Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2802

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
ak_zwo_16 _ 1483 en ak_zwo_16_1484
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1885, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Intrekking verleende erkenning kentekenplaatfabrikant voor duur van zes weken in verband met niet geregistreerde en doorlevering van een kentekenplaat; artikel 23a, eerste lid van de Erkenningsregeling biedt geen grondslag voor de opgelegde sanctie; beroep gegrond en vernietiging besluit, rechtbank herroept tevens primair besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/1483 en AWB 16/1484

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres] ., te Dalfsen, eiseres,

gemachtigde: mr. A. Arslan,

en

de directie van de Dienst Wegverkeer, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende erkenning kentekenplaatfabrikant voor de duur van zes weken ingetrokken.

Bij besluit van 24 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door A. [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I.J. Brouwer en H. Venhuizen.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2. Ingevolge artikel 70f, tweede lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994

kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen dan wel de daaraan verbonden voorschriften wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend

handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

Het derde lid bepaalt dat de Dienst Wegverkeer in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning kan schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.

Artikel 2, eerste lid, van de Erkenningsregeling fabrikanten kentekenplaten (hierna: de Erkenningsregeling) bepaalt dat een erkenning kan worden verleend aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die exploitant is van een productieplaats en die is gevestigd in de Europese Unie of in een staat die partij is bij het Verdrag inzake de Europese economische ruimte.

Het tweede lid bepaalt dat per productieplaats slechts één erkenning wordt afgegeven.

Het derde lid bepaalt dat een erkenning slechts kan worden verleend voor een productieplaats die zich bevindt in de Europese Unie of in een staat die partij is bij het Verdrag inzake de Europese economische ruimte en die voldoet aan de in de artikel 3 gestelde eisen.

Artikel 15, tweede lid, van de Erkenningsregeling bepaalt dat onverminderd artikel 23a, een erkenninghouder geen blanco-kentekenplaten mag doorleveren aan een andere erkenninghouder.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Erkenningsregeling meldt de erkenninghouder bij de afgifte van kentekenplaten, die voorzien behoren te zijn van een lamineercode, bij de Dienst Wegverkeer, op door deze dienst te bepalen wijze, de daarbij genoemde gegevens.

Ingevolge artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling mag, in afwijking van artikel 15,

de erkenninghouder de daarbij vermelde kentekenplaten leveren aan een andere erkenninghouder. Deze kentekenplaten zijn, indien van toepassing, voorzien van een duplicaatcode. Zij zijn niet voorzien van een merk als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Erkenningsregeling kentekens en kentekenplaten.

Met betrekking tot het toezicht op de erkenning kentekenplaatfabrikant voert verweerder beleid dat is neergelegd in de toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2016 van 1 april 2016 (hierna: de toezichtbeleidsbrief) en de bijlage erkenning kentekenplaatfabrikant en/of lamineerder (GAIK) 2016 (hierna: de bijlage).

3.1

Eiseres exploiteert een onderneming op het gebied van de (groot)handel in banden, auto-onderdelen en accessoires en de fabricage en verkoop van kentekenplaten. Eiseres heeft vestigingen in Dalfsen, Assen, Groningen, Coevorden en Drachten.

3.2

Bij een controlebezoek van een bedrijvencontroleur aan de productieplaats van eiseres aan [adres] te Dalfsen (hierna: de productieplaats) op 21 augustus 2015 is geconstateerd dat eiseres de afgifte van kentekenplaat met lamineercode 2137300011 en voorzien van kenteken [kenteken] niet heeft geregistreerd. Volgens verweerder heeft eiseres hiermee gehandeld in strijd met artikel 23, eerste lid, van de Erkenningsregeling.

3.3

Bij brief van 8 september 2015 heeft verweerder deze constatering aangemerkt als een categorie II overtreding en heeft verweerder eiseres de waarschuwing gegeven, inhoudende dat indien verweerder binnen 30 maanden wederom een overtreding van eiseres constateert, de erkening kentekenplaatfabrikant tijdelijk of definitief kan worden ingetrokken.

3.4

Bij een controlebezoek van een bedrijvencontroleur van verweerder aan de productieplaats van eiseres op 20 november 2015 is geconstateerd dat eiseres kentekenplaten met lamineercode

2155000826 en 2155000827 en voorzien van kenteken [kenteken] heeft doorgeleverd aan [eiseres] . te Assen. Volgens verweerder heeft eiseres hiermee gehandeld in strijd met artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling.

3.5

Verweerder heeft aan het bestreden besluit de bevindingen tijdens het controlebezoek op 20 november 2015 ten grondslag gelegd. Voorts is aangegeven dat verweerder eiseres voor een eerdere overtreding op 8 september 2015 een waarschuwingsbrief heeft gestuurd, waarin is vermeld dat bij een volgende overtreding de erkenning tijdelijk of definitief kan worden ingetrokken.

4. Eiseres stelt dat van overtredingen geen sprake is. Verweerder heeft eiseres op

8 september 2015 ten onrechte een waarschuwing opgelegd. Eiseres heeft de afgifte van de kentekenplaat geregistreerd. Dat het kenteken op “niet afgegeven” stond is wellicht te wijten aan een storing bij verweerder.

Ten aanzien van de op 20 november 2015 geconstateerde overtreding is verweerder ten onrechte afgegaan op de verklaring van K. Exel, omdat deze verklaring, of de weergave daarvan in het inspectierapport, onjuist en tegenstrijdig is.

Feitelijk was sprake van aflevering van een voorgefabriceerde kentekenplaat aan een klant in Assen en niet van doorlevering van een blanco kentekenplaat. Volgens het document “Procedures GAIK” is dit toegestaan.

Eiseres stelt voorts dat niet gebleken is dat aan het bestreden besluit een belangenafweging ten grondslag ligt en dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het bestreden besluit had kunnen komen, dan wel gebruik had dienen te maken van de inherente afwijkingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht.

Eiseres stelt tot slot dat haar ten onrechte niet de mogelijkheid is geboden tot het geven van een zienswijze.

5. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres ter zitting de beroepsgrond dat zij niet in de gelegenheid is gesteld haar zienswijze naar voren te brengen, heeft laten vallen. Deze beroepsgrond behoeft derhalve geen nadere bespreking.

6. Verweerder past voor toepassing van de bevoegdheid ter zake van het bepalen van de sanctiezwaarte het in de toezichtbeleidsbrief en de bijlage omschreven beleid toe. Dit beleid betreft een systeem van in ernst oplopende sancties, waarbij in algemene zin rekening is gehouden met de bedrijfseconomische belangen van erkenninghouders. Hiermee heeft verweerder in algemene zin te kennen gegeven, hoe de belangenafweging uitvalt en hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. De voorzieningenrechter acht dit beleid als zodanig niet onredelijk.

Overtreding 21 augustus 2015

7.1

Aan de waarschuwing van 8 september 2015 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat gebleken is dat eiseres de afgifte van kentekenplaat met lamineercode 2137300011 en voorzien van kenteken [kenteken] niet heeft geregistreerd.

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij de controle is uitgegaan van de vermelding van de betreffende kentekenplaat op een lijst van verweerder als “uitgegeven en niet geregistreerd”. Bij het controlebezoek heeft Exel de kentekenplaat niet kunnen tonen en verklaard dat deze plaat is afgegeven, maar dat hij niet weet waarom deze plaat niet op afgifte is gezet.

7.2

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat voldoende vast dat eiseres de afgifte van kentekenplaat met lamineercode 2137300011 en voorzien van kenteken

[kenteken] niet heeft geregistreerd.

7.3

Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het niet registeren haar niet valt toe te rekenen. De enkele stelling dat de kentekenplaat bij afgifte is geregistreerd en dat het feit dat het kenteken op “niet afgegeven” stond wellicht te maken heeft met een storing in het systeem van verweerder, is hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat eiseres als erkenninghouder de mogelijkheid heeft om een overzicht op te vragen van alle kentekenplaten die nog in voorraad staan. Eiseres had aan de hand van dit overzicht kunnen controleren of de afgifte van de betreffende kentekenplaat geregistreerd was.

7.4

Het feit dat registratie van de afgifte van de betreffende kentekenplaat tijdens het controlebezoek niet mogelijk was, duidt, anders dan eiseres veronderstelt, niet zonder meer op het reeds geregistreerd zijn van de afgifte van de betreffende kentekenplaat. Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht ging het in dit geval om afgifte van een handelaarskentekenplaat. Een handelaarskentekenplaat wordt in een set van maximaal

5 kentekenplaten afgegeven en deze set dient gelijktijdig te worden afgegeven en geregisteerd. Omdat registratie van eerdere afgifte van kentekenplaten uit de set reeds had plaatsgevonden, kreeg Exel bij een poging tot registratie tijdens het controlebezoek op

21 augustus 2015 de melding dat de lamineercode reeds geregistreerd was en was registratie van de afgifte van onderhavige kentekenplaat door eiseres niet meer mogelijk. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de afgifte van de betreffende kentekenplaat daags na het controlebezoek door verweerder handmatig op afgegeven is gezet.

7.5

Gelet op artikel 23 van de Erkenningsregeling, het stroomschema uit de toezichtbeleidsbrief en paragraaf 4.5 van de bijlage heeft verweerder deze gedraging terecht gekwalificeerd als categorie II-overtredingen welke overtreding leidt tot een waarschuwing.

Overtreding 20 november 2015

8.1

Aan de intrekking van de aan eiseres verleende erkenning kentekenplaatfabrikant voor de duur van zes weken heeft verweerder eerdergenoemde waarschuwing ten grondslag gelegd, alsmede het volgens verweerder op 20 november 2015 geconstateerde doorleveren van kentekenplaten met lamineercodes 2155000826 en 2155000827 en voorzien van kenteken [kenteken] aan [eiseres] . in Assen.

8.2

Voor de beoordeling van het geschil gaat de voorzieningenrechter uit van de feiten, zoals deze niet door eiseres worden bestreden. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte is afgegaan op de verklaring van K. Exel behoeft om die reden geen nadere bespreking.

8.3

De rechtbank houdt het ervoor dat de betreffende, bedrukte kentekenplaten op

19 of 20 november 2015 door [naam 2] , medewerker/indirect bestuurder van eiseres, voor een klant zijn meegenomen naar het filiaal in Assen, waar de kentekenplaten op

20 november 2015 aan de klant zijn afgegeven.

8.4

Eiseres stelt dat sprake is van het afleveren van kentekenplaten door een medewerker bij een klant en niet van het doorleveren van kentekenplaten aan een niet-erkenninghouder. Eiseres stelt zich daarbij voorts op het standpunt dat de erkenning is verleend aan eiseres als rechtspersoon en dat de daarmee verleende bevoegdheden aan de rechtspersoon toekomen, en daarmee aan al haar vestigingen, met uitzondering van de bevoegdheid om kentekenplaten te produceren, welke bevoegdheid uitsluitend toekomt aan de bij de vestiging te Dalfsen gevestigde productieplaats.

8.5

Uit de Erkenningsregeling volgt echter dat de erkenning wordt verleend aan de rechtspersoon die exploitant is van de productieplaats en dat de erkenning wordt verleend voor de productie en afgifte van kentekenplaten. De omstandigheid dat de rechtspersoon niet alleen een productieplaats exploiteert maar ook andere handelsactiviteiten verricht op andere locaties bekent nog niet dat de erkenning dezelfde reikwijdte heeft. Gezien de tekst van de Erkenningsregeling en de doelstelling daarvan is de voorzieningenrechter van oordeel dat zowel de bevoegdheid om kentekenplaten te produceren als de bevoegdheid om kentekenplaten af te geven bij de door de rechtspersoon geëxploiteerde productieplaats ligt, in dit geval de vestiging van eiseres in Dalfsen.

8.6

Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat van afleveren van de betreffende kentekenplaat middels een medewerker van het bedrijf zoals beschreven in de door verweerder gehanteerde leidraad "Procedures GAIK” reeds geen sprake is, omdat de kentekenplaten bij bezorging bij de vestiging te Assen niet onmiddellijk aan de klant zijn afgegeven en er tijd zat tussen bezorging in Assen en afgifte aan de klant.

8.7

Anders dan verweerder is de voorzieningenrechter evenwel van oordeel dat dit feitencomplex geen overtreding vormt van artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling. Dit artikellid bevat namelijk geen verbodsbepaling, maar geeft een uitzondering op de in artikel 15, tweede lid, van de Erkenningsregeling neergelegde verbodsbepaling.

Weliswaar valt de handelwijze zoals hier aan de orde niet onder deze uitzondering, maar daarmee is nog geen sprake van een niet toegestane gedraging. Verder geldt dat een overtreding van artikel 15, tweede lid, zich niet heeft voorgedaan, omdat het hier niet gaat om blanco-kentekenplaten.

8.8

Artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling biedt dan ook geen grondslag voor de opgelegde, bestraffende, sanctie.

8.8

Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling.

9.1

Het beroep is gegrond en de voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven om die reden geen nadere bespreking.

9.2

Gezien het bestraffende karakter van het bestreden besluit acht de voorzieningenrechter geen termen aanwezig om verweerder in de beroepsfase nog gelegenheid te geven om te onderzoeken of de Erkenningsregeling een andere grondslag biedt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het aan verweerder om een bestraffende sanctie in de bestuurlijke fase van een deugdelijke grondslag te voorzien. De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

9.3

Gelet hierop is er geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.

9.4

Omdat de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaart, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

9.5

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft die proceskostenveroordeling ook betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1488, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 668, - aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1488, -.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningen-rechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.