Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3152

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
08/910003-16 en 08/239752-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige vrouw die op Nieuwjaarsdag 2016 een tankstation in Enschede overviel moet 20 maanden de gevangenis in, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. De vrouw bedreigde een werkneemster van het tankstation met een mes en eiste geld van haar. De vrouw lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis en is verslaafd aan alcohol. Na haar gevangenisstraf moet ze zich laten behandelen in een gesloten inrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/910003-16 en 08/239752-14

Datum vonnis: 16 augustus 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1987 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te Zwolle.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 14 april 2016, 17 juni 2016 en 2 augustus 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Hermelink en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. U. Ural, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte al dan niet samen met een ander of anderen een overval heeft gepleegd op een shop van een tankstation.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

zij op of omstreeks 01 januari 2016 te Enschede tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 245,- euro, in elk geval van enig geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- ( op intimiderende wijze) een mes in het blad van de balie van de [tankstation] -shop stak en/of

- zich boog over de balie en daarbij een toetsenbord van een computer omhoogtrok en/of

- een mes richting een in de [tankstation] -shop aanwezige klant hield en/of

- ( meermalen) dreigende bewegingen met het mes maakte richting die [slachtoffer] en/of

- ( ondertussen) (meermalen) tegen die [slachtoffer] riep: "Ik wil geld, alles inpakken en aanmaken" en/of "Inpakken die zooi en kassa open. Ik wil geld" en/of "Geeft mij geld, nu. Het is geen grap." althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een

gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden, waarvan acht (8) maanden voorwaardelijk, met aftrek van de door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, met een proeftijd van drie (3) jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals die zijn weergegeven in het reclasseringsrapport van 15 juli 2016.

De officier van justitie vordert tevens onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen mes.

De civiele vordering dient volgens de officier van justitie geheel te worden toegewezen met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.

Tot slot is de officier van justitie van mening dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 08/239752-14, aangezien de voorwaardelijke staf reeds op 23 maart 2016 ten uitvoer is gelegd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit de bladzijden uit het dossier van de politie Oost Nederland, district Twente met als dossiernummer 2016001648, welk geheel is doorgenummerd blz. 1 tot en met blz. 160.

5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard.

Als bewijsmiddelen daarvoor gelden:

  1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 april 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering;

  2. het proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (pag. 89-93);

  3. het proces-verbaal verhoor getuige, inhoudende de verklaring van [getuige]

(pag. 132-133).

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 1 januari 2016 te Enschede, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van 245,-- euro, toebehorende aan [tankstation] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- op intimiderende wijze een mes in het blad van de balie van de [tankstation] -shop stak en

- zich boog over de balie en daarbij een toetsenbord van een computer omhoogtrok en

- een mes richting een in de [tankstation] -shop aanwezige klant hield en

- dreigende bewegingen met het mes maakte richting die [slachtoffer] en

- meermalen tegen die [slachtoffer] riep: "ik wil geld, alles inpakken en aanmaken" en "inpakken die zooi en kassa open. Ik wil geld" en "geef mij geld, nu. Het is geen grap".

Met betrekking tot de bewijsmiddelen overweegt en concludeert de rechtbank nog het volgende.

Ter zitting van 14 april 2016 heeft verdachte verklaard (met betrekking tot het vierde liggend streepje) dat zij volgens haar het mes niet in de richting van de vrouw achter de balie heeft gehouden.

Aangeefster heeft over dit onderdeel andersluidend verklaard, namelijk (blz. 89): “De vrouw liep met versnelde pas naar de balie. De vrouw stak met de punt van het mes in de balie. Ze dreigde met het mes in mijn richting.”

De rechtbank is van oordeel dat er geen enkele reden is aangevoerd of aannemelijk geworden om te twijfelen aan de juistheid van de (gehele) verklaring van aangeefster en derhalve ook niet aan de juistheid van dit onderdeel, mede gelet op de omstandigheid dat slechts over dit onderdeel de verklaringen van aangeefster en verdachte niet overeenkomen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging wettig en overtuigend bewezen is.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: afpersing.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een tankstation, waarbij zij de medewerkster van dat tankstation heeft bedreigd met een mes.
Het is algemeen bekend dat dergelijke bedreigende situaties een grote indruk maken op de slachtoffers, waardoor zij nog lange tijd psychische gevolgen kunnen ondervinden.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor strafoplegging de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Die houden in dat

bij overval op een benzinestation met licht geweld of bedreiging, een gevangenisstraf van twee jaar past. Als straf vermeerderende factor kan gelden de recidive.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit het algemeen justitieel documentatieregister eerder ter zake (al dan niet gekwalificeerde) vermogensdelicten veroordeeld en zij liep nog in een proeftijd.

Over verdachte is op 13 juni 2016 gerapporteerd door de deskundige D. Breuker, forensisch psycholoog. De deskundige verklaart en adviseert onder meer het volgende.

Op basis van dit onderzoek kan bij betrokkene als hoofddiagnose een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens wordt vastgesteld in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline kenmerken. Er is daarnaast sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van alcoholafhankelijkheid in remissie door het huidige verblijf in geslotenheid.

Betrokkene is een 28-jarige, (laag)gemiddeld intelligente vrouw met reeds een bewogen leven achter de rug. Ze is al meerdere keren met justitie in aanraking gekomen vanwege vermogensdelicten. Ze stond ook onder toezicht van de Reclassering tijdens het plegen van het onderhavige feit, maar dit toezicht en de ambulante behandeling bij Mediant verliepen moeizaam. Betrokkene kwam haar afspraken onvoldoende na vanwege verschillende redenen, onder andere ook vanwege haar alcoholverslaving.

Verband diagnose en delict

Er wordt een verband aanwezig geacht tussen de gebrekkige ontwikkeling en het plegen van het ten laste gelegde feit. Betrokkene stond onder druk vanwege de dreigende uithuiszetting en vanwege verschillende andere externe factoren. Stress en onlustgevoelens kan ze vanwege haar persoonlijkheidsstoornis onvoldoende hanteren, waardoor ze is teruggevallen op onverantwoordelijke en antisociale oplossingen voor haar problemen (het terugdringen van haar hoge stressniveau en innerlijke onrust door het generen van geld om haar inboedel op te kunnen slaan).

Geadviseerd wordt om betrokkene ten aanzien van het plegen van het ten laste gelegde feit, indien bewezen, als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Risicoprognose

Er zijn op dit moment te weinig beschermende factoren. De leefomstandigheden zijn instabiel (geen woning, financiële problemen) en er zijn veel stressfactoren (gestoorde relatie met ex, omgangsregeling kinderen). Vanuit Mediant is aangegeven dat een ambulant behandeltraject niet haalbaar is en dat betrokkene een klinisch traject zou moeten gaan volgen. Alles overziend zijn er op dit moment vooral veel risicofactoren waar tegenover weinig tot geen beschermende factoren aanwezig zijn op dit moment. De kans op een herhaling van soortgelijk delictgedrag wordt groot geacht.

Zorgprognose en beïnvloedingsmogelijkheden

Om de kans op herhaling te verkleinen wordt een klinische behandeling in een forensische verslavingskliniek nodig geacht. Gedacht kan worden aan een forensische verslavingskliniek zoals de Piet Roorda kliniek of een andere forensische verslavingskliniek, waar men vooral ook kennis heeft op het gebied van de behandeling van vrouwen met een borderline persoonlijkheidsstoornis in combinatie met verslavingsproblematiek. Betrokkene is op dit moment niet in staat om zich voor langere tijd te conformeren aan een ambulant traject. Klinisch kunnen behandelafspraken en voorwaarden beter worden geïmplementeerd dan ambulant. Er kan haar klinisch meer structuur worden geboden en meer controle op middelengebruik, zodat ze ook voor langere tijd abstinent kan blijven van alcohol en wiet.

Beantwoording van de vragen

welke conclusie is aangaande de toerekeningsvatbaarheid te adviseren.

Betrokkene heeft het ten laste gelegde feit gepleegd omdat ze de druk van de dreigende uithuiszetting en alle andere stressfactoren onvoldoende kon handelen. Ze beschikt vanwege haar persoonlijkheidsstoornis niet over een adequate stressregulatie en ook niet over voldoende zelfcontrole. Door het gebruik van alcohol verminderd haar zelfcontrole nog meer. Betrokkene was tijdens het plegen van het ten laste gelegde feit vermoedelijk nog redelijk onder invloed van de grote hoeveelheid alcohol die ze die oudjaarsavond en nacht had gedronken.

Geadviseerd wordt om betrokkene ten aanzien van het plegen van het ten laste gelegde feit, indien bewezen, als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Het rapport van de deskundige is naar het oordeel van de rechtbank grondig onderbouwd.

De rechtbank heeft geconstateerd dat de deskundige in de rubriek ‘verband diagnose en delict’ adviseert om verdachte te beschouwen als “enigszins verminderd toerekeningsvatbaar, terwijl de deskundige in de rubriek “beantwoording van de vragen” adviseert om verdachte te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar.

De rechtbank verstaat dat laatstgenoemde rubriek de eindconclusie bevat en sluit zich aan bij die conclusie, namelijk dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Zij maakt die conclusie tot de hare, mede gelet op wat de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van verdachte is gebleken.

Over verdachte is op 10 juni 2016 gerapporteerd door de reclasseringswerker L. Engberts van de Jeugdbescherming & Reclassering van het Leger des Heils. Over verdachte is op

15 juli 2016 wederom gerapporteerd door L. Engberts voornoemd, naar aanleiding van het gehouden NIFP-onderzoek.

Bij de vaststelling van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de inhoud van beide rapporten.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De rechtbank overweegt dat het inbeslaggenomen mes vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van dit mes het feit is begaan en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 850,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de post immateriële schade.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadepost is niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 850,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

10 De vordering tenuitvoerlegging

De rechtbank overweegt dat het Openbaar Ministerie in zijn vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 08/239752-14 (betreffende een onherroepelijk vonnis van de politierechter Overijssel, locatie Almelo, van 22 december 2014), niet ontvankelijk dient te worden verklaard.

Gebleken is dat op 23 maart 2016 reeds op de vordering is beslist en dat de vordering bij die beslissing is toegewezen.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b en 36c Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt haar daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    afpersing;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden, waarvan tien (10) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Jeugdbescherming & Reclassering van het Leger des Heils Noord-Nederland;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is om zich, aansluitend op een klinische behandeling, ambulant te laten behandelen/begeleiden voor haar alcohol- en persoonlijkheidsproblematiek bij Stichting Mediant en/of bij Stichting Tactus of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Daarbij zal veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling/begeleiding door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven en zolang de reclassering dit wenselijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen in de kliniek

GGZ-NHN te Heiloo of een soortgelijke intramurale instelling en zulks voor de duur van maximaal één jaar, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van de kliniek zullen worden gegeven;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat veroordeelde meewerkt, aansluitend op de klinische behandeling, aan een mogelijke plaatsing in een woonvoorziening, of een soortgelijke instelling, zulks ter beoordeling van de reclassering, in geval veroordeelde niet over woonruimte beschikt. In dat geval dient veroordeelde zich te houden aan de geldende regels en afspraken van die betreffende instelling, zolang de reclassering dit nodig acht;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 850,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2016;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 850,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 17 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomen mes;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer 08/239752-14

- verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. J. Wentink en mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2016.

Mr. M.A.H. Heijink en de griffier zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.