Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:3052

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
C/08/175632 / HA ZA 15-446
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. Vordering uit onrechtmatige daad. Politieoptreden.

Eisers stellen dat ondergeschikten van de politie bij het schietincident zodanige fouten hebben gemaakt dat sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW, zodat de politie hiervoor aansprakelijk is op grond van artikel 6:170 BW.

De rechtbank heeft nog vragen over het inschakelen van het arrestatieteam. De rechtbank stelt de politie in de gelegenheid zich bij akte over die vragen uit te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/175632 / HA ZA 15-446

Vonnis van 27 juli 2016

in de zaak van

1 [eiseres 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats 1] ,

eiseressen,

hierna ook te noemen ‘ [eiseres 1] ’ en ‘ [eiseres 2] ’

advocaat mr. M.R. Dessing te Amersfoort,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE NATIONALE POLITIE REGIONALE EENHEID OOST,TWENTE,

zetelend te Enschede,

gedaagde,

advocaat mr. A.T. Bolt te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiseres 1] / [eiseres 2] en de politie genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 20 januari 2016;

de akte producties d.d. 1 april 2016 van [eiseres 1] / [eiseres 2] ;

het proces-verbaal van comparitie van 18 april 2016, welk proces-verbaal is opgemaakt in afwezigheid van de partijen;

de brief d.d. 2 mei 2016 van de politie;

de brief d.d. 25 april 2016 van [eiseres 1] / [eiseres 2] .

1.2.

Deze laatste twee brieven zijn aan het proces-verbaal van de zitting gehecht.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] is de echtgenoot van [eiseres 1] en stiefvader van [eiseres 2] , hierna te noemen ‘ [A] ’. Op 6 juli 2007 heeft hij ’s avonds een paniekaanval gekregen in de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] .

2.2.

Nadat [eiseres 1] de huisarts hierover had gebeld, zag zij dat [A] een pistool in zijn hand had. Hierop heeft zij opnieuw contact opgenomen met de huisarts. De huisarts heeft vervolgens contact opgenomen met de politie, waarna de politie arriveerde bij de woning aan de [adres] te [woonplaats 2] .

2.3.

Nadat de politie was gearriveerd, zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] de woning uit gelopen richting de politie. [A] bleef in de woning achter.

2.4.

Na verloop van tijd kwamen verschillende politiefunctionarissen ter plaatse, waaronder de chef van dienst [B] , de agenten [C] en [D] met hun politiegeleidehonden en commissaris [E] .

2.5.

Toen [A] aan de achterzijde de woning verliet, door de poort liep en in het pad daarachter kwam en in de richting van agent [C] liep, heeft [C] de politiegeleidehond op hem afgestuurd. De politiegeleidehond is op [A] afgerend, maar heeft hem niet vastgepakt of gebeten. [A] liep vervolgens - met een pistool in zijn hand - verder in de richting van agent [C] . Nadat agent [C] [A] gewaarschuwd had om zich over te geven, heeft hij hem, omstreeks 22.30 uur, in zijn (linker)borst geschoten. [A] is als gevolg van het schot overleden.

2.6.

De Rijksrecherche heeft een onderzoek ingesteld naar het voormelde schietincident.

2.7.

Op 14 maart 2008 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] beklag gedaan ex artikel 12 Sv tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om agent [C] niet strafrechtelijk te vervolgen. A-G mevrouw mr. I.W.E. Gonzales heeft in haar advies van 13 juni 2008 geadviseerd tot gegrondverklaring van het beklag. De Hoofdofficier van Justitie van het Arrondissementsparket Almelo heeft in zijn ambtsbericht van

18 juni 2008 betoogd dat het beklag ongegrond verklaard moest worden. Het Hof Arnhem heeft op 21 januari 2009 het beklag afgewezen.

2.8.

Op 28 september 2009 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] beklag gedaan ex artikel 12 Sv tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om commissaris [E] niet strafrechtelijk te vervolgen. Het Hof Arnhem heeft op 4 oktober 2010 het beklag afgewezen. Het hof heeft daarbij onder meer het volgende overwogen (productie 5 bij conclusie van antwoord):

“Beklaagde had mogelijk sneller informatie kunnen inwinnen en eerder om de inzet van een arrestatieteam kunnen verzoeken. Het feit dat beklaagde dit niet heeft gedaan, kan achteraf gezien beoordeeld worden als een mogelijke inschattingsfout. Dat beklaagde de situatie aanvankelijk mogelijk verkeerd heeft ingeschat, is echter, naar het oordeel van het hof, onvoldoende om te kunnen spreken van een grove, dan wel aanmerkelijke, nalatigheid of onzorgvuldigheid van de kant van beklaagde, hetgeen voor een succesvolle vervolging wegens dood door schuld vereist is, zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de eisen die aan beklaagde gesteld mogen worden, gelet op zijn functie als leidinggevende bij de politie. Evenmin leidt dat ertoe dat het – noodlottige – gevolg, te weten de dood van [A] , aan beklaagdes handelen of nalaten kan worden toegerekend. Het hof is derhalve van oordeel dat de officier van justitie in deze een juiste beslissing heeft genomen, hoezeer het hof ook begrijpt dat deze beslissing voor klaagsters moeilijk te accepteren zal zijn.”

2.9.

Op 18 januari 2010 heeft een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden, waarbij [eiseres 1] , de agenten [F] , [C] en [E] en de huisarts [G] gehoord zijn als getuigen.

2.10.

Op 13 juni 2014 is namens [eiseres 1] en [eiseres 2] een brief aan de politie gestuurd ter stuiting van de verjaring ex artikel 3:317 BW van de (vermeende) rechtsvordering tot schadevergoeding ter zake het voormelde schietincident en het overlijden van [A] .

2.11.

Bij brief van 18 september 2014 heeft de politie de aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres 1] en [eiseres 2] vorderen samengevat - uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:

  1. voor recht verklaart dat de politie aansprakelijk is voor de dood van [A] , althans aansprakelijk is voor de dientengevolge door [eiseres 1] en [eiseres 2] geleden en nog te lijden schade;

  2. de politie veroordeelt om aan [eiseres 1] en [eiseres 2] alle geleden en nog te lijden schade, kosten en interesten, als gevolg van het overlijden van [A] te vergoeden, nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans de dag van dagvaarding;

onder veroordeling van de politie in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met rente.

3.2.

[eiseres 1] en [eiseres 2] stellen dat ondergeschikten van de politie bij het voormelde schietincident zodanige fouten hebben gemaakt dat sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW, zodat de politie hiervoor aansprakelijk is op grond van artikel 6:170 BW.

3.3.

Agent [C] heeft artikel 7 van de Ambtsinstructie geschonden. Hij had niet mogen aannemen dat het vuurwapen van [A] voor onmiddellijk gebruik gereed was, omdat onbekend was of het wapen geladen was. Tevens was de situatie niet dusdanig gevaarlijk dat hij op de borst moest schieten. De afstand tussen agent [C] en [A] was groot, zodat agent [C] had kunnen weglopen. Tevens had [A] al geroepen dat hij zich overgaf. Agent [C] heeft geen weloverwogen beslissing genomen, maar in paniek geschoten. Hij werd ook niet aangestuurd door de leiding en had zelf geen contact gehad met de leiding.

3.4.

Artikel 8 Besluit Beheer Regionale Politiekorpsen (BBRP) is geschonden, omdat niet tijdig een arrestatieteam is ingeschakeld. Commissaris [E] had geen mobilofoon of portofoon, zodat hij onnodig laat op de hoogte was van de relevante informatie. Hij had al om 21.15 uur alle benodigde informatie kunnen hebben om te besluiten om een AT in te zetten.

3.5.

Tevens was de ingezette geleidehond ongeschikt voor de situatie. Bij de laatste test had de hond niet goed gereageerd en in de onderhavige situatie reageerde de hond ook niet goed. Indien de hond wel de bevelen had opgevolgd, dan was het niet nodig geweest om op [A] te schieten.

3.6.

De politie heeft door het schieten artikel 2 van het EVRM geschonden. Het optreden van de politie is in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste. Het AT is te laat ingezet, de politie was slecht georganiseerd, commissaris [E] was onnodig laat op de hoogte van de relevante omstandigheden, het was onduidelijk wie de leiding had, de omgeving is onvoldoende prikkelarm gemaakt, er is onnodig geschreeuwd naar [A] , er stonden onnodig bewoners op straat, er werden onduidelijke bevelen naar hem geroepen, hij had al gezegd dat hij zich overgaf en er is onnodig op vitale lichaamsdelen geschoten.

3.7.

Het is in voldoende mate aannemelijk dat als de aanwezige politie anders had gehandeld en een AT tijdig was ingezet de situatie anders was afgelopen. Mocht de rechtbank oordelen dat het causaal verband niet in redelijke mate van waarschijnlijkheid vaststaat, dan wordt subsidiair een beroep gedaan op de omkeringsregel en meer subsidiair op proportionele aansprakelijkheid.

3.8.

Door het overlijden van [A] hebben [eiseres 1] en

[eiseres 2] schade geleden in de zin van gederfde inkomsten, kosten lijkbezorging en shockschade. Omdat het vaststellen van de precieze omvang van de schade nog de nodige tijd zal vergen, is verwijzing naar de schadestaat procedure gevorderd.

3.9.

De politie voert verweer.

3.10.

De politie betwist dat haar ondergeschikten bij het schietincident onrechtmatig hebben gehandeld.

3.11.

Het Arrestatieteam (AT) is tijdig geregeld. Op grond van het toenmalige artikel 8 BBRP is het inzetten van een AT gerechtvaardigd indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen. Er moet dus eerst deugdelijk worden vastgesteld of sprake is van een situatie die de inzet van het AT rechtvaardigt. Bovendien moet de hoofdofficier van Justitie toestemming geven voor de inzet en bestaat er geen verplichting tot het inzetten van een AT. Er is sprake van beleids- en beoordelingsvrijheid, zodat het besluit tot het al dan niet inzetten van een AT terughoudend getoetst moet worden.

3.12.

In casu hebben de daartoe bevoegde personen, commissaris [E] en agent [B] , vanaf het moment dat zij konden oordelen dat er levensbedreigende omstandigheden voor de politie of anderen waren, het AT ter plaatse geroepen. Voorafgaand aan dit moment stond nog onvoldoende vast dat sprake was een dergelijke levensbedreigende situatie.

3.13.

Voorts betwist de politie dat er causaal verband bestaat tussen het vermeende te laat inzetten van het AT en het overlijden van [A] . Op zijn vroegst had [E] om 21.40 uur een waarschuwing voor een AT kunnen laten uitgaan en de aanrijtijd voor een volledig AT is ongeveer een uur. Zelfs als het AT eerder aanwezig was geweest, had zij, gelet op het vuurwapen van [A] , eveneens op afstand moeten blijven en moeten schreeuwen om met hem te kunnen communiceren. Dat had niet minder prikkels veroorzaakt. Voor zover het mogelijk was, heeft de politie ter plaatse de prikkels zo veel mogelijk beperkt. Het was echter onvermijdelijk dat er veel politie ter plaatse was, omdat voorkomen moest worden dat [A] de wijk in zou lopen.

3.14.

De omkeringsregel is niet van toepassing. Er is door de politie geen norm overschreden. Bovendien strekt het al dan niet inzetten van een AT niet specifiek tot voorkoming van het ontstaan van schade aan de vuurwapengevaarlijke verdachte en is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de vermeende normschending het specifieke gevaar waartegen de norm beoogt te beschermen in het leven heeft geroepen. Evenmin bestaat er grond voor proportionele aansprakelijkheid.

3.15.

Agent [C] heeft gehandeld overeenkomstig de Ambtsinstructie en er was sprake van onmiddellijk dreigend gevaar voor aantasting van eens anders lijf. Op basis van de informatie van [eiseres 1] en de huisarts mocht de politie er vanuit gaan dat [A] beschikte over een vuurwapen en een voormalig BBE-er was. Ter plaatse is ook gezien dat hij een vuurwapen had. Dat achteraf gebleken is dat hij geen oud BBE-er was en het vuurwapen niet geladen was, doet niet ter zake. Relevant is de destijds bekende informatie. Er is gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift en/of noodweer, zodat sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de zin van 6:162 BW.

3.16.

[A] heeft de hem meermaals gegeven bevelen niet opgevolgd en bleef met zijn wapen in de hand doorlopen. Omdat agent [C] in de veronderstelling was dat hij een oud BBE-er was, kon agent [C] zich niet permitteren een waarschuwingsschot te lossen of hem alleen in de benen te schieten. Hij had geen andere keuze dan hem in één keer uit te schakelen. Indien het beroep op noodweer niet gehonoreerd wordt, dan is sprake van noodweerexces, hetgeen een schulduitsluitingsgrond is, zodat de schuld in de zin van artikel 6:162 lid 3 BW ontbreekt.

3.17.

De organisatie van het optreden van de politie was deugdelijk en het was wel degelijk duidelijk wie de leiding had.

3.18.

De politiegeleidehond was op 6 april 2007 goed in vorm en agent [C] en de hond waren goed getraind voor situaties als de onderhavige. De hond heeft niet gebeten, omdat [A] op dat moment rustig stond met zijn armen naar beneden. Een geleidehond mag dan niet bijten. Toen de hond van hem afliep deed [A] zijn arm omhoog en richtte zijn wapen op agent [C] .

3.19.

Artikel 2 van het EVRM is niet geschonden, omdat de politie bevoegd is geweld aan te wenden als dit geweld absoluut noodzakelijk is. Het in casu toegepaste geweld was, gelet op de omstandigheden, absoluut noodzakelijk en er is voldaan aan het proportionaliteits- en subsidiariteitsvereiste. Uit de brief van het EHRM d.d. 18 oktober 2012 volgt ook dat het EHRM in deze zaak geen aanwijzingen zag voor schending van het EVRM.

3.20.

Tot slot doet de politie een beroep op eigen schuld van [A] in de zin van artikel 6:101 BW juncto 6:108 lid 3 BW en betwist zij dat [eiseres 1] en [eiseres 2] schade in de zin van 6:108 BW hebben geleden.

3.21.

Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben gesteld dat ondergeschikten van de politie bij het schietincident op 6 juli 2007 zodanige fouten hebben gemaakt dat sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW.

4.2.

[eiseres 1] / [eiseres 2] hebben aangevoerd dat de politie artikel 8 Besluit Regionale Politiekorpsen (BBRP) heeft geschonden, omdat de politie niet tijdig een arrestatieteam had ingeschakeld. Dit artikel is inmiddels vervallen maar gold wel op het moment van het schietincident. Dit artikel bepaalt:

1 Het regionale politiekorps beschikt, zelfstandig of samen met een of meer andere regionale politiekorpsen, over een eenheid die uitsluitend tot taak heeft, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat levensbedreigende omstandigheden tegen de politie of anderen dreigen, de volgende werkzaamheden uit te voeren:

a. het verrichten van planmatige aanhoudingen,

b. het bewaken en beveiligen van politie-infiltranten,

c. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van het transport van getuigen, verdachten of gedetineerden,

d. het assisteren bij het bewaken en beveiligen van objecten en

e. andere werkzaamheden waarvoor toestemming is verkregen van Onze Ministers.

2 Onze Minister geeft regels over het beheer van de eenheid, bedoeld in het eerste lid. Indien deze regels voorschriften bevatten die aan de organisatie van de eenheid moeten worden gesteld, worden zij gegeven door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Justitie.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben in dit kader het volgende aangevoerd. Genoemd artikel bepaalt dat een speciale eenheid moet optreden wanneer er ‘levensbedreigende omstandigheden zijn voor de politie of anderen’. De verdachte valt daar ook onder. [eiseres 1] en [eiseres 2] verwijzen naar de Circulaire Aanhoudings- en ondersteuningseenheden (AOE’s), productie 9 bij akte indienen producties. Om 21:15 uur was van een dergelijke levensbedreigende omstandigheid sprake. Toen had de politie een AT moeten inschakelen. [eiseres 1] en [eiseres 2] verwijzen naar het oordeel van Advocaat-Generaal Gonzales (productie 2 bij dagvaarding).

Voorts verwijzen [eiseres 1] en [eiseres 2] naar de verklaringen van de drie onderhandelaars, de verklaring van agent [H] en agent [L] .

De politie heeft in dit kader het volgende aangevoerd. De inzet van een AT is een zwaar en uiterste geweldsmiddel en moet goed van tevoren onderzocht worden. Er bestaat voor de politie geen verplichting om een AT in te zetten. De situatie was op die avond om 21:15 uur onder controle. [A] was in de woning. [eiseres 1] en [eiseres 2] waren in veiligheid buiten de woning. De woning was afgezet en er was voldoende politie ter plaatse. Om 21:44:51 uur hebben de aanwezige politieagenten voor het eerst gezien dat [A] een vuurwapen in zijn handen had en dat hij dat op de plaatselijke politie richtte. Er is toen een voorwaarschuwing voor een AT uitgegaan. Er is hierdoor geen tijd verloren. De formele inzet kon nadien nog geregeld worden. De politie verwijst naar het ambtsbericht van de Hoofdofficier van Justitie te Almelo van 18 juni 2008 en naar de beslissing van het Hof Arnhem in zijn beslissing van 4 oktober 2014 in de beklagprocedure ex artikel 12 Sv.

Volgens de politie is er geen causaal verband tussen het mogelijk te laat inzetten van het AT en het overlijden van [A] . Het aanrijden van het volledige AT en de daadwerkelijke inzet van het AT vergt gemiddeld een uur. Het AT was sowieso te laat aanwezig geweest. Maar ook als het AT wel op tijd aanwezig zou zijn geweest, is het de vraag of het AT het schietincident had kunnen voorkomen.

4.3.

De politie heeft een discretionaire bevoegdheid om een AT in te schakelen. Partijen zijn het erover eens dat er in deze zaak een AT ingeschakeld moest worden. Partijen zijn echter verdeeld over de vraag of de politie het AT tijdig heeft ingeschakeld. Aangezien de rechtbank over het inschakelen van het AT nog vragen heeft, wil de rechtbank eerst nader geïnformeerd worden. De rechtbank zal de politie in de gelegenheid stellen om zich bij akte over de volgende vragen van de rechtbank uit te laten:

1 Wanneer had het AT ingeschakeld moeten worden?

Volgens [eiseres 1] was dat om 21:15 uur. De politie heeft in dit kader aangevoerd dat dit op zijn vroegst om 21:40 uur het geval was. De rechtbank verzoekt aan de politie om deze stelling bij akte nader te onderbouwen. De rechtbank verzoekt aan de politie om in ieder geval in te gaan op de volgende deelvragen/constateringen:

  • -

    Aan welke voorwaarden voor het oproepen van een AT was op dat moment (21:40 uur) voldaan? En in hoeverre waren aan die voorwaarden om 21:15 uur nog niet voldaan?

  • -

    In het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 0011 e.v. van het rechercheonderzoek, productie bij dagvaarding) wordt de inzet van een AT al eerder geopperd, dus ook al vóór het moment dat door de politie zelf het vuurwapen was gezien. Dit blijkt ook uit de verklaringen van de agenten [H] , [L] , [F] , [X] , [Y] en [B] , en uit de verklaringen van politieonderhandelaar en AT (zie rechercheonderzoek, productie 1 bij dagvaarding).

2. Wanneer is het AT, al dan niet door middel van een voorwaarschuwing, opgeroepen is.

Commissaris [E] heeft in dit kader het volgende verklaard (pag. 0323 van het rechercheonderzoek, productie 1 bij dagvaarding):

“Ik herinner mij dat ik om 21.59 uur een telefonisch gesprek voerde met een onderhandelaar. (…)

Ik kreeg toen te horen dat de onderhandelaar te ver weg was van [plaats] en hij deelde mij mede dat er met mij contact opgenomen zou worden door een andere onderhandelaar.

Ik denk dat het ongeveer 5 minuten duurde voordat ik gebeld werd door de 2e onderhandelaar. Ik voorzag hem van informatie betreffende de situatie ter plaatse en hij gaf mij de informatie om er voor te zorgen dat de verdachte niet geprikkeld zou worden zodat hij zoveel mogelijk rustig zou blijven.

Hij deelde mij uit ervaring mee dat de verdachte zonder prikkels rustiger zou worden.

De onderhandelaar deelde mij mede dat hij ter plaatse zou komen en zei mij voorts dat als hij optreedt dit altijd is met assistentie van het AT. Hij zou contact leggen met het AT en dit ter plaatse vragen. Hij zou contact opnemen met de chef van het AT.”

De 2e onderhandelaar heeft het volgende verklaard (pagina’s 282 en 283 van het rechercheonderzoek, productie 1 bij dagvaarding):

“Ik meen me te herinneren dat ik achteraf rond 22.10 uur voor de eerst ben gebeld. Ik ben gebeld door TC-069. Dit is mijn collega onderhandelaar in Twente. Hij was enkele minuten voor dat hij mij belde gebeld.

(…)

Op verzoek van TC-069 heb ik contact opgenomen met [E] .

(…)

Toen mij bleek dat er geen telefoon in de woning aanwezig was werd mij duidelijk dat er mogelijk face to face onderhandeld moest worden. Als dit gebeurd is de regel dat er een arrestatieteam, nader te noemen AT, ter plaatse is. Ik vroeg [E] of het AT er al was. Dit was nog niet ter plaatse en er was ook geen AT in kennisgesteld.

Ik kwam met [E] overeen dat hij het formele traject voor de toestemming inzet AT zou regelen. Ik zou het informele traject doen en het AT al een vooraankondiging doen zodat zij vast zouden kunnen afreizen.

Ik heb gebeld met een teamchef van het AT-Oost. Ik heb hem aangegeven dat ik onderweg was naar en klus en dat zij mogelijk ook ter assistentie zouden moeten komen. Van de teamchef moest ik een andere teamchef bellen. Ik heb wel contact gezocht met de andere teamchef doch ik kon geen contact met hem krijgen. Uiteindelijk heb ik gebeld met een AT-lid en hij heeft de AT lijnen toen uitgezet. Ik besprak met hem de casus en vertelde dat er ook mogelijke inzet van het AT gewenst zou zijn. Ik heb hem aangegeven dat [E] de leidinggevende man ter plaatse was. In het kort hebben wij de opzet besproken hoe wij zouden optreden.

Dit AT-lid zou met een collega AT-lid ter plaatse gaan en zij zouden een voorverkenning doen van de situatie ter plaatse. Tijdens het gesprek bleek mij dat die 2 AT-ers vermoedelijk eerder ter plaatse zouden zijn als ik.

Tijdens mijn aanrijden heb ik contact gekregen met een politieonderhandelaar van de politieregio IJsselland. Hij en ik zouden ter plaatse gaan. Ik heb nog ingesproken bij een onderhandelaar van de politieregio Gelderland. Die persoon is uiteindelijk niet ter plaatse gekomen.

Voor dat ik ter plaatse kwam belde [E] mij. Hij vertelde mij dat de AT inzet geformaliseerd was en dat er een ring politiemensen rondom de woning was. Tijdens dit gesprek vertelde ik hem dat er een informele lijn naar het AT was gelegd en dat de collegae die ter plaatse zouden komen zich bij hem zouden melden. Ik heb een medewerker van het AT gemeld dat de toestemming voor de AT inzet geformaliseerd was. Naar aanleiding van dit bericht ging ik er vanuit dat er een volledige AT ter plaatse zou komen hetgeen gebruikelijk is. Met het AT lid dat ik belde nam ik de strategie nog even door zoals ik dacht dat er opgetreden zou moeten worden. Dit was een procedure die wij al eerder hadden toegepast. Hij was het met die vooropgezette strategie eens.

Ongeveer 20 minuten nadat ik voor het eerst was gebeld kwam ik ter plaatse. Ik kwam aanrijden via het [----] . Ik zag dat er een ruime afzetting was gecreëerd. Ik wist niet waar de bewuste woning van de verdachte was.

Mijn collega onderhandelaar uit IJsselland en ik parkeerden onze auto’s op de [straat] . Achteraf bleek dat wij parkeerden nabij de woning van de verdachte.

Ik sprak toen een vrouwelijke politieagente aan en maakte mij kenbaar als onderhandelaar. Zij vertelde toen direct dat de verdachte zojuist was neergeschoten. Ik baalde toen vreselijk en vroeg mij af of dit zo had moeten zijn. Dit was mijn eerste reactie”

Uit deze verklaringen blijkt dat de voorwaarschuwing rond 22:15 uur moet hebben plaatsgevonden. In het Proces-verbaal bevindingen (pag. 0013 van het rechercheonderzoek, productie 1 bij dagvaarding) staat echter dat er om 21:41.21 uur een voorwaarschuwing naar het AT is uitgegaan om te kijken of [A] uit de woning is te halen. De rechtbank verzoekt aan de politie om zich hierover uit te laten.

De rechtbank verzoekt aan de politie om in dit kader tevens in te gaan op hetgeen het Hof Arnhem hierover in zijn uitspraak van 4 oktober 2010 (productie 5 bij conclusie van antwoord, waarbij commissaris [E] beklaagde is):

“Nadat beklaagde omstreeks 22.10 uur ter plaatse is aangekomen, krijgt hij aanvullende informatie van [B] . Op basis van deze informatie besluit beklaagde dat de inzet van een arrestatieteam noodzakelijk is. Hij belt om 22.26 uur de officier van justitie. Terwijl beklaagde telefonisch met de officier van justitie aan het overleggen is, escaleert de situatie en wordt [A] neergeschoten.”

3. Valt het moment dat de voorwaarschuwing voor het AT is uitgegaan gelijk met het moment dat het AT ingeschakeld had moeten worden?

Als dat niet het geval is, verzoekt de rechtbank aan de politie om dat uit te leggen. De rechtbank verzoekt aan de politie om in dit kader ook de volgende verklaringen van commissaris [E] mee te nemen (pagina’s 0013, 0324 en 0325 van het rechercheonderzoek, productie 1 bij dagvaarding):

“21.41.33 01.18 (…) [E] heeft het idee dat er een voorwaarschuwing naar het AT uit moet. [E] vraagt zich af hoe dit moet. (…)”

en

“Ik had geen portofoon of mobilofoon ter beschikking. Nu achteraf ervaar ik dit als een nadeel. Ik kreeg hierdoor te weinig informatie. Als ik wel aanvullende informatie had gekregen had ik mogelijk eerder om de inzet van een AT gevraagd.”

en

“Ik was niet op de hoogte van het feit dat de melding gedaan was door de huisarts en dat de huisarts gesproken had met collegae die al een uur eerder ter plaatse waren gekomen. Ik was van mening dat de echtgenote de politie gewaarschuwd had.

Ik meende dat ik die operationele informatie nodig had om de onderhandelaar later te kunnen berichten over de toestand van de verdachte. Ik heb dit ook gedaan omdat [Z] bij voortduring bezig was met het berichtenverkeer.”

4 Wanneer was het AT ter plaatse aanwezig?

Uit het proces-verbaal van bevindingen (pag. 0015 van het rechercheonderzoek, productie 1 bij dagvaarding) blijkt dat het AT om 22.28.19 uur was. Klopt dit?

5 Was het AT toen compleet?

Als het AT nog niet compleet was, wat was daar dan de oorzaak van? Behoren de zogenaamde onderhandelaars tot het AT?

6 Hoe groot was dit AT?

7 Hoe lang was de aanrijdtijd van dit AT?

8 Wat had het AT gedaan als zij eerder aanwezig was geweest?

Was het AT dan direct in actie gekomen? De rechtbank verzoekt aan de politie om hierbij ook de volgende verklaring van onderhandelaar TC-068 in ogenschouw te nemen (pagina 0285 van het rechercheonderzoek, productie 1 bij dagvaarding):

“Op enig moment vond ik dat ik moest inbreken bij de leidinggevenden. Ik heb daar toen gezegd dat ik daar sprak namens de onderhandelaars Noord Oost Nederland en namens het AT. Ik heb gezegd dat ik vond dat wij vrij laat gebeld zijn. Ook heb ik gezegd dat indien wij eerder gebeld waren de casus mogelijk anders was afgelopen. Als wij eerder gebeld waren geweest, dan had je wel de mogelijkheden die politie Nederland heeft, kunnen benutten. Nu was dit niet gebeurd. Ik heb aangegeven dat onderhandelaars anders met een verdachte praten dan een man uit de surveillance dienst. Wij proberen de man verbaal te bereiken en op zijn gevoel te erken, terwijl de politieman roept volgens de IBT opleiding. Dus “Leg neer dat wapen” en “Handen omhoog”. Wij zouden eerder praten over zijn sociale en gezinssituatie om op die manier hem te bereiken. Dit is een hele andere benadering, waarin wij in de opleiding als onderhandelaars worden getraind.”

4.4.

Nadat de politie haar akte heeft genomen, zal de rechtbank [eiseres 1] en [eiseres 2] in de gelegenheid stellen om op de akte van de politie te reageren.

4.5.

De rechtbank zal verder iedere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

Stelt de politie in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over de vragen die door de rechtbank zijn geformuleerd in rechtsoverweging 4.3. en verwijst de zaak hiertoe naar de civiele rolzitting van deze rechtbank, team kanton en handelsrecht, locatie Almelo van woensdag 10 augustus 2016.

5.2.

Houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Margadant, mr. G.G. Vermeulen en mr. A.N. Kok en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2016.