voldoen. De financiële schade door het afsluiten van de elektriciteit is aldus bij [gedaagde] “neergelegd”.

Ten aanzien van de overige vorderingen, die aan de aanwezigheid van de hennepkwekerij moeten worden toegerekend, namelijk die voor huur van een aggregaat met brandstof en vervanging van sloten, geldt hetzelfde. In de omstandigheid dat de beheervennootschap van [gedaagde] op de desbetreffende vorderingen heeft betaald, ziet de voorzieningenrechter, gelet op hetgeen [gedaagde] daaromtrent met een onderliggend stuk heeft aangevoerd – een noodsituatie waarin de beheervennootschap van [gedaagde] betaling heeft voorgeschoten bij betalingsonmacht van [gedaagde] in persoon – geen reden om het niet aannemelijk te achten dat deze kosten door middel van verrekening met de beheervennootschap [gedaagde] uiteindelijk ten laste van [gedaagde] komen.

De primaire rechtsgrond van [eiser] faalt derhalve.

4.6.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] zijn subsidiaire rechtsgrond voor de gevraagde voorziening in kort geding van een ondeugdelijke onderbouwing heeft voorzien. De waarde van de onroerende zaak te [plaats 1] acht [eiser] aangetoond met een waardeverklaring van een lokale makelaar, inhoudende een marktwaarde van € 360.000,00. Daargelaten dat dit geen taxatie betreft, staat tegenover deze indicatie volgens [gedaagde] een hypothecaire inschrijving in het Kadaster van € 350.000,00. Dit is door [eiser] niet weersproken; diens blote verklaring dat de hypotheek € 330.000,00 beloopt schiet daartoe tekort. Inzicht in de actuele waarde van deze schuld is door [eiser] niet gegeven.

Het standpunt van [eiser] inzake de vermogenswaarde van de roerende zaken in de fysiotherapie betreft enkel een eigen opsomming met inschatting, kennelijk aan de hand van internetverkenningen. Ter zake van de onroerende zaken in de bedrijfsunit heeft [eiser] volstaan met een ongespecificeerd gelaten “moeilijke inschatting”.

Deze aldus door [eiser] gestelde waarderingen moeten als onvoldoende onderbouwd worden aangemerkt. De kort gedingprocedure leent zich niet voor nader onderzoek c.q. bewijslevering ter zake.

Bij het vorenstaande geldt bovendien dat voor het geheel van de genoemde waarden moet worden uitgegaan van de waarde c.q. opbrengst bij executoriale verkoop en niet van (een) waarde(n) bij onderhandse verkoop, waarvan [eiser] kennelijk is uitgegaan. Eerstbedoelde waarde c.q. opbrengst zal substantieel lager zijn.

4.7.

Bij het voorgaande komt nog dat het de voorzieningenrechter niet aannemelijk voorkomt dat het beslag ten onrechte mede de personenauto’s van [eiser] heeft betroffen. Zij acht onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze auto’s niet [eiser] maar diens ex-partner in eigendom toebeho(o)r(d)en dan wel door haar betaald en/of aan haar geleverd zouden zijn. Een wijziging van de tenaamstelling bij de RDW is ontoereikend voor de beweerde eigendomsoverdracht.

4.8.

Hoewel niet expliciet als rechtsgrond aan zijn vorderingen in kort geding ten grondslag gelegd, heeft [eiser] voorts aangevoerd te betwisten dat hij voor de vorderingen van [eiser] , met het oog waarop [gedaagde] beslag heeft gelegd, aansprakelijk zou zijn. Zo heeft hij betoogd niet de elektriciteitsdiefstal/fraude te hebben gepleegd, niet bekend te zijn geweest met de illegale stroomafname en daarvoor niet verantwoordelijk te zijn, hetgeen zijn inziens meebrengt dat hij ook niet voor de kosten van aggregaten, brandstof en sloten behoeft op te komen. Daarbij heeft hij mede de hoogte van de vordering van Liander betwist met het oog op de in aanmerking genomen tijd waarin de hennepkwekerij in bedrijf is geweest, samenhangende met de berekende omvang van de diefstal.

4.9.

[eiser] heeft erkend verantwoordelijk te zijn voor de aanwezigheid van de hennepkwekerij. Daarmee acht de voorzieningenrechter hem naar voorshands oordeel aansprakelijk voor de schade die moet worden toegerekend aan het als huurder voor het doel van een hennepkwekerij beschikbaar stellen van de gehuurde unit, inclusief schade die verband houdt met de voor een hennepkwekerij gebruikelijke en op zijn minst niet ondenkbeeldige diefstal van elektriciteit om zodanige kwekerij profijtelijk te doen zijn.

Terecht heeft [gedaagde] in dit verband gerefereerd aan jurisprudentie in het licht van artikel 7:219 BW, inhoudende dat dit artikel aansprakelijkheid vestigt van de huurder jegens de verhuurder voor schade, toegebracht aan het gehuurde door derden die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken, dan wel zich met diens goedvinden op het gehuurde bevinden, ook bij gebreke van wetenschap hieromtrent bij de huurder. De ratio van deze bepaling brengt mee dat onder schade als waarop deze ziet, mede is begrepen het ten behoeve van hennepteelt illegaal aftappen van stroom waardoor de elektrische installatie niet meer voldoet aan de daaraan te stellen veiligheidseisen (Hoge Raad 29 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2952). De exploitatie van de hennepkwekerij dient in dit geval dan ook te gelden als een tekortkoming van [eiser] in de naleving van de huurovereenkomst met de daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid voor de daaruit voortgekomen schade, daargelaten zijn beweerde onwetendheid omtrent de elektriciteitstap.

4.10.

De kortgedingprocedure leent zich niet voor het vaststellen van de exacte omvang van de schade in deze kwestie. In het kader van de toetsing van de door [gedaagde] gelegde beslagen is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat de door [gedaagde] gestelde schade voldoende aannemelijk is gemaakt. Zij acht naar voorlopig oordeel door [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de vorderingen van [gedaagde] waarvoor deze beslag heeft gelegd ondeugdelijk zijn.

4.11.

Het belang van [gedaagde] bij (het voortduren) van de betwiste beslagen is evident: het hebben van zekerheid in de vorm van verhaalsmogelijkheden in verband met zijn vooralsnog als terecht te beoordelen vorderingen op [eiser] . In dit licht staat vast dat [eiser] niet bereid is gebleken [gedaagde] vervangende zekerheid aan te bieden als alternatief

voor de beslagen, van een substantiële omvang, afgezet tegen de hoogte van de vorderingen.

4.12.

[eiser] heeft in dit kort geding -als belang gesteld dat hij niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen indien Zilveren Kruis niet overgaat tot het uitbetalen van zijn declaraties alsmede dat de bank door onduidelijkheid rondom het gelegde beslag op de woning de bankrelatie wenst op te zeggen. Ter zake van de opheffing van het beslag op roerende zaken heeft [eiser] geen belang gesteld.

De voorzieningenrechter acht hiermede door [eiser] onvoldoende (onderbouwd) gesteld.

Dit brengt mee dat naar haar voorlopig oordeel aan het belang van [gedaagde] bij handhaving van de beslagen meer gewicht dient te worden toegekend dan aan het belang van [eiser] bij opheffing daarvan. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.104,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.104,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.A.M. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016.