Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3129

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
C/08/189099 / KG ZA 16-257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijk beslag op handelsvoorraad. Om de gegrondheid van dat beslag te laten toetsen biedt de strafrechtelijke beklagprocedure ex artikel 552a Sv een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. De civiele rechter zou slechts bevoegd kunnen zijn als in een situatie van onverwijlde spoed in de beklagprocedure geen tijdige voorziening te verkrijgen is. Een dergelijke situatie is hier niet aan de orde. In de strafrechtelijke beklagprocedure is geen ruimte voor een oordeel over de tot het civiele domein behorende rechtmatigheid van de pauliana. De daarop betrekking hebbende vorderingen kunnen reeds niet worden toegewezen omdat zij zijn gevorderd in de vorm van een verklaring voor recht. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de rechter in kort geding om zodanige uitspraken te doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/189099 / KG ZA 16-257

Vonnis in kort geding van 11 augustus 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mrs. H.T. Meijer en M.E.W.M. Rupert te Assen,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN, MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE, meer in het bijzonder het arrondissementsparket van het Openbaar Ministerie Oost-Nederland

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.C. Nieuwland te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de producties 1 tot en met 17 aan de zijde van [eiser]

  • -

    de producties 1 tot en met 5 aan de zijde van de Staat

  • -

    de akte houdende wijziging eis

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van de Staat.

1.2.

Dit vonnis wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft als leningverstrekker op 13 mei 2015 een leningovereenkomst voor een bedrag van maximaal € 500.000,-- gesloten met de heer [A]

[A] en de aan hem gelieerde besloten vennootschap ANM Handelsonderneming B.V. (hierna: ANM) als leningnemers. Daarnaast is [eiser] verhuurder van het pand aan de Twentelaan 1 te Almelo, welk pand wordt gehuurd door ANM. [A] is enig aandeelhouder en bestuurder van ANM. Deze onderneming houdt zich bezig met de handel in en reparatie van auto’s.

2.2.

[A] wordt verdacht van grootschalige handel in georganiseerde hennepteelt en witwassen. Op 10 mei 2016 heeft de politie onder meer het door pand aan de

Twentelaan 1 doorzocht. Daarbij is beslag gelegd op het wagenpark van ANM.

2.3.

Eveneens op 10 mei 2016 heeft officier van justitie (OvJ) een bewaardersovereenkomst gesloten met de bedrijfsleider van ANM, op grond waarvan hij gerechtigd is om de in beslag genomen voertuigen te vervreemden/verkopen voor minimaal 90% van de internetverkoopprijs.

2.4.

Bij e-mailbericht van 12 mei 2016 heeft [eiser] de OvJ ervan op de hoogte gesteld dat hij in het kader van de tussen partijen gesloten geldleningovereenkomst, pandrechten heeft op onder meer alle huidige en toekomstige voorraden, rollend materieel en inventariszaken van ANM-handelsonderneming en/of [A] .

2.5.

Bij brief van 2 juni 2016 heeft de OvJ [eiser] laten weten dat hij zijn pandrechten niet jegens de Staat kan inroepen, omdat de OvJ met een beroep op artikel 94d van het Wetboek van Strafvordering (Sv) juncto artikel 3:45 van het Burgerlijk Wetboek (BW), de zogenaamde strafvorderlijke pauliana, de vernietigbaarheid van de overeenkomst van geldlening en de vestiging van het pandrecht op de goederen inroept.

2.6.

Op 6 juni 2016 zijn de inbeslaggenomen auto’s in opdracht van de OvJ afgevoerd van het terrein van ANM en ondergebracht bij de Domeinen.

2.7.

Tegen deze inbeslagname is namens [eiser] op 8 juni 2016 een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv ingediend. De Staat heeft op 8 juni 2016 een verweerschrift opgesteld.

2.8.

De raadkamer waarin behandeling van het klaagschrift zou plaatsvinden is niet doorgegaan, om de de curator in het op 15 juni 2016 uitgesproken faillissement van ANM in de gelegenheid te stellen zich in de zaak te voegen.

2.9.

Bij brief van 20 juni 2016 heeft de OvJ de curator laten weten dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) in gesprek wil met de curator en dat het OM in ieder geval geen vervreemdingsopdracht voor het wagenpark van ANM zal geven tot dit gesprek heeft plaats gevonden.

2.10.

Op 26 juli 2016 heeft [eiser] dit kort geding geëntameerd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - na wijziging van eis:

Ten aanzien van de beslaglegging

Primair:

1. de Staat te gelasten om binnen één week na de datum van het vonnis, althans binnen een nader te bepalen korte termijn, de in beslag genomen auto’s ter beschikking te stellen aan [eiser] , zodat deze zijn pandrechten kan uitoefenen;

Subsidiair:

2. de Staat te gelasten om binnen één week na de datum van het vonnis, althans binnen een nader te bepalen korte termijn, de in beslag genomen auto’s ter beschikking te stellen aan de curator van ANM, zodat [eiser] zijn pandrechten jegens de curator kan uitoefenen;

Meer subsidiair:

3. te bepalen dat de inbeslaggenomen voorwerpen zoals gespecificeerd in productie 7 door of in opdracht van de Staat niet mogen worden vervreemd totdat door de strafrechter in de hoofdzaak onherroepelijk is beslist;

Ten aanzien van de pauliana

Primair:

4. te verklaren voor recht dat de in beslag genomen zaken rechtsgeldig zijn verpand aan [eiser] ;

5. te verklaren voor recht dat de Staat op onjuiste gronden de verpanding heeft vernietigd, althans heeft willen vernietigen, op grond van de pauliana;

Subsidiair:

6. te verklaren voor recht dat de bewijslast omtrent de wetenschap van benadeling in verband met de door de Staat ingeroepen faillissementspauliana berust bij de Staat;

Ten aanzien van de proceskosten

Primair, subsidiair en meer subsidiair:

De Staat te veroordelen in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het wijzen van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

3.2.

De Staat der Nederlanden voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat, nu de OvJ - zij het op onjuiste gronden - gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheden uit hoofde van artikel

94d Sv in beginsel de burgerlijke rechter overeenkomstig artikel 552c Sv bevoegd is kennis te nemen van de daarop betrekking hebbende vorderingen. [eiser] stelt dat het beslag onrechtmatig is, waardoor de inbeslaggenomen goederen aan hem dienen te worden teruggegeven. Zijns inziens kan het op de voertuigen gelegde beslag niet anders worden opgevat als een beslag in de zin van artikel 94a Sv. Daarin ziet [eiser] zich gesteund doordat uit de kennisgeving van de inbeslagneming blijkt dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de reden voor het beslag was en de omstandigheid dat artikel 94a Sv de grondslag vormt voor ontneming. Ten aanzien van het antwoord op de vraag of de kort gedingrechter bevoegd is zich over uit te laten over dat deel van de dagvaarding dat betrekking heeft op de gestelde onrechtmatigheid van het beslag, refereert [eiser] zich aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

4.2.

De Staat stelt zich op het standpunt dat zowel de primaire als de subsidiaire vordering ten aanzien van het beslag op de handelsvoorraad van ANM ertoe strekt om de gegrondheid van het beslag te laten toetsen door de burgerlijke rechter en om een bevel tot afgifte van de auto’s te verkrijgen. Nu [eiser] hetzelfde kan bereiken in de beklagprocedure ex artikel 552a Sv, is hij niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, aldus de Staat. Voor zover de vorderingen van [eiser] betrekking hebben op de pauliana ex artikel 94d Sv, is de burgerlijke rechter ingevolge artikel 552c Sv wel bevoegd daarvan kennis te nemen, zo stelt de Staat. In de visie van de Staat kunnen beide aspecten van de zaak afzonderlijk van elkaar worden beoordeeld door de daarvoor aangewezen rechter, te meer nu het hier niet gaat om een verhaalsbeslag ex artikel 94a Sv, maar om klassiek beslag als bedoeld in artikel 94 Sv.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat [eiser] niet in zijn vorderingen 1 en 2 kan worden ontvangen wanneer er voor hem een andere rechtsgang openstaat of heeft gestaan die voldoende rechtsbescherming biedt. Als dat het geval is, is voor de beoordeling door de voorzieningenrechter in beginsel geen plaats. Het is vaste rechtspraak dat de beklagprocedure conform artikel 552a Sv in beginsel heeft te gelden als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.

4.4.

[eiser] heeft een klaagschrift ex artikel 552a Sv ingediend. Naar aanleiding van het faillissement van ANM is de behandeling van het klaagschrift op verzoek van [eiser] aangehouden, zodat de curator zich in de procedure kan voegen. Tot op heden is nog geen nieuwe datum bepaald. De Staat heeft zich in het verweerschrift dat in de beklagprocedure is ingediend op het standpunt gesteld dat [eiser] in zijn klaagschrift niet-ontvankelijk is, omdat niet de strafrechtelijke raadkamer maar de burgerlijke (kortgeding)rechter ex artikel 552c Sv bevoegd is om te oordelen over de vraag of de Staat de op goede gronden de actio pauliana ex artikel 94d Sv heeft ingeroepen.

4.5.

Nu de beklagprocedure in beginsel een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is, zou de civiele rechter slechts bevoegd kunnen zijn als in een situatie van onverwijlde spoed via de beklagprocedure geen tijdige voorziening te verkrijgen is. Een dergelijke situatie is hier echter niet aan de orde.

4.6.

Het door [eiser] gestelde spoedeisend belang is zijns inziens gelegen in de vermindering van de waarde van de auto’s en in de omstandigheid dat in de beklagprocedure niets zal kunnen worden vastgesteld over het al dan niet terecht inroepen van de pauliana. Omdat volgens [eiser] een bodemprocedure wel jaren kan duren achtte hij het noodzakelijk dit kort geding aan te spannen.

4.7.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de waardevermindering van de auto’s een zodanig spoedeisend belang is dat het voorzetten van de beklagprocedure niet kan worden afgewacht. Die procedure is op verzoek van [eiser] is aangehouden en gesteld noch gebleken is dat de beklagprocedure niet op diens verzoek op korte termijn hervat kan worden. Daar partijen de relevante standpunten, met betrekking tot (de rechtmatigheid van) het beslag reeds op schrift hebben gesteld en de Staat reeds nu te kennen heeft gegeven in dat kader niet de ontvankelijkheid van daarmee samenhangende vorderingen te zullen betwisten, staat de omstandigheid dat de beklagprocedure tot op heden daarop nog geen betrekking heeft, niet in de weg aan het krijgen van tijdige voorziening in de beklagprocedure.

4.8.

Daar komt bij dat [eiser] als gevolg van de door hem gevreesde waardevermindering van de auto’s kennelijk geen groot financieel risico loopt. De totale waarde van de auto’s is geschat op ongeveer € 1.000.000,--, terwijl de vordering van [eiser] , die hij door middel van zijn pandrecht op de auto’s heeft verzekerd, in totaal niet hoger lijkt te zijn dan de helft van dat bedrag. De waarde van de verpande auto’s lijkt dus voorshands de waarde van de vordering ruimschoots te overtreffen.

4.9.

Staan blijft dat in de strafrechtelijke beklagprocedure geen ruimte is voor een oordeel over de tot het civiele domein behorende rechtmatigheid van de pauliana. Nog afgezien van het feit dat de daarop ziende bevoegdheden, zoals neergelegd in artikel 94d Sv naar het zich laat aanzien slechts kunnen worden uitgeoefend als sprake is van een beslag ex artikel 94a, terwijl de Staat stelt dat beslag ex artikel 94 Sv is gelegd, kunnen de op de pauliana betrekking hebbende vorderingen van [eiser] , te weten de vorderingen 4 tot en met 6, in dit kort geding niet worden toegewezen, reeds omdat zij zijn gevorderd in de vorm van een verklaring voor recht, die in kort geding niet toepasbaar is. Het behoort niet tot de bevoegdheid van de rechter in kort geding om zodanige uitspraken te doen (Hoge Raad,

2 april 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB6891).

4.10.

Een en ander leidt tot de slotsom dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen 1 en 2 en dat het onder 4 tot en met 6 gevorderde dient te worden afgewezen. Ook het onder 3 gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien [eiser] geen rechtsgrond heeft benoemd die zou moeten leiden tot toewijzing van die vordering.

4.11.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in het onder 1 en 2 gevorderde,

5.2.

wijst het onder 3 tot en met 6 gevorderde af,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten met bepaling dat indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn betaald, daarover de wettelijke rente is verschuldigd vanaf dat moment tot aan de dag der algehele voldoening. De kosten aan de zijde van de Staat worden tot op deze uitspraak begroot op € 1.435,00,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek en in het openbaar uitgesproken op

11 augustus 2016.1

1 type: coll: