Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2790

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
17-11-2016
Zaaknummer
C/08/176489 / HA ZA 15-506
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenconflict. Geen onrechtmatige hinder door brandtrap die zicht biedt op naastgelegen perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/176489 / HA ZA 15-506

Vonnis van 27 juli 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser,

advocaat mr. G. Hendriks te Kampen,

tegen

de stichting

STICHTING EEN HELPENDE HAND AAN ROEMENIË,

gevestigd te Kampen,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Both te Dronten.

Partijen zullen hierna [eiser] en Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 13 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 16 februari 2016

  • -

    de akte van Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië

  • -

    de antwoordakte van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] woont met zijn echtgenote aan de [adres 1] te [plaats] . Zijn achtertuin grenst aan de [adres 2] te [plaats] .

2.2.

Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië is een stichting die hulp aan Roemenië biedt door verkoop van goederen in een tweedehandswinkel in de Jan Post Hal, welke hal gevestigd is aan de Ambachtsstraat 2 te Kampen.

2.3.

In de zomer van 2012 is de Jan Post Hal gesloopt en vervangen door een nieuwe hal. Voor de realisering hiervan heeft Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië een omgevingsvergunning verkregen en de nieuwe hal is in de zomer van 2013 in gebruik genomen.

2.4.

Aan de linker achterkant van de nieuwe hal bevindt zich op de eerste verdieping een branddeur. Aan de buitenkant van de gevel van de hal is een brandtrap bevestigd vanaf deze branddeur tot aan de grond. De brandtrap is zichtbaar vanuit de woning en tuin van [eiser] .

2.5.

[eiser] heeft bij brief d.d. 7 februari 2014 aan Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië onder andere kenbaar gemaakt dat het regelmatig gebruik van de brandtrap een ernstige inbreuk op zijn privacy veroorzaakt.

2.6.

Bij brief van 17 februari 2014 heeft Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië aan [eiser] onder andere kenbaar gemaakt dat zij betwist dat de brandtrap regelmatig gebruikt wordt en dat zij het gebruik daarvan zoveel mogelijk zal beperken, maar zich niet beperkt te willen voelen door de trap niet meer te mogen gebruiken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - uitvoerbaar bij voorraad dat de rechtbank:

Primair

zal bepalen dat Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië de brandtrap aan het pand aan de Ambachtsstraat dient af te breken binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis en verwijderd houdt, onder oplegging van een dwangsom;

Subsidiair

Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië veroordeelt in de schade die [eiser] lijdt door de brandtrap, begroot op € 40.000,00;

met veroordeling van Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië in de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

3.2.

[eiser] stelt hiertoe dat vanaf de brandtrap volledig zicht is op zijn tuin, woonkamer en keuken. Doordat gebruik gemaakt wordt van deze brandtrap wordt er ernstige inbreuk gemaakt op zijn privacy. Er is sprake van onrechtmatige hinder in de zin van 5:37 BW.

3.3.

Het privacybelang van [eiser] dient te prevaleren boven de bouw conform de bouwvergunning. Onvoldoende gebleken is dat Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië een rechtens te respecteren belang heeft bij de bouw van de brandtrap in de huidige vorm. Zij hadden voor een minder bezwaarlijke uitvoering van de brandtrap kunnen kiezen, bijvoorbeeld door de brandtrap voldoende af te schermen.

3.4.

Bovendien is de brandtrap in strijd met artikel 5:50 BW, omdat de brandtrap binnen 2 meter van de erfgrens is gebouwd en zicht heeft op het perceel van [eiser] .

3.5.

Door de brandtrap lijdt [eiser] schade, omdat de waarde van zijn woning, blijkens het taxatierapport van makelaarskantoor Renes Leven en Wonen, is verminderd met € 40.000,00, aldus [eiser] .

3.6.

Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië voert verweer en betwist dat sprake is van onrechtmatige hinder.

3.7.

Over de bouw van de nieuwe hal is voorafgaand aan de bouw uitvoerig overleg gevoerd met [eiser] . [eiser] heeft zijn bezwaren tegen de brandtrap toen niet bekend gemaakt en heeft evenmin bezwaar aangetekend tegen de omgevingsvergunning. [eiser] heeft pas op 7 februari 2014 voor het eerst geklaagd over de brandtrap. Nadat [eiser] geklaagd had, heeft Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië interne afspraken gemaakt en instructies gegeven aan de vrijwilligers en het personeel teneinde het gebruik van de brandtrap zo veel mogelijk te beperken. Er zijn geen aanwijzingen dat deze instructies niet opgevolgd zouden worden.

3.8.

De vordering mist feitelijke grondslag, omdat [eiser] enkel de vage opmerking maakt dat hij privacy-schending ervaart. Hij heeft nagelaten te vermelden wat hij hiermee precies bedoelt en hoe vaak de trap gebruikt wordt. In de feitelijke situatie wordt de brandtrap niet of nauwelijks gebruikt. Voorts ligt de woning op een industrieterrein, zodat voor de normstelling voor de te dulden privacy-inbreuk uitgegaan moet worden van leven op een bedrijventerrein.

3.9.

Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië mag er in het algemeen en in casu op vertrouwen dat de omgevingsvergunning overeenkomstig de wet is verleend en dat de overeenkomstig de wet in aanmerking te nemen belangen volledig en op de juiste wijze zijn afgewogen en dat zij gerechtvaardigd van de vergunning gebruik kon maken.

3.10.

De brandtrap is geen balkon of venster en in de branddeur zit geen raam. Er is dan ook geen sprake van een muuropening en artikel 5:50 BW is niet van toepassing.

3.11.

De brandtrap is noodzakelijk en verplicht. Als [eiser] eerder had geklaagd dan had de architect nog kunnen kijken of de brandtrap elders geplaatst c.q. afgeschermd had kunnen worden. Nu kan de brandtrap niet meer verplaatst worden. Dat [eiser] zijn kansen voorbij heeft laten gaan, dient voor zijn risico te blijven. Voorts is aangeboden de brandtrap te bekleden, maar hierop is [eiser] niet ingegaan. Hij heeft dan ook rechtens geen reden meer om te klagen.

3.12.

Er is geen sprake van schade en het door makelaarskantoor Renes Leven en Wonen

opgestelde taxatierapport wordt betwist. [eiser] heeft zijn woning reeds lange tijd voor een te hoge prijs te koop staan. De makelaar is bij de taxatie onterecht er van uit gegaan dat sprake is van een burgerwoning, terwijl de woning van [eiser] een bedrijfswoning is.

3.13.

Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inbreuk op artikel 5:50 BW?

4.1.

[eiser] heeft ter comparitie alsnog een beroep gedaan op artikel 5:50 BW. In dit kader heeft Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië het standpunt ingenomen dat deze gang van zaken in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor, zodat zij na de comparitie alsnog in de gelegenheid gesteld wilde worden om bij akte zich uit te laten over deze grondslag. De rechtbank constateert dat Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië vervolgens om haar moverende redenen heeft nagelaten om bij akte van 1 juni 2016 aanvullend verweer te voeren op dit punt. Nu Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië zowel ter comparitie als bij akte de gelegenheid heeft gehad om op dit punt verweer te voeren, is voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor, zodat de rechtbank hierna allereerst een beslissing zal geven ten aanzien van artikel 5:50 BW.

4.2.

Als onweersproken staat vast dat de zich bovenaan de brandtrap bevindende deur geen ramen of openingen bevat, zodat deze deur niet is aan te merken als een venster in de zin van artikel 5:50 lid 1 BW.

4.3.

Ten aanzien van de brandtrap is niet in geschil is dat deze binnen 2 meter van de erfafscheiding gesitueerd is en (een deel van) de brandtrap uitzicht biedt op de tuin en/of woning van [eiser] . Partijen twisten over de vraag of de brandtrap een “balkon of soortgelijk werk” is in de zin van artikel 5:50 lid 1 BW.

4.4.

Uit het slot van artikel 5:50 lid 1 BW blijkt dat deze bepaling ertoe strekt de mogelijkheid van uitzicht op naburige erven te beperken (zie HR 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5547). Hierbij is van belang wat de aard en de constructie van het “werk” is.

4.5.

Vooropgesteld wordt dat een brandtrap wordt aangebracht en tot doel heeft om een vluchtroute te creëren voor noodsituaties. Een brandtrap dient in beginsel dan ook slechts gebruikt te worden in dergelijke sporadisch voorkomende situaties, zodat een brandtrap gelet op haar aard niet is aan te merken als een “balkon of soortgelijk werk” in de zin van artikel 5:50 BW. Bovendien is de constructie van de onderhavige brandtrap overeenkomstig het voormelde doel, zodat de rechtbank evenmin op grond van de constructie aanleiding ziet om in de onderhavige zaak anders te oordelen.

4.6.

Het voorgaande laat overigens onverlet dat sprake zou kunnen zijn van een situatie waarin een brandtrap feitelijk niet slechts wordt gebruikt als vluchtroute, maar tevens wordt gebruikt voor andere doeleinden. Of een dergelijk gebruik al dan niet onrechtmatig is jegens buren dient te worden beoordeeld aan de hand van de artikelen 5:37 BW en 6:162 BW.

Onrechtmatige hinder, artikel 5:37 jo 6:162 BW?

4.7.

Het antwoord op de vraag of de gestelde hinder onrechtmatig is, hangt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade, mede gelet op de verdere omstandigheden van het geval. Voorts vrijwaart het feit dat Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië beschikt over een (publiekrechtelijke) vergunning haar niet van een eventuele (civielrechtelijke) aansprakelijkheid ex artikel 5:37 jo 6:162 BW.

4.8.

[eiser] stelt dat hij hinder ondervindt van de brandtrap, omdat hierop mensen lopen die in zijn woning kunnen kijken en zijn privacy hierdoor wordt aangetast. Tevens is aangevoerd dat het is voorgekomen dat ’s nachts personen - de rechtbank begrijpt derden - op de brandtrap hebben gestaan en de inbraakgevoeligheid wordt vergroot doordat personen vanaf de brandtrap op het dak van de schuur van [eiser] zouden kunnen komen en vervolgens in zijn tuin kunnen springen.

4.9.

Ten aanzien van het gebruik van de brandtrap is onbetwist gebleven dat, nadat [eiser] daarover geklaagd had, Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië aan haar vrijwilligers en personeel uitdrukkelijk de instructie heeft gegeven dat het gebruik van de brandtrap zo veel mogelijk beperkt moet worden en de brandtrap niet gebruikt mag worden door klanten.

4.10.

Ter comparitie heeft [eiser] voorts erkend dat de brandtrap op dat moment weinig werd gebruikt, waarbij hij mededeelde dat dit het geval was sinds de onderhavige procedure. De rechtbank begrijpt derhalve sinds eind januari 2015. Dit in aanmerking nemende had het op de weg van [eiser] gelegen om nader te concretiseren hoe vaak en voor welke activiteiten de trap thans daadwerkelijk nog wordt gebruikt. Nu hij dit heeft nagelaten, heeft [eiser] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen op basis waarvan geoordeeld kan worden dat sprake is van onrechtmatige hinder. Dat wellicht in het verleden sprake was van een intensiever gebruik van de brandtrap, maakt dit oordeel niet anders. Hieruit volgt immers niet dat thans sprake is van hinder in de zin van artikel 5:37 jo 6:162 BW.

4.11.

De omstandigheid dat wellicht derden ’s nachts op de brandtrap hebben gestaan, is evenmin voldoende voor het aannemen van dergelijke onrechtmatige hinder. Ook op dit punt heeft [eiser] immers niet kenbaar gemaakt hoe vaak een dergelijke situatie aan de orde is dan wel is geweest. Hetzelfde geldt voor de vermeende toename van de inbraakgevoeligheid. Voor zover het reeds mogelijk zou zijn om via de brandtrap op de schuur van [eiser] te klimmen en/of via deze weg in zijn tuin te springen, is gesteld noch gebleken dat dit daadwerkelijk gebeurd is. Bovendien is niet nader onderbouwd op welke wijze (vervolgens) de inbraakgevoeligheid van de woning wordt vergroot.

4.12.

Voor zover [eiser] nog heeft aangevoerd dat hij schade lijdt, omdat zijn woning in waarde is gedaald, stelt de rechtbank voorop dat het vermeende waardedrukkend effect enerzijds op zichzelf niet is aan te merken als een vorm van hinder in de zin van artikel

5:37 BW en anderzijds niet iedere waardedaling als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië heeft de vermeende waardedaling ten bedrage van € 40.000,- gemotiveerd betwist. Het had dan ook op de weg van [eiser] gelegen om nader toe te lichten waarop deze vermeende waardedaling is gebaseerd. Het overgelegde schrijven met de titel “taxatierapport” van Renes Leven en Wonen is hiertoe onvoldoende. Hierin is namelijk slechts de getaxeerde waarde van de woning met trap en zonder trap vermeld met daarbij de vermelding van de doelstelling van de taxatie, zijnde “vaststellen waardeverschil in verband met afgenomen privacy en vrijheid, als gevolg van de geplaatste trap bij de buren van het achterliggende pand “. Op geen enkele wijze wordt echter de vermeende waardevermindering gemotiveerd en evenmin is vermeld van welke informatie ten aanzien van de “afgenomen privacy en vrijheid” de taxateur is uitgegaan.

4.13.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vorderingen hierna afwijzen.

4.14.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië worden begroot op:

- griffierecht 1.909,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punt × tarief € 894,00)

Totaal € 3.697,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.15.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld, waarbij wordt opgemerkt dat Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië de nakosten heeft gevorderd onder de voorwaarde dat [eiser] de proceskosten niet binnen veertien dagen na aanschrijving heeft voldaan, zodat de nakosten onder deze voorwaarde zullen worden toegewezen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Stichting Een Helpende Hand aan Roemenië tot op heden begroot op € 3.697,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de 14e dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [eiser] , onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Kok en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2016.