Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3130

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
C/08/183110 / FA RK 16-469
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezien het tijdsverloop sinds de echtscheidingsdatum alsook het feit dat de vrouw die jaren financieel onafhankelijk is geweest, is er geen sprake meer van een band met het huwelijk. De behoefte van de vrouw dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer gerelateerd te worden aan de welstand van het huwelijk, maar aan de mate van welstand waarin de vrouw de laatste jaren heeft geleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/183110 / FA RK 16-469

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 10 juni 2016

inzake

[verzoekster] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat mr. M. Rijs,

en

[verweerder] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. O.F.X. Roozemond.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 24 februari 2016;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 22 maart 2016;

- een op 11 mei 2016 binnengekomen F9-formulier van mr. Rijs met bijlagen;

- een op 13 mei 2016 binnengekomen F9-formulier van mr. Rijs met bijlagen;

- een op 13 mei 2016 binnengekomen brief van mr. Roozemond van 13 mei 2016 met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 25 mei 2016. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: partijen beiden bijgestaan door hun advocaat.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [1986] te [plaats] met elkaar gehuwd. Bij beschikking van 24 maart 2010 heeft de rechtbank Almelo de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 9 april 2010 ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

3 Het verzoek

De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man met ingang van datum indiening verzoekschrift bij vooruitbetaling als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud zal betalen een bedrag van € 1.000,- per maand, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig moment als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.

4 Het verweer

De man verzoekt de rechtbank het verzoek tot betaling van een bijdrage in de kosten van levensonderhoud af te wijzen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht, kosten rechtens.

5 De beoordeling

5.1.

De vrouw heeft in haar verzoekschrift gesteld dat voor haar behoefte aangesloten moet worden bij het convenant van 10 maart 2010. Het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2010 ad € 2.680,- bedraagt na indexering € 2.870,23. De behoefte van de vrouw bedraagt conform de vuistregel 60% hiervan en derhalve € 1.722,14 per maand.

5.2.

In het verweerschrift heeft de man betwist dat -voor wat betreft de behoefte van de vrouw- aangesloten dient te worden bij het in het convenant van 10 maart 2010 genoemde netto besteedbaar gezinsinkomen in 2010 van € 2.680,-. De man stelt dat de huwelijksgerelateerde behoefte is gesteld op € 1.383,- netto per maand. Volgens de man is de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw verbleekt. Er is geen sprake meer van een band met het huwelijk en de vrouw heeft een eigen mate van welstand opgebouwd waaraan haar behoefte gerelateerd dient te worden. De man heeft ter zitting aanvullend verzocht om de partneralimentatie te limiteren indien de rechtbank een bijdrage oplegt.

5.3.

Ter zitting heeft de vrouw naar voren gebracht dat in het verzoekschrift per abuis een behoefte is genoemd van € 1.722,14. Conform het convenant van 10 maart 2010 bedroeg het NBI € 2.680,- per maand en was de huwelijksgerelateerde behoefte € 1.383,- netto per maand. De vrouw stelt dat dit bedrag geïndexeerd dient te worden en dat de behoefte van de vrouw nu € 1.481,17 netto per maand bedraagt. Rekening houdend met haar eigen inkomsten heeft de vrouw nog een resterende behoefte van

€ 147,17 netto per maand. Daarnaast betwist de vrouw dat haar behoefte is verbleekt. Zij stelt dat zij sinds de echtscheiding heeft getracht in haar eigen levensonderhoud te voorzien, hetgeen tot voor kort ook mogelijk was. Haar inkomen uit PGB is helaas komen te vervallen. Daarnaast is het niet mogelijk om haar uren bij Ariëns Zorgpalet uit te breiden en heeft ze last van een frozen shoulder waardoor zij op dit moment niet in staat om haar uren uit te breiden. Verder teert de vrouw maandelijks in op haar vermogen.

5.4.

De rechtbank overweegt het volgende. De maximale duur voor partneralimentatie is in beginsel 12 jaar. De grondslag voor partneralimentatie is de door het huwelijk tussen echtgenoten ontstane lotsverbondenheid. Naarmate partijen langer uit elkaar zijn, heeft dit tot gevolg dat de lotsverbondenheid afneemt en dat van de onderhoudsgerechtigde verwacht mag worden dat zij zich zal inspannen om in het eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. In verhouding tot de hiervoor genoemde termijn van 12 jaar, is het huwelijk tussen partijen geruime tijd geleden ontbonden, namelijk ruim 6 jaar geleden. Gezien het tijdsverloop sinds de echtscheidingsdatum alsook het feit dat de vrouw die jaren financieel onafhankelijk is geweest, is er geen sprake meer van een band met het huwelijk. De behoefte van de vrouw dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer gerelateerd te worden aan de welstand van het huwelijk, maar aan de mate van welstand waarin de vrouw de laatste jaren heeft geleefd. De vrouw is in staat gebleken om met haar inkomen bij Ariëns Zorgpalet en de door haar ontvangen PGB-inkomsten in haar behoefte te voorzien, zonder daarbij afhankelijk te zijn van een aanvullende bijdrage van de man.

5.5.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet in lijn met de afnemende lotsverbondenheid dat in de thans aanwezige aanvullende behoefte van de vrouw in verband met het wegvallen van haar inkomsten uit PGB door de man moet worden voorzien. De rechtbank acht het dan ook niet redelijk dat de teruggelopen inkomsten van de vrouw volledig door de man opgevangen moeten worden. Nu de vrouw geen minderjarige kinderen te verzorgen heeft, zij de afgelopen jaren eveneens meer uren heeft gewerkt en niet is gebleken dat de vrouw door haar schouderklachten op (korte) termijn niet in staat is haar uren uit te breiden, is de rechtbank van oordeel dat het in dit geval redelijk is dat de vrouw zelf in haar aanvullende behoefte voorziet nu deze niet meer wordt bepaald door de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

5.6.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de draagkracht van de man en zal de rechtbank het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud afwijzen.

De proceskosten

5.7.

Nu partijen gewezen echtelieden zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud af.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. A.A.J. Lemain en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2016 in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink, griffier.