Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2526

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-07-2016
Datum publicatie
11-07-2016
Zaaknummer
08/955092-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28-jarige man is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden, met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 240 uur voor het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval in Rijssen op 27 april 2015. Hierbij raakten een man en jonge vrouw zwaar gewond. Hij reed onder invloed van alcohol met een onverantwoord hoge snelheid. Door het ongeval is de jonge vrouw zodanig letsel toegebracht dat haar leven in feite verwoest is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/955092-15

Datum vonnis: 11 juli 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 april 2016 en 27 juni 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W.A.L. Pustjens en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. W. Oosterbaan-van Veen, advocaat te Ede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: als bestuurder van een personenauto, onder invloed van alcoholhoudende drank, een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft veroorzaakt, waarbij twee inzittenden van de auto, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen,

dan wel als bestuurder van een personenauto een ongeval heeft veroorzaakt en daarmee het verkeer in gevaar heeft gebracht dan wel het verkeer heeft gehinderd.

feit 2: onder invloed van alcohol houdende drank een personenauto heeft bestuurd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 27 april 2015 binnen de bebouwde kom van Rijssen, gemeente

Rijssen-Holten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Wierden en gaande in de richting Rijssen, daarmede rijdende over de weg, de Wierdensestraat

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend

en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcoholhoudende drank, in elk geval na het gebruik van een

niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting, flauw

naar rechts verlopende bocht,

met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 104 en 120 kilometer per uur, in

elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte geldende

maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden en/of

terwijl op een afstand van ongeveer 100 meter voor een in die weg (de Wierdensestraat) gelegen rotonde een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd waarschuwingsbord J09 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende "rotonde" in de rechter berm van die weg (de Wierdensestraat)was geplaatst en/of

direct voor die rotonde op het wegdek van die weg, de Wierdensestraat haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en/of

voor die rotonde, in de rechter berm van die weg, de Wierdensestraat, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Wierdensestraat) en/of de in die weg gelegen rotonde kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of

heeft hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 77 van voormeld reglement gebruik gemaakt van een tussen de rijbanen van die weg (de Wierdensestraat) gesitueerd puntstuk en/of

is hij, verdachte, rijdende met die snelheid of nagenoeg die snelheid, met de linker wielen van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen een gezien, zijn verdachtes rijrichting, dicht links voor die rotonde gelegen verhoogde middengeleider gereden, ten gevolge waarvan of waardoor dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gelanceerd en/of omhoog is gekomen en/of

is hij, verdachte zonder te remmen en/of in belangrijke mate de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) terug te brengen en/of zich in voldoende mate te overtuigen, dat over voormelde rotonde/die kruisende weg geen verkeer naderde, met die snelheid of nagenoeg die snelheid die rotonde opgereden, waarbij hij, verdachtes geheel of gedeeltelijk met dat motorrijtuig (personenauto) over die middengeleider is gereden en/of

is hij, verdachte op die rotonde rechtuit gereden en/of met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) gebotst of aangereden tegen het in het midden van die rotonde gesitueerde verhoogde talud,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte verkeerde in een toestand, als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

althans, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, subsidiair, terzake dat

hij op of omstreeks 27 april 2015 binnen de bebouwde kom van Rijssen, gemeente

Rijssen-Holten, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Wierden en gaande in de richting Rijssen, daarmede op de weg, de Wierdensestraat

in of nabij een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting, flauw naar rechts verlopende bocht,

met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 104 en 120 kilometer per uur, in elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte geldende maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden en/of

terwijl op een afstand van ongeveer 100 meter voor een in die weg (de Wierdensestraat) gelegen rotonde een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd waarschuwingsbord J09 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende "rotonde" in de rechter berm van die weg (de Wierdensestraat)was geplaatst

heeft hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 77 van voormeld reglement gebruik gemaakt van een tussen de rijbanen van die weg (de Wierdensestraat) aldaar gesitueerd puntstuk en/of

is hij, verdachte, rijdende met die snelheid of nagenoeg die snelheid, met de linker wielen van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen een gezien, zijn verdachtes rijrichting, dicht links voor die rotonde gelegen verhoogde middengeleider gereden, ten gevolge waarvan of waardoor dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gelanceerd en/of omhoog is gekomen en/of

is hij, verdachte zonder te remmen en/of in belangrijke mate de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) terug te brengen, met die snelheid of nagenoeg die snelheid die rotonde opgereden, waarbij hij, verdachtes geheel of gedeeltelijk met dat motorrijtuig (personenauto) over die middengeleider is gereden en/of

is hij, verdachte op die rotonde rechtuit gereden en/of met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) gebotst of aangereden tegen het in het midden van die rotonde gesitueerde verhoogde talud,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,57 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd - overeenkomstig de inhoud van het aan de rechtbank overgelegde schriftelijk requisitoir - verdachte te veroordelen ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde. Het nuttigen van teveel alcohol en het rijden met een onverantwoord hoge snelheid maakt dat sprake is van een reeks verkeersgedragingen waarbij door verdachte welbewust en op lichtzinnige wijze onaanvaardbare risico’s zijn genomen. Het weggedrag van verdachte voorafgaand aan het ongeval dient daarom te worden gekwalificeerd als ‘roekeloos’, hetgeen als strafverzwarende omstandigheid is vastgelegd in artikel 175 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed.

Het standpunt van de verdediging

Er is geen sprake van de meest ernstige mate van schuld, te weten ‘roekeloosheid’. Het feit dat verdachte alcohol heeft genuttigd en dat hij te hard heeft gereden, levert noch op zichzelf, noch in onderling verband bezien, roekeloosheid op. Wel kan worden bewezen dat verdachte onvoorzichtig heeft gereden.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) moet worden vastgesteld dat verdachte zich in het verkeer zodanig heeft gedragen dat het aan zijn schuld te wijten is dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, met als gevolg dat iemand, zoals in dit geval, zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen of zodanig letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Ingevolge bestendige rechtspraak is niet in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor een bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, maar komt het daarbij aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de overige omstandigheden van het geval. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer worden afgeleid dat er sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822).

Het bestanddeel ‘schuld’ is in dit geval nader omschreven als ‘roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam’.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn. Daarbij verdient opmerking dat "roekeloosheid" in de zin van de wet een specifieke betekenis heeft die niet noodzakelijkerwijs samenvalt met wat in het normale spraakgebruik onder "roekeloos" - in de betekenis van "onberaden" - wordt verstaan. Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid, WVW, zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen dat daaruit is af te leiden dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. In dit verband volstaat doorgaans niet de enkele vaststelling dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een of meer in artikel 175, derde lid, WVW genoemde, zelfstandig tot verhoging van het wettelijk strafmaximum leidende gedragingen.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op
27 april 2015 in Rijssen, gemeente Rijssen-Holten een motorrijtuig heeft bestuurd terwijl hij meer dan drie keer de toegestane hoeveelheid alcohol had gedronken. Het alcoholgehalte van verdachtes bloed bleek volgens het bloedonderzoek 1,57 milligram alcohol per millimeter bloed te zijn. Verdachte heeft, rijdende over de Wierdensestraat in de richting van Rijssen, gereden met een aanzienlijk hogere snelheid dan op die weg binnen de bebouwde kom was toegestaan. Die snelheid was minstens 104 km per uur waar de maximum toegestane snelheid 50 km per uur was. Bovendien was op een afstand van ongeveer 100 meter van een in de Wierdensestraat gelegen rotonde in verdachtes rijrichting in de rechter berm een waarschuwingsbord J09 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangebracht, inhoudende "rotonde". Ook was voor die rotonde, in de rechter berm van die weg, de Wierdensestraat, een in verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement inhoudende ‘verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg’, geplaatst. Bovendien heeft verdachte, in strijd met het gesteld in artikel 77 van voormeld Reglement gebruik gemaakt van een tussen de rijbanen van de Wierdensestraat aldaar gesitueerd puntstuk. Onder deze omstandigheden was de verdachte niet in staat om de personenauto onder controle te houden en is hij op de rotonde rechtdoor de verhoogde middengeleider opgereden en tegen een talud tot stilstand gekomen.

Wat betreft de vraag welke gradatie van schuld het gedrag van verdachte oplevert, is de rechtbank, gelet op de feiten en omstandigheden die tot het ongeval hebben geleid, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte welbewust onaanvaardbare risico’s heeft genomen. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de tenlastegelegde roekeloosheid, de zwaarste vorm van schuld. De rechtbank acht daarentegen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zeer onvoorzichtig, zeer onoplettend en zeer onachtzaam heeft gereden, waardoor het aan zijn schuld is te wijten dat er een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waarbij [slachtoffer 1] onherstelbaar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen en [slachtoffer 2] zodanig letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

5.4

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 27 april 2015 binnen de bebouwde kom van Rijssen, gemeente

Rijssen-Holten, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Wierden en gaande in de richting Rijssen, daarmede rijdende over de weg, de Wierdensestraat

zeer onvoorzichtig, zeer onachtzaam en zeer onoplettend heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcoholhoudende drank,

in een in die weg gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting, flauw naar rechts verlopende bocht,

met een snelheid, ongeveer gelegen tussen de 104 en 120 kilometer per uur, in

elk geval met een grotere snelheid dan de aldaar voor hem, verdachte geldende

maximum snelheid van 50 kilometer per uur heeft gereden en

terwijl op een afstand van ongeveer 100 meter voor een in die weg (de Wierdensestraat) gelegen rotonde een in zijn verdachtes rijrichting gekeerd waarschuwingsbord J09 van bijlage 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende "rotonde" in de rechter berm van die weg (de Wierdensestraat)was geplaatst en

direct voor die rotonde op het wegdek van die weg, de Wierdensestraat haaientanden, als bedoeld in artikel 80 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, inhoudende: "Bestuurders moeten voorrang verlenen aan de bestuurders op de kruisende weg", waren aangebracht en

voor die rotonde, in de rechter berm van die weg, de Wierdensestraat, een in zijn, verdachtes rijrichting gekeerd bord B6 van bijlage 1 van voormeld reglement, inhoudende: "Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg", was geplaatst,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van voormeld reglement niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig geregeld, dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Wierdensestraat) en/of de in die weg gelegen rotonde kon overzien en waarover deze vrij was/waren en

heeft hij, verdachte in strijd met het gestelde in artikel 77 van voormeld reglement gebruik gemaakt van een tussen de rijbanen van die weg (de Wierdensestraat) gesitueerd puntstuk en

is hij, verdachte, rijdende met die snelheid of nagenoeg die snelheid, met de linker wielen van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) tegen een gezien, zijn verdachtes rijrichting, dicht links voor die rotonde gelegen verhoogde middengeleider gereden, ten gevolge waarvan of waardoor dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) is gelanceerd en/of omhoog is gekomen en

is hij, verdachte zonder te remmen of in belangrijke mate de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) terug te brengen en zich in voldoende mate te overtuigen, dat over voormelde rotonde geen verkeer naderde, met die snelheid of nagenoeg die snelheid die rotonde opgereden, waarbij hij, verdachte met dat motorrijtuig (personenauto) over die middengeleider is gereden en

is hij, verdachte op die rotonde rechtuit gereden en met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) gebotst of aangereden tegen het in het midden van die rotonde gesitueerde verhoogde talud,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen (genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte verkeerde in een toestand, als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en

welk feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2.

hij op 27 april 2015 te Rijssen, gemeente Rijssen-Holten, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,57 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 6, 8, 175, 176, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden en de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet.

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft geconstateerd dat het onder 2 bewezen verklaarde feit onderdeel is van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht en zal derhalve één strafbepaling, te weten die van feit 1 primair toepassen, zijnde het feit waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto onder invloed van een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank en met onverantwoord hoge snelheid schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig, zeer onoplettend en zeer onachtzaam rijgedrag, waardoor twee inzittenden van de personenauto letsel hebben opgelopen. Een vriend van de verdachte, [slachtoffer 2] , heeft zodanig letsel opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en een jonge vrouw, [slachtoffer 1] heeft, zwaar onherstelbaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring van de broer van de jonge vrouw komt naar voren tot welk onomkeerbaar leed het handelen van de verdachte heeft geleid en hoe het ongeval het leven van het slachtoffer en haar familie totaal heeft ontwricht. Het vrouwelijke slachtoffer is ten gevolge van het ongeval onder meer blijvend blind geworden en heeft een ernstige beschadiging aan de hersenstam opgelopen, waardoor zij thans functioneert op het niveau van een 5-jarige. Zij zal de rest van haar leven van intensieve zorg afhankelijk blijven.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake van overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 als uitgangspunt genomen. In geval van een overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 waarbij sprake is van een ademalcoholgehalte van meer dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht (1,51-1,65 BAG ‰) en een grove verkeersfout met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaren.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat het vrouwelijke slachtoffer onherstelbaar zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, dat het ademalcoholgehalte van de verdachte fors meer bedroeg dan 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed en verdachte de ter plaatse geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

De rechtbank houdt in enigszins strafmatigende zin rekening met de omstandigheid dat uit de over verdachte opgemaakte rapportages blijkt dat er bij verdachte sprake is van meervoudige problematiek. Zo blijkt uit over verdachte door een psycholoog en psychiater opgemaakte Pro Justitia rapportages dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van een autisme spectrum stoornis, waarbij hij milde problemen heeft in de sociale interactie en in de rigiditeit, zoals omgaan met veranderingen. Sinds het ongeluk heeft verdachte last van PTSS waarbij hij herbelevingen heeft van het ongeluk en een matige depressieve stoornis met suïcidale gedachten. Daarnaast is na het ongeluk een stoornis in het gebruik van alcohol ontstaan, waarbij hij nu dagelijks alcohol drinkt om in slaap te komen.

De rechtbank stelt voorop dat er sprake is geweest van een zeer ernstig, door verdachte veroorzaakt, verkeersongeval. Als gevolg daarvan is het slachtoffer, een jonge vrouw, zodanig letsel toegebracht dat haar leven in feite verwoest is. Dit heeft een zeer grote impact op de levens van de familieleden. De rechtbank realiseert zich dat het onomkeerbaar gevolg blijvend leed bij hen tot gevolg zal hebben. Een strafoplegging in welke vorm dan ook zal dat leed nimmer ongedaan kunnen maken.

Hoewel uit het vorenstaande volgt dat een onvoorwaardelijk vrijheidsstraf op zijn plaats is, komt de rechtbank alles overwegende tot de slotsom dat - mede gelet op het feit dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank weliswaar zeer onvoorzichtig, zeer onoplettend en zeer onachtzaam heeft gereden, maar niet roekeloos - in de onderhavige zaak, naast een forse taakstraf, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht (8) maanden in combinatie met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden passend en geboden is. Gelet op het alcoholprobleem van verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel ook als bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zijn medewerking dient te verlenen aan urinecontroles. Gelet op de ernst van het letsel bij met name het vrouwelijke slachtoffer, acht de rechtbank de maximale taakstraf voor de duur van 240 uur, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis, passend en geboden. Ook acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier jaren aangewezen.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 55 en 91 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair en onder 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit1 primair

het misdrijf: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximum snelheid in ernstige mate heeft overschreden en de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van deze wet;

feit 2

het misdrijf: overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;

verstaat dat er sprake is van eendaadse samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht en past derhalve één strafbepaling, te weten die van feit 1 primair toe, zijnde het feit waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich binnen vijf werkdagen na het onherroepelijk worden van het vonnis, tussen 09:00 uur en 11:00 uur, moet melden bij Reclassering Nederland, Nieuwe Oeverstraat 65 te Arnhem (088-8041401). Hierna moet de veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen bij forensische polikliniek Kairos of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij betrokkene zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat indien gedurende het toezicht mocht blijken dat het alcoholgebruik problematisch is, de veroordeelde wordt verplicht om zich ambulant te laten behandelen bij de verslavingszorg van Iriszorg of een soortgelijke instelling, ook als dat inhoudt het meewerken aan urinecontroles, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    draagt Reclassering Nederland op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 uren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. M.A.H. Heijink en mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 primair en onder 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland, district Twente, basisteam Twente-West met nummer PL0600-2015204337. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. De bekennende verklaring van verdachte, zoals bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, afgelegd ter terechtzitting van de rechtbank op 6 april 2016 en 27 juni 2016.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse van Politie eenheid Oost-Nederland, forensische opsporing d.d. 20 mei 2015, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant] , brigadier van politie.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed opgemaakt en ondertekend door [verbalisanten] , respectievelijk hoofdagenten en brigadier van politie eenheid Oost-Nederland.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige H.G. Vrugteveen, op 30 april 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige R.H.H. Jordens, op 28 april 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Oost-Nederland.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige M. Finke, op 29 april 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , brigadier van politie Eenheid Oost-Nederland.

7. Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] , op 3 mei 2015 opgemaakt en ondertekend door de behandeld arts van het Medisch Spectrum Twente in Enschede.

8. Een geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] , op 4 mei 2015 opgemaakt en ondertekend door H. van de Krol, traumachirurg, Medisch Spectrum Twente in Enschede.