Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2800

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-07-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
08/770108-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 34-jarige man uit Kampen voor ontucht met een 14-jarig meisje tot een gevangenisstraf van 6 dagen onvoorwaardelijk en 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met bijzondere voorwaarden. Daarnaast legt de rechtbank hem een taakstraf op van 240 uur.

De man wist van meet af aan dat zij 14 jaar was, terwijl hij zelf op dat moment 32 jaar was. Hij was bovendien op de hoogte van het feit dat zij een verstandelijke beperking heeft en kampt met psychische problemen en dat zij om die reden in een jeugdinstelling verbleef. Deze omstandigheden hielden hem niet tegen om contact met haar te hebben en haar gedurende twee weken in zijn woning te laten verblijven zonder dat haar naasten wisten waar ze was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08/770108-15 (P)

Datum vonnis: 21 juli 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1982 te [geboorteplaats] (Colombia),

wonende te [woonplaats 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 juli 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Zuil en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J. de Ruiter, advocaat te Kampen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 mei 2015 tot 3 juni 2015 in de gemeente Kampen, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk een minderjarige, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2001), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag

desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten het gezag dat haar ouders en/of (gezins)voogd had(den)), immers heeft verdachte (in strijd met de afspraken en/of zonder medeweten en/of toestemming van die ouders en/of uitoefenaar opzicht) toen die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, woning gelegen aan de [adres] vastgehouden en/of opgesloten en/of verborgen en die [slachtoffer] zodanig feitelijk buiten het bereik en/of de invloedssfeer van die ouders en/of (gezins)voogd gebracht, dat de uitoefening van het gezag door die ouders en/of (gezins)voogd onmogelijk was geworden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 mei 2015 tot 3 juni 2015 in de gemeente Kampen,

met [slachtoffer] , geboren op 7 januari 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het meermalen, althans éénmaal, duwen/drukken/brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] .

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van drie jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en een contactverbod met [slachtoffer] . Zij heeft daarbij verzocht de uitspraak dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van de bewijsmiddelen die als bijlage aan dit vonnis zijn gehecht en daarvan deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

5.2

Het standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een beslissende invloed van verdachte op [slachtoffer] , als gevolg waarvan zij bij hem heeft verbleven. Het enkel bieden van onderdak is onvoldoende om te kunnen spreken van opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag.

De raadsman heeft zich met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.3

De overwegingen van de rechtbank

Verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 18 mei 2015 tot 3 juni 2015 [slachtoffer] , destijds in de leeftijd van 14 jaar, in zijn woning heeft laten verblijven, terwijl niemand uit haar omgeving wist waar zij verbleef. Gedurende het verblijf van [slachtoffer] in de woning van verdachte hebben zij meermalen seksuele gemeenschap met elkaar gehad.

Met betrekking tot feit 1 overweegt de rechtbank als volgt.

Er is voldoende bewijs voor de in de tenlastelegging genoemde gedragingen. Van de zijde van de verdediging is gesteld dat deze gedragingen niet kunnen worden gekwalificeerd als onttrekking aan het wettelijk gezag zoals bedoeld in artikel 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.), omdat het initiatief tot het verblijf in verdachtes woning bij [slachtoffer] lag. Verdachte zou niet een zodanig beslissende invloed hebben gehad op de tijdelijke scheiding tussen [slachtoffer] en degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenden (te weten enerzijds haar ouders en anderzijds de gezinsvoogd die bij het gezin is betrokken sinds [slachtoffer] in 2014 onder toezicht is gesteld) dat gesproken kan worden van onttrekking aan dat gezag.

De rechtbank volgt dat standpunt niet. [slachtoffer] verbleef voorafgaand aan haar verblijf bij verdachte op een woongroep van jongereninstelling [instelling] . Om het andere weekend verbleef ze bij haar vader in [woonplaats 2] . Op 18 mei 2015 is [slachtoffer] door haar vader als vermist opgegeven, nadat ze had gezegd dat ze naar Zandvoort ging om iets te kopen en daarna niet was teruggekeerd.

Uit onder andere de verklaringen van verdachte en uit de vele WhatsApp-berichten die verdachte en [slachtoffer] hebben uitgewisseld blijkt dat verdachte, nadat hij met [slachtoffer] had afgesproken dat zij naar hem toe zou komen, geld naar haar heeft overgemaakt voor de treinreis. Hij heeft [slachtoffer] opgehaald van het station en haar naar zijn woning gebracht. Uit de WhatsApp-gesprekken volgt ook dat verdachte en [slachtoffer] afspraken hebben gemaakt over wat zij telefonisch tegen haar vader zou moeten zeggen om te verhullen dat ze bij verdachte verbleef. Verdachte heeft vervolgens gedurende een periode van twee weken in haar onderhoud voorzien, tot de politie op 2 juni 2015 de woning is binnengevallen.

Uit al deze omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat het gedrag en de handelingen van verdachte wel degelijk van zodanig beslissende invloed zijn geweest dat van onttrekking in de zin van artikel 279 Sr. moet worden gesproken.

De rechtbank overweegt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 1 sprake is van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv.). De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

Ten aanzien van het tenlastegelegde onder feit 2 is eveneens sprake van een bekennende verdachte in de zin van artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv. De rechtbank zal daarom in de bijlage van dit vonnis volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen die tot de bewezenverklaring hebben geleid.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 18 mei 2015 tot 3 juni 2015 in de gemeente Kampen, telkens opzettelijk een minderjarige, te weten: [slachtoffer] (geboren op 7 januari 2001), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over voornoemde minderjarige uitoefende, (te weten het gezag dat haar ouders en/of (gezins)voogd had(den)), immers heeft verdachte zonder medeweten en/of toestemming van die ouders en/of uitoefenaar opzicht) toen die [slachtoffer] in zijn, verdachtes, woning gelegen aan de [adres] verborgen en die [slachtoffer] zodanig feitelijk buiten het bereik en de invloedssfeer van die ouders en/of (gezins)voogd gebracht, dat de uitoefening van het gezag door die ouders en/of (gezins)voogd onmogelijk was geworden;

2.

hij in de periode van 18 mei 2015 tot 3 juni 2015 in de gemeente Kampen,

met [slachtoffer] , geboren op 7 januari 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het meermalen brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] .

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 279 en 245 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

Onttrekking van een minderjarige aan het wettig gezag en het bevoegd opzicht.

feit 2

het misdrijf:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Verdachte heeft via een chat-site een 14-jarig meisje leren kennen, heeft vervolgens contact met haar onderhouden en heeft haar na enige tijd ontmoet, waarna hij een seksuele relatie met het meisje is aangegaan. Hij wist van meet af aan dat [slachtoffer] 14 jaar was, terwijl hij zelf op dat moment 32 jaar was. Hij was bovendien op de hoogte van het feit dat zij een verstandelijke beperking heeft en kampt met psychische problemen en dat zij om die reden in een jeugdinstelling verbleef. Deze omstandigheden hebben verdachte er niet van weerhouden contact met [slachtoffer] te hebben, haar gedurende twee weken in zijn woning te laten verblijven zonder dat haar naasten wisten waar ze was, en gedurende dat verblijf veelvuldig seksueel contact met haar te hebben. Verdachte heeft door zijn handelen de ouders van [slachtoffer] en de instelling waar zij verbleef in grote onzekerheid gelaten. Het valt verdachte bovendien zwaar aan te rekenen dat hij ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een 14-jarig, emotioneel kwetsbaar meisje. Hij heeft hiermee in ernstige mate inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit.

De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel justitiële documentatie van de verdachte d.d. 6 juni 2016 waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld ter zake strafbare feiten.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met:

- een Pro Justitia-rapport over de persoon van verdachte van 4 november 2015, opgemaakt door J.M. de Jonge, GZ-psycholoog;

- een adviesrapport over de persoon van verdachte van 28 juni 2016, opgemaakt door N. Polman, reclasseringswerker Reclassering Nederland.

Het Pro Justitia-rapport vermeldt dat bij verdachte sprake is van een aandachtstekortstoornis. Daarnaast heeft hij weinig zelfvertrouwen en weinig vertrouwen in anderen. Verdachte heeft zich, door de beschermende omgeving waarin hij is opgegroeid, moeizamer ontwikkeld op het gebied van een eigen identiteit, een eigen wil en zelfvertrouwen. Hij is hierdoor erg beïnvloedbaar en manipuleerbaar. Zijn copingvaardigheden zijn beperkt waardoor hij perioden kende dat hij geen uitweg zag, te weinig hulp ervoer en geen overzicht meer had op mogelijke oplossingen. Dit heeft de gedragskeuze en de gedragingen van verdachte beïnvloed. Het is passend bij de aandachtstekortstoornis dat het overzicht over het geheel moeilijk gezien wordt, of de aandacht op minder relevante zaken worden gericht. Er kan sprake zijn van impulsieve acties waarbij de gevolgen niet altijd goed ingeschat worden. Volgens de deskundige hebben de beperkte copingvaardigheden bij de sombere, depressieve gevoelens die verdachte kende en waaruit soms suïcidegedachten ontstonden, een belangrijke rol gespeeld. Het lijkt er op dat verdachte aansluiting voelde bij het slachtoffer. Dat hij haar wilde helpen, maar ook dat hij zelf gehoord werd. Verdachte had in de periode voor hun contact suïcidale gedachten, maar volgens verdachte kreeg hij door haar weer een doel in zijn leven en bracht zij rust. Verdachte wist dat zij minderjarig was maar dat is vervaagd door hun emotionele aansluiting. De deskundige schat in dat verdachte naar alle waarschijnlijkheid nooit het gevoel heeft gehad dat ze veel jonger is dan hij. Dit alles heeft de gedragskeuzes c.q. gedragingen van verdachte in aanzienlijke mate beïnvloed. De deskundige acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. De deskundige is van mening dat, wanneer er niets verandert aan verdachtes copingvaardigheden en eigenwaarde en identiteit, hij mogelijk terugvalt in soortgelijk gedrag. Om die reden adviseert de deskundige een (ambulant) behandeltraject.

De rechtbank neemt de conclusie van de psycholoog op de door hem genoemde gronden over. De rechtbank zal bij de straftoemeting dan ook rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

De reclassering schat het recidive-risico in als laag-gemiddeld en onderschrijft het advies van psycholoog De Jonge in die zin, dat een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt geadviseerd met een aantal bijzondere voorwaarden, waaronder een ambulante behandeling.

Met een voorwaardelijke straf heeft verdachte volgens de reclassering een stok achter de deur om uit risicovolle situaties te blijven en zich te weerhouden van delictgedrag. Het schokeffect dat het huidige justitiecontact met zich meebrengt is dermate groot dat een dergelijke stok achter de deur verdachte helpt om niet de verkeerde keuzes te maken, aldus de reclassering.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten die op zichzelf genomen een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf – zoals door de officier van justitie geëist – rechtvaardigen.

Desalniettemin ziet de rechtbank aanleiding om te komen tot een lichtere straf en een andere strafmodaliteit dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank betrekt daarbij in sterke mate de persoonlijke omstandigheden zoals die in voormelde rapportages naar voren zijn gekomen. Bovendien houdt zij rekening met het feit dat verdachte spijt heeft betuigd voor wat hij heeft gedaan, dat hij zelf na zijn aanhouding hulp heeft gezocht voor zijn psychische problemen en dat hij uit eigen beweging maatregelen heeft genomen om het contact met [slachtoffer] (voor zover dat contact door [slachtoffer] werd gezocht) te verbreken.

Verdachte heeft zes dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. De rechtbank acht het al met al niet wenselijk om aan verdachte een langere onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen, waardoor hij opnieuw naar de gevangenis zou moeten.

De rechtbank is van oordeel dat met de hierna te noemen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking wordt gebracht en dat van die straf een voor verdachte – gezien zijn persoon – afdoende recidive-beperkende prikkel zal uitgaan.

De rechtbank ziet, gelet op de het laag-gemiddelde recidiverisico geen aanleiding om de uitspraak dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 27 en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- kwalificeert dit als hiervoor vermeld;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) dagen;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen (9) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden dat

­ de veroordeelde zich gedurende de proeftijd op uitnodiging zal melden bij de reclassering. Hierna zal veroordeelde zich blijven melden en houden aan de aanwijzingen van de reclassering zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht;

­ de veroordeelde zich zal laten behandelen voor de psychische problematiek bij Transfore of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, indien en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

­ de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2001, zolang de reclassering dit nodig acht;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J.C. Hangx, voorzitter, mr. G. Edelenbos en mr. C.H. Beuker, rechters, in tegenwoordigheid van W. van Goor, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2016.

Buiten staat

Mrs. L.J.C. Hangx en C.H. Beuker zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2015352756. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Feiten 1 en 2.

1. Het proces-verbaal van bevindingen1 d.d. 2 juni 2015, onder meer inhoudende het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;

2. Het proces-verbaal van bevindingen2 d.d. 28 oktober 2015, onder meer inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] ’

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige3 d.d. 4 juni 2015, onder meer inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;

4. De bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 7 juli 2016.

1 Pagina 16, 17

2 Pagina 50 t/m 59

3 Pagina 81 t/m 91