Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2997

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-07-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
AK
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging bestuurlijke boete na arbeidsongeval met aluminium ladder; van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken daarvan geen sprake; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/1144

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , te Enschede, eiseres,

gemachtigde: mr. F. Kolkman,

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres een bestuurlijke boete van € 7.200, - opgelegd.

Bij besluit van 11 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Namens eiseres zijn verschenen mr. A. Sarokhani, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres,

[naam 1] en [naam 2] . Namens verweerder zijn verschenen mr. F. Sarwari en N. Timmermans.

Overwegingen

1. Aan de boeteoplegging heeft verweerder het door de arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 10 november 2015 ten grondslag gelegd. In dit rapport staat dat de inspecteur tijdens zijn inspectie op 8 september 2015 heeft vastgesteld dat bij het bedrijf van eiseres door [naam 3] , een werknemer van eiseres (hierna: de werknemer) werkzaamheden werden verricht verband houdend met het aanleggen van een vaste luchtleiding langs het plafond van de werkplaats. Hierbij werd gebruik gemaakt van een arbeidsmiddel, een enkele, 4.43 meter lange aluminium ladder. De ladder stond in de werkplaats van eiseres tussen twee overheaddeuren opgesteld, onder een hoek van circa 75 graden, waarbij de bovenzijden van de ladderbomen afsteunden tegen de binnenkant van de voorgevel. De laddervoeten waren voorzien van harde, gladde kunststof doppen, die licht versleten waren en waren aangekoekt met vuil. De ladder was aan de onderzijde niet voorzien van een deugdelijke geïntegreerde antislipinrichting, gemaakt van stroef aanvoelend materiaal, dat tevens is voorzien van in dwarsrichting aangebrachte ribbels. Voorts was de ladder noch aan de onderzijde noch aan de bovenzijde van de ladderbomen vastgezet of op andere wijze, bijvoorbeeld middels een separate antislipinrichting, tegen wegglijden geborgd. De ladder stond opgesteld op de vlakke, relatief gladde vloer van de werkplaats. Bij contact van de laddervoeten op de niet-stroef aanvoelde werkplaatsvloer trad er nauwelijks wrijving op. De laddervoeten konden met een zeer lichte druk gemakkelijk over de vloer van de werkplaats worden verschoven. Doordat er geen maatregelen waren getroffen die wegglijden van de ladder konden voorkomen en een stabiele opstelling van de ladder konden waarborgen, was bij het gebruik van de ladder het gevaar voor de werknemer van eiseres aanwezig om met ladder en al ten val te komen.

Dit gevaar heeft zich op zeker moment verwezenlijkt. Terwijl de werknemer van de ladder gebruik maakte om te kijken naar de maat van een koppeling van een luchtleiding -die zich op circa 30 centimeter afstand van de voorgevel op een hoogte van circa 4,6 meter boven de werkplaatsvloer onder het plafond bevond –gleden de laddervoeten van de niet geborgde ladder achterwaart weg en schoof de ladder onderuit. Hierbij viel de werknemer op de vloer van de werkplaats. Ten gevolge van dit arbeidsongeval heeft de werknemer letsel opgelopen waarvoor hij in een ziekenhuis is openomen.

Hiermee is sprake van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Niet gebleken is van verminderde verwijtbaarheid. aldus verweerder.

Aan het boeterapport ligt onder meer een verklaring van bedrijfsleider [naam 2] (hierna: de bedrijfsleider) ten grondslag, waarin het volgende is opgenomen.

We waren bezig met de voorbereiding om een luchtleiding aan het plafond van de werkplaats aan te leggen. Het zijn werkzaamheden die we normaal niet doen. De werknemer wilde kijken naar een koppeling van de luchtleiding die bij de ingang van de werkplaats onder het plafond is aangebracht. We moesten materiaal bestellen voor die luchtleiding. We moesten weten wat voor type koppeling daar zat.

We gebruikten daarvoor een ladder. De ladder is van hier. Ik weet niet wat voor ladder het is. Die ligt hier gewoon. De ladder stond tegen de gevel bij de overheaddeuren. De werknemer is de ladder opgegaan en is daarbij met ladder en al gevallen. De ladder is weggeschoven. Ik heb het niet zien gebeuren.

De eerste keer dat de werknemer de ladder opging heb ik onder aan de ladder gestaan en heb daarbij de ladder vastgehouden. De telefoon ging en ik ben toen even weggelopen. De werknemer was dacht ik toen alweer van de ladder af. Toen ik aan het bellen was moet de werknemer weer de ladder zijn opgegaan en toen is hij gevallen. Er stond toen verder niemand bij de ladder. Er was nog wel een collega ergens anders in de werkplaats aan het werk. Het was niet de bedoeling dat de werknemer alleen de ladder op zou gaan. Hij had beter even kunnen wachten tot ik terug was. We hebben daar geen afspraken over gemaakt. De ladder stond niet vastgezet. Er zitten wel doppen onder aan de ladder. Ik realiseer me wel dat de ladder kon weggelijden. Daarom stond ik ook de eerste keer onder aan de ladder.

2. Artikel 16, tiende lid, van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: de Arbowet) bepaalt dat de werkgever en de werknemers verplicht zijn tot naleving van de voorschriften en verboden vastgesteld bij of krachtens de op grond van dit artikel, artikel 20, eerste lid, en artikel 24, negende lid, vastgestelde algemene maatregel van bestuur voorzover en op de wijze als bij of krachtens deze maatregel is bepaald.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, van de Arbowet wordt als overtreding tevens aangemerkt het niet naleven van artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in die artikelleden bedoelde voorschriften en verboden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als overtreding.

Ingevolge artikel 7.4, derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: het Arbobesluit) is een arbeidsmiddel zodanig geplaatst, bevestigd of ingericht en wordt zodanig gebruikt dat het gevaar dat zich een ongewilde gebeurtenis voordoet zoals verschuiven, omvallen, kantelen, getroffen worden door het arbeidsmiddel of onderdelen daarvan, oververhitting, brand, ontploffen, blikseminslag en directe of indirecte aanraking met elektriciteit zoveel mogelijk is voorkomen.

Artikel 9.9b, onder g van het Arbobesluit wordt als overtreding ter zake waarvan een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met onder andere artikel 7.4.

Volgens artikel 1, derde lid, van de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving (hierna: de Beleidsregels) worden bij de berekening van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 33, eerste en tweede lid, en artikel 34 van de Arbeidsomstandighedenwet zeven categorieën normbedragen onderscheiden, te weten:

6°. het 6e normbedrag € 9000;

Volgens artikel 1, achtste lid, aanhef en onder b, van de Beleidsregels zijn de in het derde lid genoemde bedragen normbedragen voor bedrijven of instellingen met 500 of meer werknemers. Voor bedrijven of instellingen van geringere omvang geldt het volgende: bedrijven of instellingen met 5 tot 9 werknemers betalen 20 procent.

Volgens artikel 1, tiende lid, van de Beleidsregels kunnen bij de berekening van de op te leggen bestuurlijke boete één of meer van de volgende factoren aan de orde zijn en leiden tot verhoging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag:

b. bij een arbeidsongeval dat leidt tot een blijvend letsel of een ziekenhuisopname als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet worden de boetenormbedragen van de daaraan ten grondslag liggende overtredingen vermenigvuldigd met vier.

Volgens artikel 11 van de Beleidsregels kan, indien de werkgever aantoont dat hij inspanningen heeft verricht, gericht op het voorkomen van de overtreding in het concrete geval, dit leiden tot matiging van het al dan niet op bedrijfsgrootte gecorrigeerde normbedrag. De volgende inspanningen kunnen leiden tot matiging van 25 % per onderdeel:

  1. ls de risico’s va de concrete werkzaamheden voldoende zijn geïnventariseerd en een veilige werkwijze is ontwikkeld die voldoet aan de vereisten van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet.

  2. als de noodzakelijke randvoorwaarden zijn gecreëerd voor het toepassen van een veilige werkwijze

  3. als er adequate instructies zijn gegeven

  4. als er adequaat toezicht is gehouden.

Volgens de bijlage bij de Beleidsregels wordt bij overtreding van artikel 7. 4, derde lid, een boete van categorie 6 opgelegd.

3.1

Eiseres stelt dat zij heeft voldaan aan de wettelijke verplichting van de werkgever om gevaar te voorkomen en te beperken zoals bedoeld in artikel 5.2j juncto 5.3 sub a van het Arbobesluit door alle werkzaamheden op hoogte uit te besteden aan derden.

3.2

De rechtbank stelt vast dat verweerder overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit aan de boeteoplegging ten grondslag heeft gelegd. Dat eiseres, naar zij stelt, zou hebben voldaan aan de artikelen 5.2 juncto 5.3 sub a van het Arbobesluit is, wat hiervan ook zij, niet relevant.

3.3

Eiseres stelt dat het werken op hoogte geen onderdeel uitmaakt van de normale bedrijfsvoering, zijnde het verrichten van APK-keuringen en reparatie- en onderhoudswerkzaamheden aan voertuigen, en dat zij deze werkzaamheden in verband met de daaraan verbonden risico’s altijd uitbesteedt aan derden De werkzaamheden van de werknemers vereisen geen gebruik van de ladder, aldus eiseres.

3.4

Voor zover eiseres beoogt te betogen dat van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit geen sprake is, omdat de ladder niet aangemerkt dient te worden als arbeidsmiddel in de zin van het Arbobesluit, faalt dit betoog. Onder arbeidsmiddelen wordt ingevolge de definitie in artikel 1, derde lid, onder h, van de Arbowet verstaan; alle op de arbeidsplaats gebruikte machines, installaties, apparaten en gereedschappen. Onder arbeidsplaats wordt ingevolge de definitie in artikel 1, derde lid, onder g verstaan iedere plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt. De door de werknemer verrichte werkzaamheden op de ladder vonden plaats op de arbeidsplaats van de werknemer. Daarmee is de ladder een arbeidsmiddel. Dat de werknemer uit hoofde van zijn functie geen handelingen op hoogte diende uit te voeren en de werknemer op eigen initiatief de ladder heeft gebruikt maakt dit, wat hiervan ook zij, niet anders.

3.5

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er geen maatregelen waren genomen om het wegglijden van de ladder te voorkomen, vanwege de licht versleten, aangekoekte doppen van de laddervoeten, het ontbreken van een deugdelijke, geïntegreerde antislipinrichting en het niet geborgd zijn van de ladder tegen wegglijden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat met het handmatig vasthouden van de ladder de stabiliteit niet is gewaarborgd.

3.6

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van overtreding van artikel 7.4, derde lid, van het Arbobesluit. De hoogte van de bestuurlijke boete is conform de Beleidsregels vastgesteld.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat bij overtreding van een artikel van het Arbobesluit volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1421), van de verwijtbaarheid van de overtreding mag worden uitgegaan. Indien de werkgever betoogt dat hem ter zake van de overtreding geen enkel verwijt valt te maken, dient de werkgever dit vervolgens aannemelijk te maken. De bewijslast rust in dat geval bij de werkgever.

4.2

In het leveren van dergelijk bewijs is eiseres niet geslaagd. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij de risico’s van de werkzaamheden op hoogte waarbij het beboetbare feit zich heeft voorgedaan, voldoende heeft geïnventariseerd en dat zij op grond daarvan de nodige maatregelen heeft getroffen.

De enkele vermelding in de risico-inventarisatie van eiseres dat ladders en trapjes in goede staat van onderhoud zijn, is hiervoor onvoldoende.

4.3

Het betoog van eiseres dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ondeugdelijkheid van de ladder, aangezien zij het werken op hoogte heeft uitbesteed aan derden en dat zij daarom geen verdere maatregelen behoefde te treffen wat betreft de veiligheidsrisico’s van het werken op hoogte met een ladder, faalt. Uit de verklaring van de bedrijfsleider in het ambtshalve opgestelde boeterapport blijkt dat de werknemer in het bijzijn van de bedrijfsleider de werkzaamheden op hoogte verrichtte.

Verder blijkt uit deze verklaring niet dat het beklimmen van de ladder om te kijken naar het type luchtkoppeling uitsluitend het initiatief van de werknemer was en dat de werknemer de bedrijfsleider daarbij heeft overruled.

Verweerder is hierbij terecht uitgegaan van de in het boeterapport opgenomen verklaring van de bedrijfsleider.

4.4

De in bezwaar (en in beroep herhaald) door eiseres overgelegde verklaring van de bedrijfsleider leidt niet tot een ander oordeel, nu de inhoud geheel anders is dan die van de eerder door hem ten overstaan van de arbeidsinspecteurs afgelegde verklaring en eiseres niet afdoende heeft gemotiveerd waarom desondanks de latere verklaring als juist moet worden aanvaard. De enkele stelling dat niet duidelijk is wat de arbeidsinspecteur heeft gevraagd en deze niet zou hebben doorgevraagd over de samenwerking tussen de bedrijfsleider en de werknemer, maakt dit niet anders nu de aan het boeterapport ten grondslag gelegde verklaringen van de bedrijfsleider en van de werknemer duidelijk zijn, deze verklaringen met elkaar overeenstemmen en er vanuit mag worden gegaan dat de vraagstelling van de betreffende arbeidsinspecteur adequaat is geweest.

4.5

Ook waren er geen maatregelen getroffen om te voorkomen dat werknemers de ladder zouden pakken om deze te gebruiken bij de werkzaamheden.

4.6

Niet gebleken is dat eiseres voor het ongeval haar werknemers heeft geïnstrueerd dat het werken op hoogte met gebruik van de ladder niet was toegestaan. Dat alle werkzaamheden op hoogte door eiseres werden uitbesteed aan derden is, wat hiervan ook zij, niet een instructie aan de werknemers.

4.7

Dat de bedrijfsleider de werknemer mondeling zou hebben geïnstrueerd niet zomaar, zonder dat de ladder door de bedrijfsleider werd vastgehouden, de ladder op te gaan blijkt niet uit de aan het boeterapport ten grondslag gelegde verklaringen.

4.8

Bovendien betreft het vasthouden van de ladder geen veilige werkwijze, omdat daarmee de stabiliteit van de ladder niet is gewaarborgd.

4.9

Ook was er geen sprake van adequaat toezicht om te voorkomen dat de werknemers de ladder zouden gebruiken voor het werken op hoogte. Zelfs indien uitgegaan zou worden van de latere verklaringen van de bedrijfsleider volgt daar slechts uit dat de bedrijfsleider tegen de werknemer heeft gezegd dat hij niet zomaar de ladder op mocht met de bedoeling dat de werknemer zou wachten totdat de bedrijfsleider terug was om de ladder vast te houden. en niet de bedrijfsleider tegen de werknemer heeft gezegd dat het werken op hoogte niet was toegestaan.

5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van verminderde verwijtbaarheid of het ontbreken daarvan geen sprake is.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.