Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:300

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
04-02-2016
Zaaknummer
C/08/179076 / KG ZA 15-369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil, afspraken tot betaling nagekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2016/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/179076 / KG ZA 15-369

Vonnis in kort geding van 2 februari 2016

in de zaak van

[J] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. G.M. Tiddens te Groningen,

tegen

[V] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.A. Bos te Zwolle.

Partijen zullen hierna [J] en [V] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 16

  • -

    het herstelexploot

  • -

    de productie 17 van [J]

  • -

    de producties 1 tot en met 10 van [V]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [J]

  • -

    de pleitnota van [V] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn broer en zus van elkaar.

2.2.

Medio 2013 heeft [V] een vordering tegen [J] ingesteld ter zake van haar (vermeende) aanspraken uit de verrekeningsclausule, zoals die is opgenomen in een notariële akte 'Ontbinding maatschap/bedrijfsoverdracht' d.d. 12 juli 2001.

2.3.

Na daartoe verleend verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft [V] – onder meer – conservatoir derdenbeslag ten laste van [J] gelegd onder de ABN Amro Bank.

2.4.

Op 9 juni 2015 heeft het Nederlands Arbitrage Instituut tussen partijen arbitraal eindvonnis (NAI 4176) gewezen, waarbij de vorderingen van [V] zijn afgewezen en [J] uit hoofde van de kostenveroordeling is veroordeeld tot betaling van € 51.824,71 aan [V] .

2.5.

Mr. J.M. van Rongen, advocaat te Heerenveen, heeft [V] bijgestaan in de arbitrageprocedure. [J] werd bijgestaan door zijn huidige advocaat, mr. Tiddens.

2.6.

Bij brief van 25 juni 2015 heeft mr. Van Rongen mr. Tiddens verzocht het ertoe te leiden dat het bedrag van € 51.825,74 vóór 2 juli 2015 op de derdenrekening van zijn kantoor is bijgeschreven.

2.7.

Mr. Van Rongen en mr. Tiddens hebben over en weer gecorrespondeerd over de hoogte van het te betalen bedrag, de opheffing van de gelegde beslagen en de wijze van betaling.

2.8.

Op 9 juli 2015 heeft [J] een bedrag van € 51.824,71 overgemaakt naar de derdengeldrekening van mr. Tiddens (Stichting Beheer Derdengelden BoutOveres Advocaten, hierna: de Stichting).

2.9.

Mr. Tiddens heeft op 13 juli 2015 het volgende aan mr. Van Rongen bericht:

“(…) Het verschuldigde bedrag ad € 51.824,71 staat op mijn derdengeldrekening. Dit bedrag kan één dezer dagen naar uw derdengeldrekening overgeboekt worden. Het zal door u vervolgens eerst kunnen worden vrijgegeven nadat hiervoor mijnerzijds toestemming wordt gegeven. Deze toestemming verleen ik indien en zodra ik beschik over bescheiden waaruit blijkt dat de door u namens uw cliënte gelegde beslagen zijn opgegeven. (…)”

2.10.

[V] heeft op 15 juli 2015 aan mr. Tiddens meegedeeld dat haar samenwerking met mr. Van Rongen is beëindigd.

2.11.

Op 16 juli 2015 heeft mr. Van Rongen het volgende aan mr. Tiddens meegedeeld:

“(…) Inmiddels is er ruis ontstaan tussen mij en mevrouw [V] over de bestemming van het door uw cliënt te betalen bedrag en zoals het er nu naar uit ziet, treed ik op dit moment niet meer op als haar advocaat.

In de tussentijd verzoek ik u niet tot betaling van het bij uw kantoor gedeponeerde bedrag over te gaan.

Ik kan de beslagen pas (laten) opheffen nadat ik daarvoor van mevrouw [V] de opdracht heb gekregen en die opdracht heb ik op dit moment niet. (…)”

2.12.

Op of omstreeks 17 juli 2015 heeft de mr. Van Rongen ten laste van [V] onder de Stichting conservatoir beslag laten leggen, voor zover deze stichting gelden onder zich heeft die bestemd zijn voor [V] . In de door de Stichting afgelegde derdenverklaring is aangegeven dat het beslag een bedrag van € 51.824,71 heeft getroffen.

2.13.

Deze rechtbank heeft op 14 augustus 2015 verlof tot tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis van 9 juni 2015 verleend. Het vonnis is op 24 augustus 2015 aan [J] betekend.

2.14.

[V] heeft uit hoofde van de executie van het arbitraal vonnis een bedrag van € 10.989,25 geïncasseerd bij de ABN Amro Bank.

2.15.

[J] heeft [V] in kort geding gedagvaard en gevorderd dat zij – kort gezegd – zal worden veroordeeld om over te gaan tot opheffing van de door haar gelegde beslagen. Deze vordering is op 6 oktober 2015 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank toegewezen, waarna [V] de beslagen heeft opgeheven.

2.16.

Mr. Van Rongen heeft op 17 november 2015 het volgende aan mr. Tiddens bericht:

“(…) Na mijn verzoeken tot betaling van het bedrag van € 51.824,71 (…) op de derdenrekening van mijn kantoor hebben wij onderhandeld over de uitbetaling van voornoemd bedrag en de voorwaarden waaronder het bedrag zou worden betaald. Het ging daarbij met name om de vraag of de beslagen die namens mevrouw [V] ten laste van uw cliënt waren gelegd eerst dienden te worden opgeheven, of dat er eerst betaald diende te worden.

In het kader van de gevoerde onderhandelingen vond storting van het bedrag op de derdenrekening van uw kantoor plaats, opdat het bedrag daarmee uit het vermogen van de heer [J] was en er bij mevrouw [V] geen vrees meer behoefde te bestaan dat [J] in het voorkomende geval niet tot betaling zou overgaan.

Op 9 juli 2015 werd het bedrag op uw derdenrekening gestort. Alle partijen namen vanaf dat moment aan dat de stichting Stichting Beheer Derdengelden BoutOveres Advocaten een bedrag van € 51.825,71 onder zich had dat bestemd was voor mevrouw [V] .

Dit werd ook bevestigd door middel van de derdenverklaring die werd afgegeven nadat op voornoemd bedrag namens mijn kantoor conservatoir beslag werd gelegd. In mijn optiek was de betaling van het geldbedrag op de derdenrekening van uw kantoor aldus een tussenstap die vooraf ging aan doorbetaling van dat bedrag (of een zeer substantieel deel daarvan) naar de derdenrekening van mijn kantoor. Het conservatoir derdenbeslag heeft dit doorkruist. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[J] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, [V] zal veroordelen:

I. de executie van het arbitraal vonnis van 9 juni 2015 te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, dan wel een dwangsom ter grootte van een bedrag dat de voorzieningenrechter in goede justitie zal bepalen, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [V] nalatig blijft om aan dit vonnis te voldoen;

II. tot betaling aan [J] van het ten onrechte door haar geïncasseerde bedrag ad € 10.989,25, vermeerder met de daarover te berekenen wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan die der algehele voldoening;

III. tot betaling van de proceskosten.

3.2.

[V] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Dat [J] een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening tot staking van de executie is genoegzaam aannemelijk geworden.

4.2.

De voorzieningenrechter kan de tenuitvoerlegging van een vonnis slechts schorsen in geval van misbruik van bevoegdheid. Hiervan kan sprake zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk een noodtoestand doen ontstaan voor de geëxecuteerde, op grond waarvan een onverwijlde tenuitvoerlegging onaanvaardbaar is. Een geval waarin betaling wordt afgedwongen op grond van een niet op een kennelijke misslag berustende uitspraak, terwijl vaststaat dat reeds was betaald, houdt eveneens misbruik van bevoegdheid in (HR 22 december 2006, NJ 2007/173).

4.3.

Dat het arbitraal vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag zou berusten, is in dit geding niet door [J] gesteld. Evenmin is aangevoerd dat sprake is van na het vonnis opgekomen feiten die klaarblijkelijk voor [J] een noodtoestand doen ontstaan.

4.4.

Het betoog van [J] komt erop neer dat [V] door de tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis misbruik van bevoegdheid maakt, omdat [J] het bedrag van € 51.824,71 overeenkomstig de tussen partijen gemaakte afspraken heeft overgemaakt naar de derdengeldrekening van mr. Tiddens.

4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gelet op de brief van mr. Van Rongen van 17 november 2015 en de overige overgelegde correspondentie, voldoende aannemelijk is geworden dat mr. Van Rongen en mr. Tiddens hebben afgesproken dat [J] het bedrag van € 51.824,71 zou overmaken naar de derdenrekening van mr. Tiddens, dat dit bedrag bestemd was voor [V] en dat dit bedrag na afronding van de onderhandelingen (geheel of grotendeels) zou worden doorgestort naar de derdenrekening van mr. Van Rongen. Weliswaar is door [V] betoogd dat mr. Van Rongen erbij is gebaat dat het door hem gelegde beslag doel treft en dat hij daarom de brief van 17 november 2015 heeft opgesteld, maar [V] miskent daarmee dat de in deze brief genoemde afspraken ook in haar belang waren. Door de storting van het geldbedrag op de derdengeldrekening van mr. Tiddens was immers voldoende zekerheid gesteld voor haar vordering.

4.6.

Niet in geschil is dat mr. Tiddens als gevolg van het door mr. Van Rongen gelegde conservatoire beslag het aan [V] toekomende bedrag niet naar haar kan overmaken. Dit beslag vloeit voort uit een geschil tussen [V] en mr. Van Rongen over de betaling van de declaraties van mr. Van Rongen. Nu [J] geheel buiten dit geschil staat, ligt het in de risicosfeer van [V] dat zij dit bedrag nog niet heeft ontvangen.

4.7.

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat [V] met de executie van het arbitraal vonnis misbruik van bevoegdheid maakt. De vordering onder I. ligt derhalve voor toewijzing gereed.

4.8.

De gevorderde dwangsom zal als volgt worden beperkt en gemaximeerd.

4.9.

Het gevorderde onder II. strekt tot betaling van een geldsom. Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op haar plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.10.

[J] stelt dat de liquiditeit van [V] zorgwekkend is en dat hij daarom een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van zijn vordering. Door [V] is echter ter zitting aangevoerd dat zij een vast inkomen heeft en dat zij niet in liquiditeitsproblemen verkeert.

4.11.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, nu [J] het verweer van [V] niet heeft bestreden, niet aannemelijk geworden dat de liquiditeit van [V] zorgwekkend is. Het onder II. gevorderde zal dan ook wegens het ontbreken van een spoedeisend belang worden afgewezen.

4.12.

Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt [V] de executie van het arbitraal vonnis d.d. 9 juni 2015 te staken en gestaakt te houden,

5.2.

veroordeelt [V] om aan [J] een dwangsom te betalen van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 50.000,00 is bereikt,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Hulst en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2016.