Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2956

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
08/760043-16 en 08/760100-16 (gev. ttz)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag en het hebben van een hennepkwekerij.

Verdachte heeft het slachtoffer, zijn buurman, met een mes in de borststreek gestoken. Dat het slachtoffer dit heeft overleefd is te danken aan adequaat medisch ingrijpen. Dat het bij een poging is gebleven is dan ook niet de verdienste van verdachte geweest.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tijdens de proeftijd moet hij zich laten behandelen. Ook moet hij het slachtoffer een schadevergoeding van ruim 4000 euro betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers: 08/760043-16 en 08/760100-16 (gev. ttz)

Datum vonnis: 27 juli 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1972 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 18 mei 2016 en 13 juli 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.C. Waterman en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. K. Tunç, advocaat te Hengelo (O), naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

In de zaak met parketnummer 08/760043-16

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 13 februari 2016, al dan niet met voorbedachten rade, heeft geprobeerd om [slachtoffer] van het leven te beroven door hem met een mes te steken, subsidiair dat verdachte, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht en meer subsidiair dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een mes te steken.

In de zaak met parketnummer 08/760100-16

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 13 februari 2016, althans in de periode van 23 oktober 2015 tot en met 13 februari 2016, een hennepkwekerij met circa 50 planten heeft gehad.

Voluit luidt, in de zaak met parketnummer 08/760043-16, de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 13 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven,

met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer] met

een mes, althans een scherp voorwerp, (met kracht) in de borst(kas), althans

in de hals(streek), heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 13 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland, aan

[slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, zwaar

lichamelijk letsel, te weten een defect in een bloedvat/slagader en/of een

wondkanaal (van 11 tot 14 cm) in de borstkas en/of een pneumothorax (een zgn

klaplong), heeft toegebracht, door met dat opzet en al dan niet na kalm beraad

en rustig overleg, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp voorwerp, (met

kracht) in de borst(kas), althans in de hals(streek), te steken;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 13 februari 2016 te Enschede ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes (met kracht) in de

borst(kas), althans in de hals(streek), te steken, terwijl de uitvoering van

dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voluit luidt, in de zaak met parketnummer 08/760100-16, de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 13 februari 2016, althans in of omstreeks de periode van

23 oktober 2015 tot en met 13 februari 2016 te Enschede, althans in Nederland,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand (woning) aan [adres]

[adres] ) een hoeveelheid hennepplanten (ongeveer 50), althans een groot aantal

hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan

30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het in de zaak met parketnummer 08/760043-16 primair ten laste gelegde, behoudens het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’, en het in de zaak met parketnummer 08/760100-16 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard en dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door Tactus Reclassering in haar rapport van 27 mei 2016.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwerpen 1 tot en met 4 verbeurd worden verklaard, dat het voorwerp 5 (het mes) wordt onttrokken aan het verkeer en dat de voorwerpen 6 tot en met 12 teruggegeven worden aan verdachte.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1.1

In de zaak met parketnummer 08/760043-161.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ en overweegt daartoe het volgende.

Voor een bewezenverklaring van het voor moord vereiste bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ moet komen vast te staan dan de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat bij verdachte sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven. Verdachte was onder invloed van alcohol toen hij na een woordenwisseling met zijn vriend en buurman [slachtoffer] over het feit dat verdachte slechts een klein bedrag had gekregen voor door hem verrichte schilderwerkzaamheden en zich daarmee had laten afschepen, de woning van [slachtoffer] verliet. Verdachte was heel erg boos op [slachtoffer] (naar eigen zeggen wel een 10 op een schaal van 1 tot 10). Gelet hierop, in samenhang bezien met de korte tijd tussen het verlaten van de woning van [slachtoffer] en het pakken van een mes uit de keukenla, kan niet worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling bij verdachte die tot het steken van zijn buurman heeft geleid. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank de voorbedachte raad niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Voor het overige is de rechtbank, evenals de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.234

5.1.2.

In de zaak met parketnummer 08/760100-165

De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging hebben betoogd, van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.67

5.2

De conclusie

5.2.1

In de zaak met parketnummer 06/760043-16

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 februari 2016 te Enschede ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om

[slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een mes met kracht in de borstkas heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5.2.2

In de zaak met parketnummer 06/760100-16

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 13 februari 2016 te Enschede opzettelijk aanwezig heeft gehad in een woning aan [adres] een hoeveelheid hennepplanten (ongeveer 50), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 08/760043-16 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 45 en 289 Sr.

Het in de zaak met parketnummer 08/760100-16 bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 3 jo 11 van de Opiumwet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

In de zaak met parketnummer 08/760043-16 levert het bewezenverklaarde op:

het misdrijf poging tot doodslag.

In de zaak met parketnummer 08/760100-16 levert het bewezenverklaarde op:

het misdrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsdelict – poging tot doodslag –

en aan een Opiumwetdelict. Verdachte heeft het slachtoffer [slachtoffer] , zijn buurman, met een mes in de borststreek gestoken waarbij het mes een wondkanaal van elf tot veertien centimeter heeft gemaakt. Het slachtoffer heeft als gevolg daarvan een klaplong met bloedophoping in de borstholte en letsel aan de ondersleutelbeenslagader opgelopen. Zonder medisch ingrijpen zouden de verwondingen van het slachtoffer zeer waarschijnlijk op korte termijn tot levensbedreigend bloedverlies en/of ernstige ademhalingsbelemmering geleid hebben. Dat zulks zich niet heeft voorgedaan is te danken aan adequaat medisch ingrijpen. Dat het bij een poging is gebleven is dan ook niet de verdienste van verdachte geweest.

Door zijn handelen heeft verdachte groot leed aan het slachtoffer toegebracht. Dit is ter terechtzitting naar voren gebracht met de verklaring die namens het slachtoffer door een medewerkster van slachtofferhulp is voorgelezen, omdat het slachtoffer vanwege de enorme impact van het feit nog niet in staat was de terechtzitting bij te wonen.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Opiumwet door in zijn woning een hennepkwekerij van circa 50 planten te hebben.

Voor de bewezenverklaarde poging tot doodslag zijn geen oriëntatiepunten vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De rechtbank heeft daarom aansluiting gezocht bij andere rechterlijke uitspraken in zaken als deze. Daaruit blijkt dat over het algemeen aanzienlijke (deels voorwaardelijke) vrijheidsstraffen worden opgelegd.

Voor het bewezenverklaarde opiumdelict zijn door het LOVS wel oriëntatiepunten vastgesteld. Deze geven als oriëntatiepunt een geldboete van € 1.000,-- bij een hennepkwekerij van 50 tot 100 planten. De rechtbank heeft hier bij de strafoplegging rekening mee gehouden.

De rechtbank acht vanwege de aard en ernst van de bewezenverklaarde poging tot doodslag een vrijheidsbenemende straf passend en geboden en de rechtbank zal aan verdachte, die voor deze feiten als first offender kan worden aangemerkt, dan ook een gevangenisstraf van enige duur opleggen. Evenwel ziet de rechtbank in na te melden omstandigheden redenen om deze straf deels voorwaardelijk op te leggen.

Verdachte is psychologisch onderzocht en uit het door drs. M. van Tongeren, GZ-psycholoog, opgemaakte rapport van 25 mei 2016 volgt dat bij verdachte sprake is van tenminste zwakbegaafdheid en van misbruik van alcohol. Vanuit zijn intellectuele beperkingen is verdachte minder goed in staat om weloverwogen keuzes te maken in een conflictsituatie en zijn emoties aan te voelen c.q. te reguleren. Impulsief, zonder na te denken over eventuele gevolgen, heeft verdachte [slachtoffer] gestoken. Verdachte werd in zijn keuzevrijheid beperkt door zijn gebrekkige intellectuele vaardigheden en ontbrekende adequate coping-stijlen om met heftige emoties om te gaan. Het drankgebruik heeft naar alle waarschijnlijkheid een luxerende rol gespeeld, aldus de psycholoog. Hoewel verdachte zou kunnen weten dat alcohol de kans op ontremming groter maakt, is hij vanwege zijn intellectuele beperkingen ook weer minder in staat om eventuele gevolgen hiervan te overzien. Vorenstaande maakt dat de psycholoog heeft geadviseerd om verdachte de feiten enigszins verminderd toe te rekenen.

De psycholoog - evenals Tactus Reclassering in haar rapport van 27 mei 2016 - heeft daarnaast geadviseerd om in het kader van een bijzondere voorwaarde verdachte vanwege de aanwezige problematiek aan te melden bij een forensische verslavingspolikliniek waar hij ambulant begeleid kan worden en er eventueel gestart kan worden met medicatie dat de trek in alcohol remt, en tevens een meldplicht bij de reclassering op te leggen.

De rechtbank neemt die conclusie van de psycholoog over en zal verdachte dan ook enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen ten tijde van de door hem gepleegde feiten. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat behandeling van verdachte zoals geschetst door de psycholoog en de reclassering wenselijk en geboden is. Verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard behandeling, zo nodig met een klinische opname, en begeleiding te ondergaan.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren waarvan één jaar voorwaardelijk passend is. De voorwaardelijke vrijheidsstraf heeft niet alleen tot doel verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, maar ook om verdachte gemotiveerd te houden voor begeleiding en zijn behandelingen.

De door de reclassering geadviseerde en als hierna te melden bijzondere voorwaarden zal de rechtbank verbinden aan het voorwaardelijke strafdeel. Aan de bijzondere voorwaarden zal de rechtbank een proeftijd van drie jaren verbinden en de door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd zal op de straf in mindering worden gebracht.

8.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

In de zaak met parketnummer 08/760043-16 is een twaalftal voorwerpen in beslag genomen.

De rechtbank is van oordeel dat het onder nummer 5 op de beslaglijst vermelde mes vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat het feit met dat mes is begaan en het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang.

De op de beslaglijst vermelde voorwerpen onder nummer 1 tot en met 4 dienen aan aangever te worden teruggegeven.

De op de beslaglijst onder 6 tot en met 12 vermelde voorwerpen dienen aan verdachte te worden teruggegeven.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 08/760043-16

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces.

De benadeelde partij vordert, na aanpassing ter terechtzitting, veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 5.035,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    horloge van € 153,10;

  • -

    mobiele telefoon van € 100,--;

  • -

    kleding en schoeisel van € 323,70;

  • -

    eigen risico zorgverzekering over 2016 van € 385,--;

  • -

    ziekenhuis daggeldvergoeding van € 168,--;

  • -

    verhuiskosten van € 950,--;

  • -

    immateriële schade van € 3.000,--.

Dit is gevorderd als voorschot. De rechtbank begrijpt dit evenwel als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De officier van justitie heeft gevorderd te vordering toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsman heeft de vordering enkel op de post ‘verhuiskosten’ betwist. Deze kosten dienen volgens de raadsman niet als afzonderlijke schadepost te worden gerekend, maar als deel van de door het slachtoffer gevorderde immateriële schadevergoeding.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. Behoudens de post ‘verhuiskosten’ zijn de opgevoerde schadeposten niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank is ten aanzien van de verhuiskosten van oordeel dat niet is gebleken van causaal verband tussen deze kosten en het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost dan ook niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De rechtbank zal de materieel gevorderde schadevergoeding daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.085,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 28 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de immaterieel gevorderde schadevergoeding toewijzen tot het bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (13 februari 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 36b, 36c, 57, 91 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08/760043-16 primair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 08/760100-16 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte in de zaak met parketnummer 08/760043-16 primair tenlastegelegde en het in de zaak met parketnummer 08/760100-16 tenlastegelegde meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het in de zaak met parketnummer 08/760043-16 en het in de zaak met parketnummer 08/760100-16 bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het in de zaak met parketnummer 08/760043-16 bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    het misdrijf poging tot doodslag;

  • -

    verklaart dat het in de zaak met parketnummer 08/760100-16 bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
    het misdrijf opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het in de zaak met parketnummer 08/760043-16 primair bewezenverklaarde en het in de zaak met parketnummer 08/760100-16 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, waarvan één (1) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich op eerste uitnodiging van de reclassering meldt bij de reclassering Tactus verslavingszorg te Enschede;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van JusTact forensische verslavingspoli en/of soortgelijke ambulante (forensische) verslavingszorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, en dat veroordeelde, als de reclassering dat noodzakelijk acht, verplicht wordt tot een klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die opname door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat begeleiden door het (F)act-team van Stichting Trajectum of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, voor ambulante begeleiding gericht op gedragsmatige ondersteuning, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die begeleiding door of namens de instelling/behandelaren zullen worden gegeven;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Tactus Verslavingszorg;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , van een bedrag van € 4.085,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over

€ 1.085,-- vanaf 28 juni 2016 en te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.000,-- vanaf 13 februari 2016;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor een deel van € 950,-- niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.085,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 juni 2016, ten behoeve van de benadeelde;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 3.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 februari 2016, ten behoeve van de benadeelde;

  • -

    beveelt, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het totaal van voornoemde verschuldigde bedragen volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 50 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoelde bedragen daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij de bedragen te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij de verschuldigde bedragen heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van die bedragen komt te vervallen;

beslag

  • -

    gelast de teruggave aan [slachtoffer] van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen, genummerd 1 tot en met 4;

  • -

    verklaart onttrokken aan het verkeer het op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerp, genummerd 5;

  • -

    gelast de teruggave aan verdachte van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen, genummerd 6 tot en met 12.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Stam, voorzitter, mr. G.J. Stoové en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.J. van der Leest, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2016075687 (Noordkaper-team) van 1 maart 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juli 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

3 Het proces-verbaal van aangifte van 15 februari 2016 van [slachtoffer] , pagina’s 9 en 10.

4 Het rapport van B.F.L. Oude Grotebevelsborg, forensisch arts KNMG, werkzaam bij het NFI, van 19 april 2016, pagina’s 7 (vanaf onder nummer 7) t/m 9 (onder nummer 8, 2e alinea).

5 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2016075687 (Noordkaper-team/Hennepkwekerij) van 16 februari 2016. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

6 Het proces-verbaal van de terechtzitting van 13 juli 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in art. 359, derde lid, laatste volzin, Sv.

7 Het proces-verbaal van 16 februari 2016 van verbalisant [verbalisant] , pagina 3 en 4.