Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2718

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
18-07-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
AK_ZWO_15_2174_2175_16_157
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:2264, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank tot oordeel gekomen dat A. Schuurman nog steeds toereikende juridische scholing mist om te kunnen spreken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en om voor vergoeding in aanmerking komende rechtsbijstand te kunnen verlenen;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2174, 15/2175 en 16/157.

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] wonende te Vriezenveen, eiseres,

gemachtigde: A. Schuurman,

en

Belastingdienst/Toeslagen, verweerder,

gemachtigde E. Steiginga.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2015 heeft verweerder de definitieve berekeningen van

de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van eiseres over 2013 aangepast.

Bij brieven van 11 maart 2015 heeft eiseres afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen

deze aanpassingen van haar zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2013.

Bij brief van 21 juli 2015 (door verweerder op 23 juli 2015 ontvangen) heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op beide bezwaren.

Bij besluit van 3 september 2015 heeft verweerder aan eiseres een verbeurde dwangsom toegekend van 30 euro vanwege het te laat beslissen.

Bij besluit van 11 september 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres over het kindgebonden budget 2013 gegrond verklaard en de definitieve berekening van dit budget over 2013 aangepast (verhoogd). Tevens is aan eiseres een proceskostenvergoeding van 490 euro toegekend.

Bij afzonderlijk besluit van 11 september 2015 op het bezwaar van eiseres over de zorgtoeslag 2013 heeft verweerder de zorgtoeslag aangepast (verhoogd) waarmee aan

het bezwaar van eiseres tegemoet is gekomen. Daarbij is vermeld dat de proceskosten-vergoeding al is gehonoreerd bij de beslissing op het bezwaar over het kindgebonden

budget 2013. De vergoeding van proceskosten voor beide bezwaren bedraagt 490 euro,

aldus verweerder.

- Awb 15/2174 en 15/2175

Bij brieven van 15 september 2015 heeft eiseres in de zaken van het kindgebonden budget 2013 en de zorgtoeslag 2013 afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 3 september 2015 tot toekenning van een verbeurde dwangsom van 30 euro.

Bij besluit op bezwaar van 3 oktober 2015 heeft verweerder de bezwaren van eiseres van

15 september 2015 ongegrond verklaard.

Bij brief van 9 oktober 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar

van 3 oktober 2015 (dit beroep is geregistreerd als Awb 15/2174 en 15/2175).

Bij besluit gedateerd 16 januari 2016 heeft verweerder naar aanleiding van het beroep

van eiseres van 9 oktober 2015 het besluit op bezwaar van 3 oktober 2015 ingetrokken,

de bezwaren van eiseres tegen het dwangsombesluit van 3 september 2015 alsnog gegrond verklaard en aan eiseres een verbeurde dwangsom toegekend van 1 x 60 euro voor zowel

het te laat beslissen op het bezwaar inzake het kindgebonden budget 2013 als op het bezwaar inzake de zorgtoeslag 2013. Verweerder heeft bij dit besluit aan eiseres geen vergoeding van proceskosten in bezwaar toegekend.

Eiseres heeft aangegeven het beroep te willen doorzetten.

- Awb 16/157

Bij brief van 19 september 2015 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het besluit van

11 september 2015 op het bezwaar van eiseres over de zorgtoeslag 2013 (dit beroep is geregistreerd als Awb 16/157).

De beroepen zijn behandeld op de zitting van 11 juli 2016. Voor partijen waren de gemachtigden aanwezig.

Overwegingen

1. De definitieve berekeningen van het kindgebonden budget en de zorgtoeslag over 2013 bij de besluiten op bezwaar van 11 september 2015 zijn niet in geschil. De beroepen van eiseres betreffen de proceskostenvergoeding in bezwaar en de verbeurde dwangsom.

- Awb 15/2174 en 15/2175

2.1

Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 3 oktober 2015 is gelet op artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tevens gericht tegen het besluit op bezwaar van 16 januari 2016.

2.2

Ter zitting is gebleken dat niet langer in geschil is dat eiseres recht heeft op verbeurde dwangsommen ad 2 x 60 euro. Het beroep in de zaken 15/2174 en 15/2175

is gelet hierop gegrond.

2.3

Het besluit op bezwaar van 16 januari 2016 dient in zoverre te worden vernietigd,

dat eiseres 2 x 60 euro aan verbeurde dwangsommen wordt toegekend. De rechtbank

zal dit met toepassing van artikel 8:72 van de Awb doen.

2.4

Verweerder is van oordeel dat eiseres geen recht heeft op vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep, omdat gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 9 oktober 2013 (ECLI:NL: RVS:2013:1463) gemachtigde A. Schuurman juridisch onvoldoende is geschoold om

voor vergoeding in aanmerking komende rechtsbijstand te kunnen verlenen. Verweerder heeft aan Schuurman gevraagd bewijsstukken te overleggen of hij sinds deze uitspraak juridische scholing heeft genoten, maar de gemachtigde heeft niets overgelegd.

2.5

De ABRvS heeft in genoemde uitspraak het volgende overwogen:

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 maart 2012 in zaak nr. 201110681/2/A3; aangehecht), wordt met de term rechtsbijstandverlener in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) een persoon bedoeld, voor wie het verlenen van rechtsbijstand tot zijn beroepsmatige taak behoort en kunnen personen zonder juridische scholing niet geacht worden zodanige bijstand te verlenen.

Schuurman heeft een overzicht van gevoerde bezwaar- en beroepsprocedures, het middenstandsdiploma algemene handelskennis en een certificaat voor het succesvol afronden van het project Kansrijk Eigen Baas overgelegd. Met deze stukken heeft Schuurman niet aannemelijk gemaakt dat hij relevante juridische scholing heeft genoten om voor vergoeding in aanmerking komende rechtsbijstand te kunnen verlenen.

2.6

Schuurman noemt zich deskundig in het formeel recht. Hij stelt ter zitting na de genoemde uitspraak van de ABRvS een module formeel recht te hebben gevolgd (en te hebben behaald) bij het Fiscaal Studie- en Documentatiecentrum (FSDC), dat diverse opleidingen op fiscaal gebied verzorgt. Schuurman heeft daartoe ter zitting facturen overgelegd voor onder meer het lesgeld, examentraining en het examen. Hij geeft aan

dat de module bestond uit een viertal schriftelijke opdrachten, een uur examentraining en

het afleggen van een examen. Een bewijs van deelname/aanwezigheid is niet overgelegd.

Op de vraag ter zitting of hij geen certificaat kan overleggen omdat het FSDC per behaalde module geen certificaat verstrekt, geeft Schuurman alsnog aan dat hij niet is geslaagd voor het examen (hij had een vijf) en dat hij daarom geen certificaat kan overleggen. Niet is gebleken dat Schuurman verder of anders juridische scholing heeft genoten na de ABRvS-uitspraak.

2.7

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat Schuurman nog steeds toereikende juridische scholing mist om te kunnen spreken van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en om voor vergoeding in aanmerking komende rechtsbijstand

te kunnen verlenen. De door Schuurman genoemde activiteiten in de praktijk maken dit niet anders.

2.8

Schuurman heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, nu verweerder

hem eerder - zoals in zaak Awb 16/157 - wel vergoeding van proceskosten heeft toegekend.

Dit kan echter niet tot aan ander oordeel van de rechtbank leiden, omdat verweerder het in die zaak of zaken kennelijk fout heeft gedaan en het gelijkheidsbeginsel het herstellen van fouten niet in de weg staat.

- Awb 16/157

3.1

Verweerder heeft in de besluiten op bezwaar van 11 september 2015 éénmaal een vergoeding van proceskosten in bezwaar toegekend, omdat er volgens verweerder sprake is van samenhangende zaken. Eiseres claimt in beroep vergoeding van proceskosten in bezwaar voor beide bezwaren afzonderlijk.

3.2

Het beroep in deze zaak stuit al op hetgeen onder 2.4 tot en met 2.8 is overwogen.

3.3

Overigens heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht overwogen

dat er sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht, luidende voor zover van belang:

samenhangende zaken zijn: door een belanghebbende gemaakte bezwaren, die door het bestuursorgaan gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand

als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn.

Hiervan is in casu sprake gelet op het feit, dat - zoals verweerder onweersproken heeft gesteld - beide zaken in bezwaar betrekking hebben op hetzelfde gewijzigde inkomenscijfer.

3.4

Het beroep in zaak Awb 16/157 is ongegrond.

3.5

De rechtbank ziet geen aanleiding aan verweerder een betalingstermijn te stellen.

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart de beroepen in de zaken Awb 15/2174 en 15/2175 gegrond;

  • -

    bepaalt dat verweerder 2 x 60 euro aan verbeurde dwangsommen aan eiseres verschuldigd is en vernietigt het besluit op bezwaar van 16 januari 2016 in zoverre

er slechts 1 x 60 euro is toegekend;

  • -

    verklaart het beroep in de zaak Awb 16/157 ongegrond;

  • -

    wijst af de verzoeken om vergoeding van proceskosten in bezwaar en beroep in de drie zaken;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres in de zaken 15/2174 en 15/2175 betaalde griffierecht aan haar betaald ad 2 x 45 euro.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van
D.K. Bloemers, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.