Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2299

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
27-06-2016
Zaaknummer
4512804 CV EXPL 15-6962
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kantonrechter oordeelt dat er sprake is van overgang van onderneming van een taxibedrijf naar Connexxion Taxi Services uit IJsselmuiden. Twee overgenomen werknemers dienen naar de oude arbeidsovereenkomsten te worden verloond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0694
AR 2016/1816
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer : 4512804 CV EXPL 15-6962

Vonnis van 14 juni 2016

in de zaak van

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING (FNV),

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiser 1], en

3. [eiser 2],

beiden wonende te Leiderdorp,

eisende partij, hierna afzonderlijk te noemen FNV, [eiser 1] en [eiser 2] en eisende partij sub 2. en 3. tezamen [eisers] ,

gemachtigde mr. A.A.M. Broos,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CONNEXXION TAXI SERVICES B.V.,

gevestigd te IJsselmuiden,

gedaagde partij, hierna te noemen CTS,

gemachtigde mr. B. Schouten.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Eerder is in deze zaak een tussenvonnis gewezen, dat is uitgesproken op 22 december 2015. Daarna heeft de kantonrechter nog kennisgenomen van de akte overlegging producties, tevens akte wijziging van eis van FNV en [eisers] Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden op 18 februari 2016. Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, is de zitting geschorst voor schikkingsonderhandelingen. Om die reden is geen proces-verbaal opgemaakt, tenzij partijen daarom later zouden verzoeken, welk verzoek niet is gedaan. Bij akte van 22 maart 2016 hebben FNV en [eisers] de kantonrechter bericht dat geen oplossing voor het geschil is bereikt en gevraagd om vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Gemiva-SVG Groep (hierna: Gemiva) is een zorgorganisatie die in de provincie Zuid-Holland onder andere op het gebied van vervoer ondersteuning biedt aan mensen met een geestelijke of lichamelijke beperking. De vervoersfaciliteiten wordt verzorgd door meerdere taxivervoersbedrijven, waarmee Gemiva middels onderhandse gunning vervoerscontracten heeft gesloten.

2.2.

Taxibedrijf [taxibedrijf] B.V. (hierna: [taxibedrijf] ) is een personenvervoersbedrijf dat tot 1 mei 2015 het door Gemiva aan haar uitbestede taxivervoer in de regio’s Leiden en Den Haag heeft uitgevoerd.

2.3.

[eiser 1] , geboren op 1 december 1956, is met ingang van 16 januari 2004 voor bepaalde tijd bij [taxibedrijf] in dienst getreden. Deze arbeidsverhouding is per 15 april 2005 voor onbepaalde tijd voortgezet. [eiser 1] vervulde laatstelijk de functie van chauffeur tegen een salaris van € 1.352,35 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag bij een arbeidsomvang van 25 uur per week.

2.4.

[eiser 2] , geboren op 11 december 1954, is met ingang van 20 april 2010 bij [taxibedrijf] in dienst getreden. Deze arbeidsverhouding is per 20 april 2012 voor onbepaalde tijd voortgezet. [eiser 2] vervulde laatstelijk de functie van chauffeur tegen een salaris van
€ 1.352,35 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag bij een arbeidsomvang van 25 uur per week.

2.5.

Op 1 april 2015 heeft [taxibedrijf] bij het UWV en FNV gemeld dat zij voornemens is over te gaan tot een collectief ontslag van eenenvijftig werknemers en op 16 april 2015 heeft [taxibedrijf] een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend. Bij brief van 22 mei 2015 heeft het UWV de ontvangst van de brief van [taxibedrijf] betreffende de intrekking van vierendertig ontslagaanvragen bevestigd.

2.6.

Bij e-mail van 20 april 2015 heeft Gemiva FNV te kennen gegeven dat zij het taxivervoer in de regio’s Leiden en Den Haag onderhands heeft gegund aan CTS.

2.7.

Op 30 april 2015 heeft [taxibedrijf] haar bedrijfsactiviteiten wegens bedrijfseconomische redenen beëindigd.

2.8.

Met ingang van 1 mei 2015 is de vervoersovereenkomst tussen CTS en Gemiva van 19 november 2014 betreffende het verzorgen van het taxivervoer voor een aantal locaties in Rotterdam en Nieuwerkerk aan den IJssel uitgebreid met de regio’s Leiden en Den Haag. Middels een addendum zijn Gemiva en CTS overeengekomen artikel 8.1 van voornoemde overeenkomst uit te breiden met de volgende toegezegde verlengingsoptie:

Deze overeenkomst wordt aangegaan voor de periode van 17 november 2014 tot en met 31 december 2016 en zal daarna jaarlijks telkens met één jaar worden verlengd, tenzij één der Partijen de overeenkomst schriftelijk en aangetekend aan de wederpartij opzegt met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

2.9.

[eisers] zijn met ingang van 1 mei 2015 in de functie van chauffeur bij CTS in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 30 november 2015 met een arbeidspercentage van 50% en een arbeidsomvang van gemiddeld 20 uur per week. Deze arbeidsovereenkomsten zijn tot en met 30 juni 2016 verlengd.

2.10.

In artikel 1.4.1 van de CAO Taxivervoer staat dat de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer schriftelijk moet worden aangegaan.

3 Het geschil

3.1.

FNV heeft, na wijziging van eis, kort samengevat, gevorderd:

a. een verklaring voor recht dat per 1 mei 2015 sprake is geweest van een overgang van onderneming van [taxibedrijf] naar CTS, als gevolg waarvan de werknemers, die CTS van [taxibedrijf] heeft overgenomen, per 1 mei 2015, van rechtswege met behoud van hun arbeidsvoorwaarden in dienst zijn gekomen bij CTS;

b. de veroordeling van CTS om alle werknemers, die vanuit [taxibedrijf] voor CTS sinds 1 mei 2015 werkzaam zijn, (schriftelijke) arbeidsovereenkomsten te bieden op basis van minimaal dezelfde (arbeids)voorwaarden als die bij [taxibedrijf] , op straffe van een dwangsom;

c. de veroordeling van CTS om met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2015 aan de overgegane werknemers het loon te betalen conform het aantal bij [taxibedrijf] geldende vaste aantal arbeidsuren, voor zover nog niet reeds voldaan, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, op straffe van een dwangsom;

[eisers] hebben, na wijziging van eis, kort samengevat, gevorderd:

d. een verklaring voor recht dat per 1 mei 2015 sprake is geweest van een overgang van onderneming van [taxibedrijf] naar CTS, als gevolg waarvan zij per 1 mei 2015 van rechtswege met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst zijn gekomen bij CTS;

e. de veroordeling van CTS om aan [eisers] (schriftelijke) arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd te bieden op basis van dezelfde (arbeids)voorwaarden als die bij [taxibedrijf] , op straffe van een dwangsom;

f. de veroordeling van CTS tot betaling van een loon van minimaal 25 uur per week, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente;

FNV en [eisers] vorderen de veroordeling van Connexxion in de proceskosten.

3.2.

Connexxion heeft verweer gevoerd en tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd.

3.3.

Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Is sprake van overgang van onderneming?

4.1.

De vraag die partijen verdeeld houdt is of sprake is van overgang van onderneming. In artikel 7:662 BW is gedefinieerd wanneer sprake is van een overgang van onderneming. Indien is voldaan aan deze definitie, dan gaan de arbeidsovereenkomsten van de in artikel 7:663 BW omschreven werknemers van rechtswege over naar de verkrijger. Deze artikelen zijn gebaseerd op de Europese Richtlijn 2001/23/EG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (en haar voorlopers). Het doel van de Richtlijn is ook bij verandering van ondernemer de continuïteit te waarborgen van de in het kader van een bedrijf bestaande arbeidsverhoudingen.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) voor de toepasselijkheid van de Richtlijn niet noodzakelijk is dat er rechtstreekse contractuele betrekkingen tussen de vervreemder en verkrijger bestaan: de overgang kan ook in twee fasen geschieden via een derde (o.a. HvJ EU 7 maart 1996, JAR 1996,169, Merckx/Ford, HvJ EU 11 maart 1997, JAR 1997, 6, Süzen en HvJ EU 24 januari 2001, JAR 2002/47, Temco). In dit geval is die derde Gemiva, die de vervoersactiviteiten eerst aan [taxibedrijf] heeft gegund en thans aan CTS.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van het HvJ EU is sprake van overgang van onderneming indien een duurzaam georganiseerde economische eenheid met behoud van identiteit is overgegaan, waarbij het begrip ‘eenheid’ verwijst naar een georganiseerd geheel van personen en elementen, waarmee een economische activiteit met een eigen doelstelling kan worden uitgeoefend. Het behoud van identiteit blijkt met name uit het daadwerkelijk voortzetten of hervatten van dezelfde of soortgelijke activiteiten door de nieuwe ondernemer. Hierbij moet rekening worden gehouden met alle feitelijke omstandigheden, zoals de aard van de betrokken onderneming of vestiging, het al dan niet overdragen van materiële activa zoals gebouwen en roerende goederen, de waarde van de immateriële activa op het tijdstip van de overdracht, het al dan niet overnemen van vrijwel al het personeel door de nieuwe ondernemer, het al dan niet overdragen van de klantenkring, de mate waarin de voor en na de overdracht verrichte activiteiten met elkaar overeenkomen en de duur van een eventuele onderbreking van die activiteiten. Deze zogenaamde Spijkers-factoren (HvJ EU, 18 maart 1986, zaak 24/85, NJ 1987, 502) zijn slechts deelaspecten en mogen niet afzonderlijk worden beoordeeld, maar moeten tezamen een beeld opleveren, dat antwoord geeft op de vraag of sprake is van overgang van een onderneming.

4.4.

Onbetwist is dat bij [taxibedrijf] voor de beëindiging van haar bedrijfsactiviteiten in april 2015 een vastomlijnde groep werknemers, bestaande uit vijftig chauffeurs en een indirect personeelslid, de bedrijfsleider, werkzaam is geweest. In voldoende mate is komen vast te staan dat deze georganiseerde groep van medewerkers door middel van de inzet van eenenveertig bussen duurzaam een gemeenschappelijke activiteit verrichtte, namelijk het verzorgen van het taxivervoer voor Gemiva. Het vorenstaande bezien tegen de achtergrond van de vaste jurisprudentie van het HvJ EU geeft voldoende aanleiding om te oordelen dat sprake is van een economische eenheid.

4.5.

In voldoende mate is komen vast te staan dat CTS een qua aantal wezenlijk deel van het personeel dat [taxibedrijf] voor het verzorgen van het Gemiva-vervoer heeft ingezet, heeft overgenomen én dat activa van betekenis van [taxibedrijf] op Connexxion zijn overgegaan.

Wat betreft het personeel is van belang dat FNV en [eisers] hebben aangevoerd dat achtentwintig werknemers van [taxibedrijf] per 1 mei 2015 bij CTS in dienst zijn getreden en dat CTS dit standpunt onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Zo heeft zij eerst ter comparitie, en dus na de eerdere bevestiging van voornoemd standpunt bij antwoord, de stelling ingenomen dat niet achtentwintig maar twintig werknemers van [taxibedrijf] bij haar in dienst zijn getreden. Daarbij heeft CTS verwezen naar een lijstje waarop de namen van twintig werknemers van [taxibedrijf] staan vermeld, maar hieraan kan niet de door haar gewenste waarde worden gehecht. FNV en [eisers] hebben in dit verband immers de namen van twee werknemers van [taxibedrijf] genoemd die niet op dit lijstje staan vermeld, maar volgens hen wel bij CTS in dienst zijn getreden. Nu CTS hier niets tegen in heeft gebracht, gaat de kantonrechter voorbij aan haar standpunt dat slechts twintig werknemers van [taxibedrijf] bij CTS in dienst zijn getreden. Overigens vormt ook een aantal van twintig werknemers een substantieel deel van het personeelsbestand van [taxibedrijf] , zodat de uitkomst van de discussie over de vraag of twintig dan wel achtentwintig werknemers in dienst zijn getreden niet van wezenlijke invloed is op de te beantwoorden rechtsvraag. Aan de omstandigheid dat CTS geen zogenoemd indirect personeel van [taxibedrijf] in dienst heeft genomen, komt niet het door CTS gewenste gewicht toe. Onweersproken is dat, hoewel CTS de bedrijfsleider van [taxibedrijf] niet in dienst heeft genomen, deze werknemer volgens de onweersproken stellingen van FNV en [eisers] ter zitting CTS op haar verzoek wel uitgebreid heeft geïnformeerd over het Gemiva-vervoer bij [taxibedrijf] .

Wat betreft de activa zijn partijen het erover eens dat CTS op 30 april 2015 veertig van de eenenveertig bussen die [taxibedrijf] voor de bewuste vervoersactiviteiten had ingezet, heeft gekocht. Dit betekent dat bijna de volledige activa van [taxibedrijf] in handen van CTS terecht zijn gekomen. In dit verband is van belang dat bij de vraag of sprake is van overgang van een busonderneming bepaald betekenis toekomt aan de vraag of (ook) de bussen zijn overgedragen (HvJ EU 25 januari 2001, JAR 2001, 5, Liikenne)

Nu CTS het aan haar door Gemiva uitbestede taxivervoer per 1 mei 2015, en dus zonder onderbreking, door middel van de inzet van een substantieel deel van het personeel van [taxibedrijf] en de door haar gebruikte, van haar overgenomen bussen heeft voortgezet, waarbij bovendien is gebleken dat dezelfde klanten van Gemiva worden bediend en dezelfde routes worden gereden, is naar het oordeel van de kantonrechter sprake van identiteitsbehoud. Daarbij is in aanmerking genomen dat de stelling van CTS dat de aard van haar onderneming niet dezelfde is als die van [taxibedrijf] , omdat [taxibedrijf] zich naast haar vervoersactiviteiten ook bezighield met een andere activiteit, namelijk touringcarvervoer, niet kan worden gevolgd. FNV en [eisers] hebben ter zitting immers gemotiveerd en onweersproken aangevoerd dat laatstgenoemde activiteiten zijn ondergebracht in een andere vennootschap, namelijk Touringcarbedrijf [taxibedrijf] Reizen VOF, die ook is voortgezet.

4.6.

CTS stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een overgang van een onderneming, omdat zowel de indiensttreding van de voormalige werknemers van [taxibedrijf] als de overname van de voertuigen er slechts toe strekt het vervoerscontract tussen Gemiva en [taxibedrijf] te voltooien. CTS heeft in dit verband verwezen naar het Rygaard-arrest (HvJ EU 19 september 1995, JAR 1995/233), waaruit, kort gezegd, volgt dat in een situatie dat een onderneming één van haar opdrachten voor voltooiing aan een andere onderneming overdraagt geen sprake is van een overgang van onderneming, omdat niet wordt voldaan aan het vereiste dat de overgang betrekking heeft op een stabiele economische eenheid.

4.6.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft CTS onvoldoende aangevoerd dan wel ingebracht waaruit blijkt dat de overdracht van de vervoersactiviteiten van [taxibedrijf] naar CTS heeft plaatsgevonden ter voltooiing van de overeenkomst tussen [taxibedrijf] en Gemiva. Vooropgesteld wordt dat CTS ter comparitie geen enkele informatie heeft kunnen verschaffen over de looptijd van de overeenkomst tussen [taxibedrijf] en Gemiva, waardoor er niet van kan worden uitgegaan dat die overeenkomst ook een overeenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 december 2016 betrof. Dit te minder, omdat FNV en [eisers] zich ter comparitie op het standpunt hebben gesteld dat sprake is geweest van een doorlopende overeenkomst. Maar ook al zou de overeenkomst tussen [taxibedrijf] en Gemiva dezelfde looptijd hebben gehad, dan volgt daaruit nog niet dat de door Gemiva aan CTS uitbestede vervoersactiviteiten niet van structurele aard zijn. In dit verband is van belang dat uit laatstgenoemde overeenkomst blijkt dat deze behoudens opzegging door een van de partijen telkens met een jaar zal worden verlengd. Volgens CTS is het, gelet op de onzekere markt , nog maar de vraag of een verlenging zal plaatsvinden, maar daarmee heeft zij het standpunt van FNV en [eisers] dat de overeenkomst na 31 december 2016 duurzaam kan worden voortgezet onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij is in aanmerking genomen dat [taxibedrijf] volgens de onweersproken stellingen van FNV en [eisers] het Gemiva-vervoer tientallen jaren heeft uitgevoerd en de overeenkomst tussen [taxibedrijf] en Gemiva onverminderd zou zijn voortgezet indien [taxibedrijf] haar bedrijfsactiviteiten niet zou hebben beëindigd. Kennelijk beoogt Gemiva de continuïteit van het vervoer vanwege de kwetsbaarheid van haar cliënten te bewaren. Dat Gemiva ook bij een overname dit uitgangspunt hanteert, volgt wel uit de door FNV en [eisers] ingebrachte e-mail van Gemiva aan FNV van 20 april 2015, waarin zij onder meer te kennen geeft dat zij aan de overnemende partij meegeeft dat zij waarde hecht aan vaste chauffeurs en het in stand houden van de routes. Het vorenstaande bezien tegen de achtergrond dat het Gemiva-vervoer zich richt op een doelgroep die blijvend vervoersondersteuning nodig zal hebben, ligt het, zonder nadere motivering en onderbouwing die ontbreekt, niet voor de hand dat met de vervoersovereenkomst tussen CTS en Gemiva enkel de volbrenging van de overeenkomst tussen Gemiva en [taxibedrijf] is beoogd. In dit verband weegt nog mee dat CTS voor 1 mei 2015 ook al vervoersactiviteiten voor Gemiva verrichtte. De vervoersovereenkomst die Gemiva en CTS per 1 mei 2015 zijn aangegaan betreft immers een uitbreiding van een reeds bestaande vervoersovereenkomst.

4.7.

Het vorenstaande brengt mee dat de vraag of sprake is van overgang van onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW van [taxibedrijf] naar CTS bevestigend moet worden beantwoord. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de overgang per 1 mei 2015, zijnde de datum waarop Gemiva de vervoersactiviteiten aan CTS heeft gegund, plaatsgevonden. De stelling van CTS dat het gaat om de overgang van een deel van de onderneming wordt niet gevolgd. Hoewel gebleken is dat [taxibedrijf] in het verleden diverse vervoerscontracten voor verschillende grote opdrachtgevers heeft uitgevoerd, is in voldoende mate komen vast te staan dat zij zich in de aanloop naar de bedrijfsbeëindiging nauwelijks nog bezighield met de uitvoering van andere contracten. Volgens de onweersproken stellingen van FNV en [eisers] was naast het Gemiva-vervoer alleen nog sprake van een door CTS in onderaanneming aan [taxibedrijf] uitbesteed leerlingenvervoerscontract dat door de chauffeurs die ook het Gemiva-vervoer verzorgden, werd uitgevoerd. Dit contract is in verband met de bedrijfsbeëindiging teruggeven aan CTS, aldus FNV en [eisers]

De door [eisers] gevorderde verklaring voor recht

4.8.

De overgang van onderneming heeft tot gevolg dat conform artikel 7:663 BW per 1 mei 2015 alle rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomsten die op dat tijdstip bij [taxibedrijf] bestonden op CTS zijn overgegaan. Nu vaststaat dat [eisers] op 1 mei 2015 een arbeidsovereenkomst met [taxibedrijf] hadden is de door hen gevorderde verklaring voor recht dat sprake is geweest van een overgang van onderneming als gevolg waarvan zij van rechtswege met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst zijn gekomen bij CTS, dan ook toewijsbaar.

De door [eisers] gevorderde (schriftelijke) arbeidsovereenkomst

4.9.

Ten aanzien van de door [eisers] gevorderde veroordeling van CTS om aan hen een (schriftelijke) arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd op basis van dezelfde arbeidsvoorwaarden als bij [taxibedrijf] te bieden, wordt het volgende overwogen.

CTS is ten gevolge van de overgang van onderneming van rechtswege en dus zonder nadere rechtshandeling, zoals het sluiten van een nieuwe arbeidsovereenkomst, gehouden de loon- en arbeidsvoorwaarden uit de overeenkomst tussen [taxibedrijf] en [eisers] op [eisers] toe te passen. De arbeidsovereenkomsten met [taxibedrijf] zijn conform de toepasselijke CAO destijds al schriftelijk vastgelegd. Van het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst met CTS is geen sprake en om deze redenen kan ook geen (nieuwe) schriftelijke vastlegging van de arbeidsovereenkomsten worden afgedwongen. De slotsom is dat deze vordering zal worden afgewezen.

Het door [eisers] gevorderde loon c.a.

4.10.

De door [eisers] gevorderde veroordeling tot betaling van het loon van minimaal 25 uur per week vanaf 1 mei 2015 is toewijsbaar, omdat deze is gegrond op de op CTS overgegane arbeidsovereenkomsten. Gesteld noch gebleken is echter dat sprake is van een loonbetalingsachterstand, zodat de gevorderde wettelijke verhoging en wettelijke rente niet toewijsbaar zijn. De vordering zal worden toegewezen op de wijze in het dictum bepaald.

De door FNV gevorderde verklaring voor recht

4.11.

Ten aanzien van de door FNV gevorderde verklaring voor recht dat per 1 mei 2015 dat sprake is geweest van een overgang van onderneming van [taxibedrijf] naar CTS, als gevolg waarvan de werknemers, die CTS van [taxibedrijf] heeft overgenomen, per 1 mei 2015, van rechtswege met behoud van hun arbeidsvoorwaarden in dienst zijn gekomen bij CTS wordt het volgende overwogen.

4.12.

CTS stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat FNV in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:305a BW, maar dit standpunt kan niet worden gevolgd. Anders dan CTS, is de kantonrechter van oordeel dat de belangen die deze vordering beoogt te dienen zich wel degelijk in voldoende mate laten veralgemeniseren en daardoor kunnen worden gerekend tot de gelijksoortige belangen waarop artikel 3:305a BW het oog heeft. De werknemers ter bescherming wier belangen de vordering is ingesteld hebben immers hetzelfde doel met de vordering, namelijk het behoud van de arbeidsvoorwaarden uit de arbeidsovereenkomst met [taxibedrijf] . Het is heel goed mogelijk -en zelfs aannemelijk- dat, zoals CTS stelt, de arbeidsvoorwaarden van de betreffende werknemers niet aan elkaar gelijk zijn, maar die omstandigheid is niet relevant. Evenmin is in dit verband van belang welke arbeidsvoorwaarden door de overgang op CTS zijn overgegaan.

4.13.

Voorts ligt de vraag voor of de overgang van onderneming tot gevolg heeft dat alle werknemers van [taxibedrijf] waarmee Connexxion per 1 mei 2015 een arbeidsovereenkomst heeft gesloten van rechtswege en daardoor met behoud van arbeidsvoorwaarden bij CTS in dienst zijn gekomen. Volgens CTS kan daarvan niet zonder meer worden uitgegaan, nu niet kan worden uitgesloten dat de arbeidsovereenkomsten van de betreffende werknemers al voor de datum van overgang waren beëindigd. FNV betwist dit standpunt. Volgens haar had [taxibedrijf] met alle werknemers die bij CTS in dienst zijn getreden een arbeidsovereenkomst.

4.13.1.

De kantonrechter is van oordeel dat de vordering van FNV geen nader onderzoek vergt naar de vraag welke werknemers ten tijde van de overgang van onderneming nog in dienst van [taxibedrijf] waren en welke niet, nog daargelaten dat deze werknemers, behoudens [eisers] , geen partij in deze procedure zijn zodat over hun individuele rechtspositie jegens CTS geen beslissing kan worden genomen zonder het recht op hoor en wederhoor te schenden.

FNV heeft een verklaring voor recht gevorderd ten behoeve van de door CTS van [taxibedrijf] overgenomen werknemers. Of een individuele werknemer daartoe behoort, kan (en dient, op grond van het beginsel van hoor en wederhoor) zo nodig in een procedure tussen CTS en die werknemer te worden vastgesteld. De door FNV gevorderde verklaring voor recht kan, mede gelet op hetgeen eerder is overwogen op het punt van de overgang van onderneming, zonder bezwaar worden toegewezen.

De door FNV gevorderde (schriftelijke) arbeidsovereenkomst

4.14.

Deze vordering dient op dezelfde gronden als ten aanzien van [eisers] te worden afgewezen. De kantonrechter verwijst naar rechtsoverweging 4.9.

Het door FNV gevorderde loon c.a.

4.15.

Deze vordering dient op dezelfde gronden als ten aanzien van [eisers] deels te worden toe- en deels te worden afgewezen een en ander op de wijze in het dictum bepaald. De kantonrechter verwijst naar rechtsoverweging 4.10. Voor toewijzing van de gevorderde dwangsom bestaat geen grond.

Proceskosten

4.16.

CST dient als overwegend verliezende partij in de proceskosten te worden veroordeeld. Die kosten besomt de kantonrechter op:

- explootkosten € 94,19

- griffierecht € 116,00

- salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten à € 400,00).

Totaal € 1.010,19.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

verklaart op vordering van FNV en van [eisers] voor recht dat per 1 mei 2015 sprake is geweest van overgang van onderneming ex artikel 7:663 BW van Taxibedrijf [taxibedrijf] B.V. naar CTS, als gevolg waarvan de werknemers die CTS van Taxibedrijf [taxibedrijf] B.V. heeft overgenomen, respectievelijk [eisers] , per 1 mei 2015 conform artikel 7:663 BW van rechtswege met behoud van hun arbeidsvoorwaarden in dienst zijn gekomen van CTS;

5.2.

veroordeelt CTS aan de vanuit Taxibedrijf [taxibedrijf] B.V. overgegane werknemer respectievelijk aan [eisers] vanaf 1 mei 2015 het loon te betalen waarop zij rechtens, telkens uitgaande van de arbeidsovereenkomst met Taxibedrijf [taxibedrijf] B.V., aanspraak kunnen maken;

5.3.

veroordeelt CTS in de proceskosten, tot op heden aan de kant van FNV en [eisers] begroot op € 1.010,19;

5.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen 5.2 en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016. (MvH)