Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2886

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-07-2016
Datum publicatie
22-07-2016
Zaaknummer
C/08/189013 / KG ZA 16-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De kortgedingrechter oordeelt dat een studente van Hogeschool Windesheim recht heeft op haar diploma Communicatie. Windesheim moet binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het getuigschrift uitreiken, waaruit blijkt dat zij op 5 juli 2016 de opleiding Communicatie van Windesheim met goed gevolg heeft doorlopen en afgerond, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Windesheim in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 15.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/189013 / KG ZA 16-253

Vonnis in kort geding van 22 juli 2016

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. A.J. Verweij te Ermelo,

toevoeging aangevraagd,

tegen

de stichting

STICHTING CHRISTELIJKE HOGESCHOOL WINDESHEIM,

gevestigd te Zwolle,

gedaagde,

advocaat mr. J.S.C. Liebrand te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Windesheim genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 juli 2016;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van [eiseres] , tevens wijziging van eis;

  • -

    de pleitnota van Windesheim.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] heeft op 17 juni 2016 haar afstudeerproduct ingeleverd, gemaakt in het kader van haar opleiding Communicatie bij Windesheim.

2.2.

De examinator van [eiseres] , [examinator] , heeft het afstudeerproduct beoordeeld met (gemiddeld) een 6,3. Dit cijfer is door haar coach, [coach] , geaccordeerd.

2.3.

Bij e-mail van 5 juli 2016 is aan [eiseres] geschreven:

De examencommissie is vandaag bijeengekomen en heeft je cijferoverzicht goedgekeurd, daarmee ben je officieel geslaagd. Van harte gefeliciteerd! (…).’

2.4.

Bij brief van 5 juli 2016 is aan [eiseres] geschreven:

‘Van harte gefeliciteerd! Je bent geslaagd voor de opleiding Communicatie. Namens alle collega’s van de opleiding communicatie nodig ik je graag uit om donderdag 14 juli a.s. je diploma in ontvangst te nemen. (…).’

2.5.

Bij e-mail van 7 juli 2016 heeft Windesheim [eiseres] bericht dat zij is uitgeschreven.

2.6.

Bij e-mail van 8 juli 2016 is aan [eiseres] geschreven:

‘Jouw afstudeerproducten zijn door de examencommissie uit het systeem gehaald als steekproef. Dit houdt in dat er een nieuwe beoordelaar naar gaat kijken. Ik verwacht niet al teveel oponthoud, maar mocht blijken dat er nader onderzoek nodig is, dan laat ik je dat z.s.m. weten.’

2.7.

De tweede beoordelaar, [tweede beoordelaar] , heeft het afstudeerproduct van [eiseres] beoordeeld met (gemiddeld) een 5,0.

2.8.

Bij e-mailbericht van 8 juli 2016 is aan [eiseres] geschreven:

‘Ik moet je helaas een teleurstellend bericht sturen. Zoals je weet zijn tijdens de diploma-vergadering van de examencommissie jouw stukken geselecteerd voor de steekproefsgewijze controle van de beoordelingen. Tijdens deze controle rees twijfel of jouw stukken wel aan de gestelde criteria voldoen. Om die twijfel weg te nemen heeft de examencommissie opdracht gegeven voor een herbeoordeling door een andere examinator. Uit deze beoordeling blijkt dat je stukken door de betreffende examinator op een aantal punten nog onvoldoende gevonden worden.

De examencommissie heeft als belangrijkste taak het borgen van de kwaliteit van onderwijs en examens. Er mag geen enkele twijfel ontstaan over de waarde van een afgegeven diploma. Hoewel je stukken door de eerste beoordelaar als voldoende beschouwd worden, concluderen wij uit de herbeoordeling toch dat er twijfel is over het niveau van jouw afstudeerstukken.

Het bovenstaande betekent dat wij op dit moment nog niet kunnen overgaan tot het uitreiken van jouw diploma. (…).’

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert – na wijziging van eis en zoals volgt uit het verhandelde ter zitting – bij vonnis in kort geding Windesheim te veroordelen:

I [eiseres] binnen drie dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis het getuigschrift uit te reiken, waaruit blijkt dat zij op 5 juli 2016 de opleiding Communicatie van Windesheim met goed gevolg heeft doorlopen en afgerond, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat Windesheim in gebreke blijft hieraan te voldoen;

II tot betaling van een voorschot ten bedrage van € 2.500,00 wegens schadevergoeding, binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;

III tot betaling van de buitengerechtelijke kosten, binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te voldoen;

IV in de kosten van onderhavige procedure, binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te voldoen.

3.2.

Windesheim voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is met [eiseres] van oordeel dat zij, gelet op de aard van de zaak, de aanstaande vakantieperiode – waarin [eiseres] kans ziet betaald vakantiewerk te verrichten – en de bij de inschrijving voor een (mogelijke) vervolgstudie gehanteerde termijnen, belang heeft bij een beslissing op zo kort mogelijke termijn. Dit maakt dat het spoedeisend belang voldoende aannemelijk is gemaakt.

4.2.

De voorzieningenrechter volgt Windesheim niet in haar betoog dat de onderhavige vordering zich niet leent voor een behandeling in kort geding, omdat een onomkeerbare voorziening wordt gevorderd. De beslissing over hetgeen is gevorderd betreft geen definitieve wijziging van de rechtstoestand waarin partijen ten opzichte van elkaar verkeren. Het betreft een voorlopige beslissing, die haar kracht verliest zodra de bodemrechter over de rechtsverhouding een oordeel heeft gegeven. Een beslissing in kort geding heeft immers geen gezag van gewijsde.

4.3.

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de examencommissie niet bevoegd is het cijfer van haar afstudeerproduct te wijzigen. De door haar examinator gegeven waardering kan door de commissie niet worden gepasseerd of ex post worden bijgesteld, hetgeen ook volgt uit vaste jurisprudentie van het College van het Beroep voor het Hoger Onderwijs.

Bovendien heeft Windesheim [eiseres] eerst op de hoogte van de steekproef gesteld nadat door de examencommissie is besloten dat zij is geslaagd, aldus [eiseres] .

[eiseres] stelt voorts vraagtekens bij de wijze waarop de procedure van de steekproef is uitgevoerd. Zij is hierin niet gekend. Ook haar examinator en haar begeleider zijn hierin niet gekend. Er is door de commissie direct een andere examinator ingeschakeld. Deze examinator is bovendien opleidingsmanager. Een en ander maakt dat de objectiviteit in twijfel wordt getrokken.

Voorts valt niet in te zien waarom de beoordeling van de derde beoordelaar zwaarder weegt dan de beoordeling van de eerste twee.

4.4.

Windesheim verweert zich als volgt. In de diplomavergadering van de examencommissie is vastgesteld welke studenten in de steekproef vallen. Deze steekproef is, zoals volgt uit het verhandelde ter zitting, niet willekeurig, maar gebaseerd op het cijferbeeld van de afzonderlijke studenten. Vervolgens is advies gevraagd aan een andere examinator. In de volgende vergadering is op grond van de steekproef en het advies van deze examinator vastgesteld dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat [eiseres] aan alle vereisten van de Onderwijs- en Examenregeling (OER) heeft voldaan. Daarom is besloten [eiseres] nog geen diploma uit te reiken. De berichten van 5 en 7 juli 2016 waren echter al aan [eiseres] verzonden. Dit is per abuis gebeurd.

De examencommissie is bevoegd nader onderzoek te doen naar het afstudeerproduct van [eiseres] . Dit volgt uit de artikelen 7.11 en 7.12 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en is nader uitgewerkt in artikel 6.11 lid 1 van de OER en de artikelen 13 en 14 van het Reglement Examencommissie.

Bovendien kan op grond van artikel 15 van het Reglement Examencommissie worden overgegaan tot intrekking van het eerder genomen besluit, omdat sprake is van een abusievelijk genomen besluit, aldus Windesheim.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de examencommissie aanleiding heeft gezien het afstudeerproduct van [eiseres] nogmaals te laten beoordelen. Beoordeeld dient te worden of de examencommissie hiertoe bevoegd is.

4.5.1.

In de WHW is, voor zover van belang, opgenomen:

‘Artikel 7.11 Getuigschriften en verklaringen

1 (…)

2 Ten bewijze dat het examen met goed gevolg is afgelegd, wordt door de examencommissie een getuigschrift uitgereikt, nadat het instellingsbestuur heeft verklaard dat aan de procedurele eisen voor de afgifte is voldaan.

Artikel 7.12 Examencommissie

1 (…)

2 De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze vaststelt of een student voldoet aan de voorwaarden die de onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad.’

4.5.2.

In het OER is, voor zover van belang, opgenomen:

‘Artikel 6.11 – Examen

1. De examencommissie stelt in vergadering bijeen -de zogenaamde diplomazitting- de uitslag van het examen vast, nadat de examencommissie heeft onderzocht of de student aan alle voor het desbetreffende examen geldende verplichtingen heeft voldaan die deze onderwijs- en examenregeling stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor de bij de opleiding behorende graad. De examencommissie kan hiertoe een door of namens haar zelf te verrichten onderzoek uitvoeren.’

4.5.3.

In het Reglement Examencommissie is, voor zover van belang, opgenomen:

‘Artikel 13 – borging diploma

1. De examencommissie bewaakt dat alle vastgestelde opleidingscompetenties in het curriculum aan de orde komen en bewaakt dat studenten alle voorgeschreven competenties op het beoogde niveau behaald hebben, gebruik makend van een door de opleiding verschaft overzicht.

2. (…).

3. De examencommissie borgt de kwaliteit van toetsing en toetsorganisatie; hier wordt in ieder geval onder verstaan dat:

a. het door de opleiding vastgestelde toetsbeleid wordt uitgevoerd;

b. de examencommissie de kwaliteit van beoordelingen borgt door het volgens criteria aanwijzen van examinatoren en het steekproefsgewijs controleren van de kwaliteit van ingevulde beoordelingsformulieren van eindwerkstukken;

c. de examencommissie doet ten minste eenmaal per jaar een steekproef om de kwaliteit van als zodanig geoormerkte bewijsstukken van het eindniveau te controleren. Deze taak kan de examencommissie mandateren (…).

4. Bij gebleken tekortkomingen in de kwaliteit van beoordelingen of eindwerkstukken rapporteert de examencommissie aan de opleiding. Aan de opleiding wordt gevraagd verbetermaatregelen te treffen. De examencommissie controleert of de genomen maatregelen afdoende de geconstateerde tekortkomingen voorkomen en/of verhelpen.

Artikel 14 – examen en getuigschrift

1. In een vergadering aan het eind van iedere maand (met uitzondering van de maand juli) stelt de examencommissie per student vast of voldaan is aan de voorwaarden voor het bachelor getuigschrift. (…).

2. De examencommissie maakt per student gebruik van een door de opleiding verstrekt overzicht van de eisen waaraan de student moet voldoen om in aanmerking te komen voor het verkrijgen van een graad. Op grond van het overzicht moet de examencommissie ten minste het volgende kunnen vaststellen

a. de student heeft voldaan aan het vereiste aantal te behalen credits;

b. de student heeft het/een door de opleiding voorgeschreven studietraject gevolgd;

c. eventueel ingevoerde vrijstellingen zijn gearchiveerd;

d. de door de opleiding als zodanig geoormerkte bewijsstukken van het eindniveau zijn gearchiveerd;

e. de beoordelingsformulieren bij de bewijsstukken waarnaar in lid d verwezen wordt zijn correct ingevuld en voorzien van de vereiste handtekeningen;

f. de behaalde cijfers hebben de maximale geldigheidsduur niet overschreden, tenzij er een verlenging van deze geldigheidsduur is toegekend door de examencommissie en de resultaten binnen deze verlengde termijn zijn behaald.

3. Indien aan deze voorwaarden in lid 2 niet is voldaan, dan voert de examencommissie nader onderzoek uit. Dit kan leiden tot het bijstellen van één of meer toegekende cijfers door een examinator.

4. Indien het bedoelde in lid 3 leidt tot een onvoldoende, moet de student de betreffende onderwijseenheid herkansen.

5. (…)

Artikel 15- Algemene zaken

1. Een besluit van de examencommissie kan door haar ingetrokken of herzien worden in één van de volgende omstandigheden:

a. het besluit blijkt gebaseerd op foutieve of onvolledige informatie van de student;

b. nieuwe feiten doen zich voor die (tevens) betrekking hebben op het eerder genomen besluit. De examencommissie neemt in dat geval de betreffende zaak opnieuw in behandeling;

c. een besluit ondanks zorgvuldige voorbereiding abusievelijk is genomen en door herroeping ervan de student niet onredelijk in zijn belangen geschaad wordt. Dit laatste houdt in dat het besluit binnen redelijke termijn herroepen wordt en dat er een afweging van belangen van opleiding en student heeft plaatsgevonden.’

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter volgt uit voornoemde artikelen van de WHW, gelijk de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bij vonnis in kort geding van 4 november 2011 heeft geoordeeld (ECLI:NL:RBDHA:2013:14531), niet dat de examencommissie de bevoegdheid heeft om in individuele gevallen een uitslag die een examinator heeft toegekend, te herzien. De examencommissie is het orgaan dat op objectieve en deskundige wijze moet vaststellen of een student voldoet aan de voorwaarden die het OER stelt ten aanzien van kennis, inzicht en vaardigheden die nodig zijn voor het verkrijgen van een graad. Zij is onder meer belast met het borgen van de kwaliteit van examens. De bevoegdheid tot het afnemen van examens en het vaststellen van de uitslag daarvan is voorbehouden aan de door de examencommissie aangewezen examinatoren. Hieruit moet worden afgeleid dat tot het instrumentarium waarover de examencommissie beschikt ter uitvoering van haar taken niet de bevoegdheid behoort om definitieve tentamenuitslagen te herzien. Dat thans moet worden geoordeeld dat dit anders is, is niet onderbouwd.

4.7.

Dit volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet uit de overige door Windesheim genoemde (en hierboven weergegeven) bepalingen.

Op grond van artikel 6.11 OER dient de examencommissie te beoordelen of aan alle verplichtingen is voldaan. Hieruit volgt niet dat de examencommissie bevoegd is te besluiten dat het afstudeerproduct voor wat betreft de inhoud daarvan nogmaals moet worden beoordeeld.

Dit volgt ook niet uit artikel 13 Reglement Examencommissie; de examencommissie dient de kwaliteit van de toetsing en de toetsorganisatie te bewaken en (steekproefsgewijs) te beoordelen. Dit wordt bevestigd in lid 4 van dit artikel. Hierin is bepaald dat als sprake is van een tekortkoming in de kwaliteit van de beoordelingen of eindwerkstukken, de examencommissie dient te rapporteren aan de opleiding, om te zorgen voor verbetermaatregelen om de geconstateerde tekortkomingen – in de kwaliteit van de beoordelingen – te voorkomen en/of verhelpen.

Ook uit artikel 14 lid 3 Reglement Examencommissie volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de examencommissie bevoegd is om de waardering van een afstudeerproduct te laten heroverwegen. Uit de tekst van dit artikellid volgt dat de examencommissie enkel nader onderzoek uitvoert indien niet aan de in lid 2 genoemde voorwaarden is voldaan. Kort gezegd: indien volledig ingevulde stukken ontbreken. De voorzieningenrechter vindt geen steun voor het betoog dat de in lid 2 genoemde opsomming niet limitatief is voor wat betreft de bevoegdheid ex lid 3 een nader onderzoekt uit te voeren, zoals Windesheim betoogt.

4.8.

Dat het niet de examencommissie is die het afstudeerproduct (nogmaals) inhoudelijk heeft beoordeeld, maar een andere examinator, maakt voorgaande niet anders. Het is immers de examencommissie die, op grond van de cijfers van [eiseres] , heeft besloten tot het nogmaals beoordelen van het afstudeerproduct. Bovendien valt niet in te zien dat de beoordeling van [tweede beoordelaar] zwaarder dient te wegen dan de beoordeling van [examinator] .

4.9.

Dat sprake is van een abusievelijk genomen besluit volgt de voorzieningenrechter niet. Het afstudeerproduct is door de eerste examinator als voldoende beoordeeld. Vervolgens is aan [eiseres] medegedeeld dat de examencommissie haar cijferoverzicht heeft goedgekeurd en dat zij is geslaagd. Dat de examencommissie daarna aanleiding heeft gezien het afstudeerproduct nogmaals te laten beoordelen en op grond van deze beoordeling heeft besloten dat niet is voldaan aan alle vereisten, maakt niet dat sprake is van een abusievelijk genomen besluit als bedoeld in artikel 15 lid 1 sub c Reglement Examencommissie.

4.10.

Uit het vorenstaande volgt dat het betoog van Windesheim faalt. Dit maakt dat de vordering onder I van [eiseres] dient te worden wordt toegewezen. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

4.11.

De gevorderd dwangsom, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden gematigd en gemaximeerd zoals in het dictum vermeld.

4.12.

Ten aanzien van het onder II gevorderde – betaling van een voorschot ten bedrage van € 2.500,00 wegens schadevergoeding – overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.12.1.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Niet alleen dient onderzocht te worden of het bestaan van een vordering van de eisende partij op de gedaagde partij voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl de rechter in de afweging van de belangen mede dient te betrekking de vraag naar het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen aan weigering van de voorziening.

4.12.2.

[eiseres] stelt dat zij schade lijdt door de weigering tot afgifte van het getuigschrift, bestaande uit extra studiekosten als gevolg van studievertraging en gemis van inkomsten uit vakantiewerk. Nu de vordering onder I zal worden toegewezen, zijn deze schadeposten niet meer aan de orde.

[eiseres] stelt verder dat zij door het handelen van Windesheim immateriële schade heeft geleden. Hiertegen is door Windesheim geen verweer gevoerd. Mede gelet op de voormelde in acht te nemen terughoudendheid ziet de voorzieningenrechter aanleiding om als voorschot op deze schadepost een bedrag van € 250,00 toe te wijzen.

4.13.

De vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat [eiseres] kosten heeft gemaakt anders dan ter voorbereiding van deze procedure, welke kosten worden gedekt door de proceskostenveroordeling. Bovendien is door [eiseres] in dit kader geen bepaald bedrag gevorderd.

4.14.

Windesheim zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Aangezien aan [eiseres] een toevoeging is verleend zijn de kosten voor het uitbrengen van de dagvaarding (exclusief verschotten zoals informatiekosten) in debet gesteld. Deze kosten komen daarom niet voor vergoeding aan [eiseres] in aanmerking. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 0,00

- informatiekosten 7,74

- griffierecht 79,00

- salaris gemachtigde 816,00 +

Totaal € 902,74

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

veroordeelt Windesheim om aan [eiseres] binnen drie dagen na betekening van dit vonnis het getuigschrift uit te reiken, waaruit blijkt dat zij op 5 juli 2016 de opleiding Communicatie van Windesheim met goed gevolg heeft doorlopen en afgerond, onder verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag dat Windesheim in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum van € 15.000,00;

5.2.

veroordeelt Windesheim tot betaling van een voorschot ten bedrage van € 250,00 wegens schadevergoeding, binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;

5.3.

veroordeelt Windesheim tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiseres] , binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, tot op heden begroot op € 902,74;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens - de Mug en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2016.