Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2975

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
28-07-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
C/08/187839 / KG ZA 16-215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering opheffing conservatoir beslag afgewezen. Geen sprake van summierlijk gebleken ondeugdelijkheid van de door de beslaglegger ingeroepen rechten als bedoeld in art. 705 lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer : C/08/187839 / KG ZA 16-215

Vonnis in kort geding van 28 juli 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij, hierna te noemen [eiseres] ,

advocaat: mr. A.J.W. Bovenmars-Wilmink te Enschede,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

beiden in hoedanigheid van vereffenaars in de nalatenschap van de heer

[X] ,

beiden werkzaam bij [A] te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

advocaat: mr. R.H.A. Vennegoor te Enschede.

Het procesverloop

[eiseres] heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding. De zaak is behandeld ter terechtzitting van 21 juli 2016. Ter zitting zijn verschenen: [eiseres] vergezeld door

mr. Bovenmars en [gedaagde 2] vergezeld door mr. Vennegoor. De standpunten zijn toegelicht aan de hand van pleitnota’s.

Het vonnis is bepaald op vandaag.

De feiten

1.1.

Op 5 juli 2012 is te Enschede overleden de heer [X] , hierna ook te noemen: [X] en/of erflater. Op de nalatenschap van erflater is het wettelijk erfrecht van toepassing. Tot de nalatenschap van erflater waren ten tijde van zijn overlijden zes erfgenamen gerechtigd, te weten:

1. De heer [B] , broer van erflater, hierna te noemen: [B] ;

2. [eiseres] , zus van erflater,

3. Mevrouw [C] , nicht van erflater;

4. De heer [D] , neef van erflater;

5. De heer [E] , neef van erflater;

6. De heer [F] , neef van erflater.

1.2.

Voor het overlijden van erflater waren [B] en [eiseres] benoemd tot bewindvoerder over de gelden en goederen van erflater, bij beschikking van de kantonrechter te Enschede d.d. 28 juni 2012.

1.3.

In verband met de afwikkeling van de nalatenschap van erflater is notaris

mr. L. Hamer te Enschede ingeschakeld. Zij heeft alle erfgenamen aangeschreven d.d. 17 september 2012 en onder meer meegedeeld dat volgens [B] tot de nalatenschap behoort het huis aan de [straatnaam] te Enschede en een banksaldo van ongeveer € 50.000 tot

€ 60.000, en dat [B] te kennen heeft gegeven de nalatenschap namens de erfgenamen af te willen wikkelen, waarvoor een volmacht van de erfgenamen is vereist.

1.4.

De erfgenamen 3 t/m 6 hebben geweigerd [B] volmacht te geven omdat zij grote vraagtekens zetten bij de handelwijze van [B] .

1.5.

Op 28 december 2013 is [B] overleden. Zijn echtgenote [G] , heeft de positie van [B] in de nalatenschap opgevolgd.

1.6.

Door de onenigheid tussen [B] en de erfgenamen onder 3 t/m 6 kwam men met de afwikkeling van de nalatenschap niet verder. Om de impasse te doorbreken heeft deze rechtbank bij beschikking van 28 augustus 2015 gedaagden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] benoemd tot vereffenaars van de nalatenschap.

1.7.

De vereffenaars hebben bij brief van 3 september 2015 de erfgenamen aangeschreven en verzocht de administratie van de nalatenschap te overhandigen en contact op te nemen met de vereffenaars. Naar aanleiding van de reactie van [eiseres] , dat, kort gezegd, na het overlijden van erflater waardepapieren zijn verzilverd en sommen contant geld zijn opgenomen bij de Volksbank in Gronau en in bewaring zijn genomen door [B] en [G] , hebben de vereffenaars onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van vermogen in Duitsland, in het bijzonder bij de Volksbank en de Commerzbank te Gronau.

1.8.

De Volksbank te Gronau heeft de vereffenaars bericht:

- dat op 22 juni en 27 juni 2012 aandelen of waardepapieren te gelde zijn gemaakt waardoor het saldo op die datum € 485.442,42 bedroeg;

- dat de dag vóór het overlijden van erflater, 4 juli 2012, een bedrag van € 100.000,00 van de bankrekening is opgenomen en de dag nà het overlijden, 6 juli 2012, door [B]

€ 380.000,00 is opgenomen;

- dat op 21 november 2013 door [eiseres] een bedrag van € 5412,42 contant is opgenomen.

1.9.

Op verzoek van [eiseres] heeft zij op 27 januari 2016 een verklaring afgelegd ten overstaan van de vereffenaars en waarvan proces-verbaal is opgemaakt. In het proces-verbaal is onder meer opgenomen dat [eiseres] heeft verklaard:

[X] was ongehuwd en had ook geen kinderen en was echt op de centen. Sparen en zo. Hoe dat met zo’n vrijgezel gaat. Het was ook zo dat hij rekeningen had in Duitsland. Dat was bij twee spaarbanken. De ene was bij de Volksbank en de andere weet ik niet, maar die was naast of tegenover, of in ieder geval dicht bij de Volksbank, in Gronau.

En toen [X] was overleden is [B] met ons, met zijn drieën naar Duitsland gegaan, om dat geld af te halen, want dat moest in de pot komen voor de verdeling. Dat is gebeurd tot het bij die bank, waar ik de naam niet van weet, op was. [B] had een kluis, en dat deed hij in de kluis, in contanten. Ik vond dat allemaal goed. Toen stond er op de Volksbank nog een bedrag. Daar zijn we ook verschillende keren geweest, om daar het geld af te halen, dat was op verschillende data dat het afgelopen was, je kon het verlengen of je kon het afhalen, en we gingen het dus afhalen. Dat is vijf, zes keer geweest toch wel, en dat waren grote bedragen, en waar zijn ze gebleven?

De kluis stond bij hen in huis, in [plaats 1] , bij [B] . Die opnames waren na het overlijden van [X] . [X] heeft daar nog voor getekend dat wij het af mochten halen dat geld, [B] en ik. Daar heb ik een kopie van.

De bankrekeningen in Duitsland stonden op naam van [X] , die waren van hem.

Dus alles wat wij hebben afgehaald van [X] , moet in de kluis zijn bij [B] . [X] heeft toestemming gegeven aan [B] en mij om bij dat geld te kunnen. Als er weer een deel van het geld was afgelopen, gingen we er met z’n drieën naar toe en dan haalden we dat op en dan zei [G] , de vrouw van [B] , “doe jij het maar in de tas, een grote tas, daar past het wel in. Ik vond dat een beetje vreemd, want als je onderweg wordt aangehouden dan vragen ze waar dat geld vandaan komt, dus dat risico loopt zij niet. Toen waren we in [plaats 2] toen zei ze geef maar hier dan stop ik het in die kluis en zo ging het iedere keer.”

1.10.

Op 29 januari 2016 heeft [eiseres] een aanvullende verklaring afgelegd. [eiseres] heeft toen verklaard:

Een tijd geleden ben ik met mijn schoonzus [G] bij de Volksbank in Gronau geweest. Dat moet ongeveer twee maanden geleden zijn geweest, in november, want in december was ik opgenomen in [naam tehuis] . Maar ik weet niet precies wanneer. [G] wou dat ik mee ging. Toen we bij de bank waren heb ik haar gevraagd om de sleutels van de kluis, want die stond op mijn naam, maar ik wist niet wat er in lag. Ik had haar ook al eerder gevraagd mij de sleutels te geven, maar dat deed ze toen niet. Toen we bij de bank waren deed ze dat wel, toen de mevrouw van de bank even was weggelopen. Ze gaf mij twee sleutels aan een ring en toen zijn we naar beneden gegaan. Één sleutel bleek niet van mijn kluis te zijn; waar die van is weet ik niet.

In de kluis lagen twee enveloppen met pakjes bankbiljetten. Die heb ik eruit gehaald. Ik wou de kluis op zeggen maar dat ging niet door omdat ze twee sleutels moesten hebben.

Het geld heb ik meegenomen en ligt nu bij mij thuis opgeborgen. Ik weet niet hoeveel het is, ik geloof dat biljetten van vijfhonderd euro zijn. Ik vermoed dat het van mijn broer [X] was. Van mij was het in ieder geval niet; ik heb niets.”

en

Het is natuurlijk vreemd dat de kluis op mijn naam stond en dat zij de sleutels had. Ik had haar al eerder om de sleutels gevraagd. Er lag verder niets in de kluis. Ik heb hem leeg gehaald, want ik wilde de kluis opzeggen. Ik denk dat mijn schoonzus dat geld erin heeft gelegd, dat weet ik eigenlijk wel zeker want zij had de sleutels. Ik heb niet méér geld in huis dat behoort tot de nalatenschap van mijn broer [X] . Ik denk dat mijn schoonzus de andere sleutel van mijn kluis nog heeft, dat is haast wel zeker. Ik denk dat de andere sleutel die ik heb van een kluis op naam van mijn broer [B] , of nu van zijn weduwe, [G] , is, ik dacht in Nordhorn. Ik heb verder niet meer aan [G] gevraagd of zij mijn andere sleutel heeft, want we hebben geen contact meer met elkaar. Het is al een tijd geleden hoor, dat dat geld is opgehaald, eind november denk ik, ik had het eerder kunnen vertellen maar we hebben het over andere dingen gehad. Ik heb mij wel gerealiseerd dat dat geld van [X] gedeeld moet worden met de andere erfgenamen. Ik weet niet of het geld dat wij deels samen met [B] hebben opgehaald bij de Volksbank in Gronau, of [G] dat later weer heeft teruggebracht en in de kluis heeft gestopt. Dat moet ze dan alleen gedaan hebben, ik was daar niet bij. Het is maar mijn veronderstelling.”

Blijkens het proces verbaal heeft [eiseres] vervolgens de omschreven contanten aan vereffenaar [gedaagde 2] afgegeven en hadden deze contanten een totale waarde van

€ 57.900,00.

1.11.

Bij beschikking d.d. 15 februari 2016 op een verzoek ex art. 4: 210 BW tot het geven van aanwijzingen door de kantonrechter heeft de kantonrechter van deze rechtbank onder meer toestemming verleend tot het leggen van (conservatoir) beslag op de onroerende en roerende zaken, waaronder begrepen bankrekeningen, van [eiseres] (en [G] ).

1.12.

[eiseres] is hierop d.d. 4 maart 2016 aangeschreven door de advocaat van de vereffenaars, mr. R.H.A. Vennegoor. In de brief wordt gesteld dat [eiseres] , [B] en [G] na het overlijden van erflater zonder (wettelijke) grondslag gelden tot een bedrag van

€ 385.412,42 hebben onttrokken aan de nalatenschap en daarmee onrechtmatig hebben gehandeld jegens (de overige erfgenamen van) de nalatenschap.

[eiseres] wordt voorts aansprakelijk gehouden voor alle geleden en te lijden schade voortvloeiende uit haar onrechtmatige gedraging. Voorts wordt gesteld dat [eiseres] het bedrag ten eigen bate heeft aangewend en wordt [eiseres] gesommeerd om binnen drie dagen na de brief over te gaan tot betaling van het bedrag van € 385.412,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opname, in totaal € 424.479,62. Bij gebreke van betaling worden rechtsmaatregelen aangekondigd.

1.13.

Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d.

3 maart 2016 hebben de vereffenaars conservatoir beslag gelegd op de roerende en onroerende zaken van [eiseres] . Het betreft de volgende beslagen:

a. a) de onroerende zaak, kadastraal omschreven bij de Dienst Voor het Kadaster als

wonen (appartement), staande en gelegen te Enschede aan de [adres 1]

[adres 1] , kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummer [xxxx] ;

b) de onroerende zaak, kadastraal omschreven bij de Dienst Voor het Kadaster als

berging stalling (garage-schuur), staande en gelegen te [gemeente] aan de

[adres 2] , kadastraal bekend als [gemeente] ,

[sectie] , nummer [yyyy] ;

c) de onroerende zaak, kadastraal omschreven bij de Dienst Voor het Kadaster als

berging-stalling (garage-schuur), staande en gelegen te [gemeente] aan de [adres 3] , kadastraal bekend als [gemeente] , [sectie] , nummer [zzzz] ;

d) de inboedel aanwezig in de onroerende zaken als hierboven bedoeld onder a tot

en met c;

e) alle vorderingen gelden of geldwaren, goederen en andere vermogenswaarden,

onder welke benaming ook, die de ABN AMRO Bank NV. onder zich heeft of zal

verkrijgen van [eiseres] ;

f) alle vorderingen gelden of geldwaren, goederen en andere vermogenswaarden,

onder welke benaming ook, die de Coöperatieve Rabobank U.A., gevestigd te

Amsterdam en mede kantoorhoudende te 7541 WH Enschede, onder zich heeft of

zal verkrijgen van [eiseres] .

1.14.

De vereffenaars hebben [G] en [eiseres] inmiddels gedagvaard tegen de zitting van 31 augustus a.s. In de dagvaarding wordt primair gevorderd [eiseres] (hoofdelijk, samen met [G] ) te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 385.412,42 met rente en subsidiair tot betaling van een bedrag van € 5412,42 met rente.

Het geschil

2.1.

[eiseres] heeft gevorderd de ten laste van haar gelegde conservatoire beslagen op te heffen, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren, met veroordeling van de vereffenaars in de kosten van de procedure.

2.2.

[eiseres] heeft hiertoe het volgende aangevoerd, kort samengevat. Volgens [eiseres] is er sprake van ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht als bedoeld in art. 705 lid 2 Rv.; er is beslag gelegd voor een niet bestaande vordering.

[eiseres] heeft haar broer [B] volmacht gegeven om haar financiën te regelen en om de nalatenschap af te wikkelen (n.a.v. de brief van de notaris mr. L. Hamer) en zij dacht dat ook de overige erfgenamen een dergelijke volmacht hadden gegeven. [eiseres] heeft na de brief van vereffenaars d.d. 3 september 2015 van meet af aan en in alle oprechtheid haar medewerking verleend aan vereffenaars. Zij was vol ongeloof toen zij de brief ontving van de advocaat van de vereffenaars d.d. 4 maart 2016, waarin (ook) [eiseres] aansprakelijk wordt gesteld en tot terugbetaling van het bedrag van € 385.412,42 wordt gesommeerd. De vereffenaars leggen de verklaringen van [eiseres] in de processen-verbaal verkeerd uit. Anders dan de vereffenaars stellen is [eiseres] op geen enkele wijze betrokken geweest bij de opname van het bedrag van € 380.000,00 door [B] , laat staan dat zij over het geld zou hebben beschikt ten eigen bate. Dat bedrag is opgenomen één dag na het overlijden van erflater en dat zou [eiseres] zich nog wel herinneren als zij daar bij was geweest. De grote bedragen waarover [eiseres] heeft verklaard bij de vereffenaars zien niet op de opname van het bedrag van € 380.000,00. De stelling van de vereffenaars dat van het geld een appartement is gekocht, is niet juist; het appartement is gekocht met eigen geld. Het bedrag van € 380.000,00 is opgenomen door [B] , niet door [eiseres] . [eiseres] ontkent ook betrokken te zijn geweest bij de opname van het bedrag van € 5412,42. Het volgt wel uit de opgaaf van de Volksbank te Gronau, maar uit de opgaaf blijkt niet op welke wijze dit is geconstateerd. Dit dossier bevat veel stukken die met haar naam zijn ondertekend, maar waarvan de handtekening niet daadwerkelijk van haar afkomstig is, zoals de handtekening onder het verzoekschrift dat heeft geleid tot benoeming van [B] en [eiseres] tot bewindvoerder. [eiseres] kan niet worden verweten dat zij van een en ander geen melding heeft gemaakt aan de overige erfgenamen. Er is geen sprake geweest van onrechtmatig handelen door [eiseres] . Met betrekking tot het bedrag van € 57.900,00 stelt [eiseres] dat onduidelijk is of dit geld wel van de nalatenschap is of niet; het bedrag is gevonden in een kluis die op haar naam was gehuurd door [B] en [G] . Er bestaat ook geen enkele rechtsgrond op basis waarvan [eiseres] aansprakelijk kan worden gehouden voor feitelijk handelen van derden, in casu het door [B] / [G] opnemen van het bedrag van € 380.000,00. [eiseres] is net zo goed als de overige erfgenamen slachtoffer van de -achteraf gebleken- kwade bedoelingen van [B] en [G] .

2.3.

Bovendien wordt [eiseres] door het beslag onevenredig getroffen. Het beslag heeft voor haar zeer ingrijpende gevolgen zodat zij groot belang heeft bij opheffing van het beslag. [eiseres] is een vrouw van 91 jaar oud en het gaat slecht met haar gezondheid. Zij is na een val inmiddels opgenomen in een verzorgingstehuis. Zij zit door het beslag financieel volledig klem. Zij heeft een beroep op derden moeten doen om aan haar financiële verplichtingen te kunnen voldoen. Door het beslag wordt ook de verkoop van haar appartement bemoeilijkt.

2.4.

De vereffenaars hebben geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Zij hebben het volgende aangevoerd, kort samengevat. Volgens de vereffenaars hebben [B] en [eiseres] beschikkingshandelingen verricht ten aanzien van goederen uit de nalatenschap, zonder dat daarvoor expliciet de instemming bestond van de overige erfgenamen en dat is onrechtmatig. Deelgenoten van een gemeenschap (de nalatenschap) mogen immers niet over goederen van de gemeenschap beschikken zonder toestemming van de overige deelgenoten (art. 3: 190 BW). [eiseres] heeft verklaard dat zij met [B] en [G] diverse keren naar Duitsland is gereden om daar geld af te halen. Volgens de vereffenaars betrof dat de opname van de € 380.000,00. [eiseres] heeft blijkens een uitbetalingsbewijs van de bank een bedrag van € 5412,42 opgenomen bij de Volksbank te Gronau op 21 november 2013. Uit een uitbetalingsbewijs van de Commerzbank te Gronau blijkt dat [eiseres] ook een bedrag van

€ 53.086,36 contant heeft opgenomen op 14 januari 2014. Bovendien kunnen de beschikkingshandelingen die door [B] in het kader van de nalatenschap zijn uitgevoerd worden toegerekend aan [eiseres] , nu zij immers [B] een volmacht had gegeven (art. 3: 60 lid 1 BW). De gevolgen van de eventuele onrechtmatige gedragingen van [B] dienen dan ook voor rekening van [eiseres] te komen.

2.5.

[B] en [eiseres] hebben verder vermogensbestanddelen van de boedel verzwegen ex art. 3: 194 lid BW en ook dat is onrechtmatig. Hoewel [eiseres] wist dat het geld van de nalatenschap was heeft zij niet aan de overige erfgenamen noch aan de notaris mr. Hamer gemeld dat de omvang van de nalatenschap, zoals neergelegd in de brief van de notaris van 17 september 2012 (“banksaldo van ongeveer € 50.000,00 tot € 60.000,00”) onjuist was. [eiseres] wist dat er meer geld/vermogen in de nalatenschap aanwezig was en dat heeft ze niet aan de orde gesteld. Zij heeft pas openheid van zaken gegeven op het moment dat de vereffenaars in beeld kwamen en dat was te laat. [eiseres] wist ook dat het geld in de kluis werd bewaard en hiervan heeft zij nimmer iemand op de hoogte gesteld, “Brabant” niet en de notaris niet.

2.6.

Bij de beoordeling van het geschil mogen de persoonlijke omstandigheden bij [eiseres] , hoe schrijnend ook, geen rol spelen. Ten aanzien van de verkoop van het oude appartement van [eiseres] , welke verkoop door het beslag wordt bemoeilijkt, merken de vereffenaars op dat zij [eiseres] reeds een voorstel hebben gedaan om de kwestie op te lossen en dat [eiseres] thans financieel klem zit is onvoldoende onderbouwd.

Beoordeling

3.1.

Het vereiste spoedeisend belang is in deze zaak, gelet op de aard van de vordering en het daaromtrent door [eiseres] gestelde, aanwezig.

3.2.

[eiseres] vordert opheffing van de door de vereffenaars gelegde conservatoire beslagen, gelegd in verband met de door de vereffenaars aan (onder meer) [eiseres] verweten onrechtmatige daad/daden. De vordering tot opheffing is gebaseerd op een tweetal gronden:

1. aan [eiseres] valt niets te verwijten; zij heeft niet onrechtmatig gehandeld noch is er sprake geweest van nalatigheid. Er is derhalve sprake van summierlijk zijn gebleken van de ondeugdelijkheid van de door de beslaglegger ingeroepen rechten als bedoeld in art. 705 Rv.

2. [eiseres] zit thans financieel klem en de belangenafweging dient gelet op de grote gevolgen voor [eiseres] in haar voordeel uit te vallen.

3.3.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de beslagen op te heffen op de tweede grond. Ter zitting is gebleken dat [eiseres] een inkomen (AOW en pensioen) heeft en houdt en dat zij op dit moment zo gezegd kan leven. Ondanks de beslagen is [eiseres] inmiddels verhuisd naar het verzorgingstehuis en is haar appartement daar reeds ingericht. Dat [eiseres] thans met hogere kosten wordt geconfronteerd, door het beslag op het te verkopen oude appartement, laat de balans niet aan haar kant doorslaan, zeker niet nu de vereffenaars buitengerechtelijk al een handreiking hebben gedaan de verkoop van het beslagen appartement toch mogelijk te maken.

3.4.

Art. 705 lid 2 Rv. bepaalt dat beslagen onder meer kunnen worden opgeheven indien summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door de beslaglegger ingeroepen rechten.

De voorzieningenrechter heeft in deze onder meer geconstateerd:

- dat [eiseres] samen met [B] bewindvoerder over de gelden en goederen van erflater was;

- dat [eiseres] [B] een volmacht heeft gegeven om haar financiën te regelen en om namens haar de nalatenschap te regelen;

- dat [eiseres] heeft verklaard dat zij, na het overlijden van erflater, met [B] en [G] diverse keren naar Duitsland is geweest om grote sommen geld op te halen, bij verschillende banken, en welke sommen geld in de kluis van [B] werden gedaan;

- dat door [B] contant € 380.000,00 is opgenomen van de bankrekening van erflater, één dag na zijn overlijden;

- dat [eiseres] volgens de Volksbank te Gronau op 21 november 2013 een bedrag van

€ 5412,42 contant heeft opgenomen van de bankrekening van erflater;

- dat [eiseres] in november 2015 met [G] naar de Volksbank in Gronau is geweest en uit een kluis, die op haar naam was gehuurd, twee enveloppen met pakjes bankbiljetten heeft gehaald en meegenomen naar huis;

- dat zij dit geld, een bedrag van € 57.900,00, vermoedelijk van erflater en in elk geval niet van [eiseres] , vervolgens niet heeft afgegeven aan de vereffenaars en niet aan deze heeft gemeld eerder dan bij haar tweede verklaring d.d. 29 januari 2016.

3.5.

De voorzieningenrechter acht, gezien deze deels niet betwiste en gedocumenteerde feiten, het op voorhand niet zeer onwaarschijnlijk dat de bodemrechter een schadevergoeding zal toewijzen op grond van onrechtmatig handelen, althans nalaten. Er is derhalve niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de door de beslaglegger ingeroepen rechten, zodat opheffing van de gelegde beslagen achterwege zal blijven.

3.6.

[eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:

-griffierecht € 288,00

-salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.104,00

De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. Wijst de vordering van [eiseres] af.

II. Veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 1.104,00.

III. Verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juli 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.