Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2291

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
24-06-2016
Zaaknummer
08/910079-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 19-jarige en een 26-jarige man uit België moeten 11 jaar de cel in wegens doodslag op een 25-jarige Enschedeër. Dat heeft de rechtbank Overijssel besloten. De twee mannen staken in de nacht van 26 op 27 september 2014 het slachtoffer neer in de portiek van zijn woning.

De aanleiding zou een ruzie zijn over de omgangsregeling van het dochtertje van het slachtoffer en zijn ex-vriendin. Niet bewezen is dat de twee mannen van tevoren van plan waren om het slachtoffer om het leven te brengen. De rechtbank spreekt de 23-jarige ex-vriendin van het slachtoffer uit Bergen op Zoom en haar 60-jarige moeder vrij van betrokkenheid bij het misdrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/910079-14

Datum vonnis: 24 juni 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats 1] (België),

wonende in [woonplaats 1] (België),

nu verblijvende in de P.I. Achterhoek, HvB Ooyerhoek, in Zutphen.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 januari 2015, 4 februari 2015, 25 maart 2015, 17 juni 2015, 9 september 2015 (voortgezet op 10 september 2015), 4 december 2015, 16 februari 2016, 20 april 2016 en 23 mei 2016 (voortgezet op 24 mei 2016, 25 mei 2016, 27 mei 2016 en 10 juni 2016). De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A.P.J.J. Lousberg en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouwen, mrs. A.A.G. Hiddink en M.M.A.J. Goris, beiden advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte samen met een ander of anderen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), heeft doodgestoken.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 27 september 2014 in de gemeente Enschede

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

[slachtoffer] opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade

van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met

een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam te

steken.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het medeplegen van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren en dat de civiele vordering hoofdelijk wordt toegewezen met oplegging daarbij van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het impliciet primair ten laste gelegde (medeplegen van moord) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie heeft gesteld dat het aantal door getuigen waargenomen personen, het signalement, het moment van de waarnemingen door de getuigen, de specifieke kenmerken van kleding en auto, forensisch relevante sporen en diverse verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien tot de conclusie leiden dat verdachte, naast verdachtes medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), op de plaats delict was. Volgens de officier van justitie heeft verdachte [slachtoffer] neergestoken toen deze tegen de muur stond en [medeverdachte 1] het slachtoffer vast had. Dit neersteken is niet in een opwelling gebeurd. Verdachte heeft nauw en bewust met verdachtes medeverdachten [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en [medeverdachte 1] samengewerkt en heeft de moord uitgevoerd. Er is dan ook sprake van medeplegen. Moord, omdat het van meet af aan de bedoeling was om [slachtoffer] om het leven te brengen. Daarin zit de voorbedachte rade besloten, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte van het hem ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

De verklaringen van [medeverdachte 1] moeten als onbetrouwbaar en leugenachtig worden bestempeld en kunnen niet voor het bewijs worden gebezigd. Bovendien worden deze verklaringen niet bevestigd door objectieve onderzoeksgegevens en getuigenverklaringen. Er is sprake van ontlastende onderzoeksgegevens:

verdachte voldoet niet aan het door getuigen opgegeven signalement;

verdachte heeft geen motief;

de Foslo’s hebben geen herkenning opgeleverd (voor zover de redenerende uitlatingen van getuige [getuige 1] als belastend jegens verdachte worden aangemerkt, dienen deze van het bewijs te worden uitgesloten omdat ze onrechtmatig verkregen en onbetrouwbaar zijn, terwijl ook de zogenaamde herkenning ter terechtzitting van het bewijs moet worden uitgesloten);

het forensisch onderzoek levert geen aanwijzingen op dat verdachte in Enschede is geweest (onderzoek aan de pet met SIN AAHJ4747/bemonstering SIN AAHF9240NL, binnenzijde gele handschoen met SIN AAHJ4748NL#01, joggingbroek met SIN AAHP5130NL en de trui met SIN AAHJ4736NL).

Uit objectieve onderzoeksgegevens blijkt niet dat verdachte in de nacht van 26 op 27 september 2014 in Enschede is geweest. De verklaring hierover van [medeverdachte 1] vindt nergens anders bevestiging.

Ook als kan worden verondersteld dat verdachte mee is geweest naar Enschede moet vrijspraak volgen vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Niet kan worden bewezen dat verdachte (een) mes(sen) heeft meegenomen naar Enschede en dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van messen. De verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte heeft gestoken vindt geen bevestiging in de overige onderzoeksgegevens. Als verdachte al in Enschede is geweest dan bestrijkt zijn rol niet meer dan zijn aanwezigheid aan de andere kant van de deuropening. Niets duidt er op dat verdachte had kunnen of moeten bevroeden dat [slachtoffer] zou worden neergestoken.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

De feiten en omstandigheden

Gelet op de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Het [slachtoffer] en [medeverdachte 2] hebben een relatie gehad waaruit op 1 mei 2013 een dochtertje genaamd [dochter] is geboren. [slachtoffer] en [medeverdachte 2] woonden samen aan de [adres 1] in Enschede. Op enig moment is de relatie tussen [slachtoffer] en [medeverdachte 2] beëindigd. Begin juli 2014 is [medeverdachte 2] met [dochter] bij haar moeder, verdachtes medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), aan de [adres 2] in Bergen op Zoom gaan wonen. Omdat [slachtoffer] het niet eens was met een permanent verblijf van [dochter] buiten Enschede heeft hij in augustus 2014 een kort geding aangespannen tegen [medeverdachte 2] .

Op 18 september 2014 heeft de voorzieningenrechter in kort geding bepaald, dat [medeverdachte 2] met [dochter] binnen een week na betekening van het vonnis diende terug te keren naar Enschede op straffe van het verbeuren van een dwangsom van € 250,-- per dag indien zij in gebreke bleef.

[medeverdachte 2] heeft in de week na dat vonnis gezegd dat [slachtoffer] maar beter dood kan zijn en dat zij wilde dat hij er niet meer was/dood was. Ook [medeverdachte 2] nieuwe vriend [medeverdachte 1] was getuige van dergelijke uitlatingen.

[medeverdachte 1] heeft in de week na het kort geding vonnis diverse personen benaderd met het verzoek om een wapen te leveren of een “gevaarlijke man”. Daarbij wordt onder andere gesproken over “een blaffer met demper” en een “pang pang”.

Op 22 september 2014 tussen 11.00 uur en 15.45 uur heeft [medeverdachte 1] de volgende sms-jes naar [medeverdachte 2] gestuurd:

“stuur eens het nummer van die kutturk” en “in welk casino zit hij schatke als ik het regel is er geen weg trg en moet je beseffen dat als [dochter] vraagt later achter haar echte vader hoop ik dat je ermee kunt leren leven eh” en “wat ga je haar dan wijsmaken” en “en we zullen er

9 van de 10 900 euro voor moeten neerleggen heb ik al bij een paar mensen gehoord” en “je wilt dan dat ik het regel”.

Op dinsdag 23 september 2014 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen met een vriendin van [medeverdachte 2] genaamd [naam 1] naar Rotterdam en Bergen op Zoom gegaan. In Rotterdam zijn diverse kledingstukken en een petje en schoenen gekocht voor [medeverdachte 1] . In Bergen op Zoom zijn vervolgens nog messen bij de Bergse Dumphal en (elders) een masker gekocht.

Op woensdag 24 september 2014 zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen naar Enschede gereden. In Enschede zijn ze daar onder meer langs de flat aan de [adres 1] gereden waar [slachtoffer] woonachtig was.

Op donderdag 25 september 2014 heeft in de avonduren sms-contact plaatsgevonden tussen de telefoon van [medeverdachte 1] en die van verdachte (hierna: [verdachte] ). Met de telefoon van [medeverdachte 1] is naar de telefoon van [verdachte] ge-sms’t: “kun jij aan een pang pang geraken of gevaarlijke mannen”. Vervolgens is er op de telefoon van [medeverdachte 1] een sms bericht binnengekomen met de tekst: “ja bel is man” en “ik heb pang pang hier bij mij liggen en zware manne ben ik en ken er veel dus bel is makker wat is er aan de hand”. Hierna is er tussen beide toestellen een belcontact van ongeveer vier minuten.

Op 26 september 2014 heeft [medeverdachte 1] ’s ochtends onder andere een mes in een foedraal bij de Bergse Dumphal gekocht. Uit diverse verklaringen volgt dat [medeverdachte 1] en [verdachte] een groot deel van die vrijdag samen hebben doorgebracht. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 1] en [verdachte] omstreeks 13.00 uur/13.30 uur in de woning van haar moeder in Bergen op Zoom gezien. Rond 16.00 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] bij [naam 2] . Rond 19.00 uur zijn [medeverdachte 1] en [verdachte] vertrokken vanaf de woning van [medeverdachte 2] in Bergen op Zoom in de zwarte Volkswagen Golf van [medeverdachte 1] moeder.

Op 27 september 2016 omstreeks 01.20 uur is een getuige, woonachtig in dezelfde flat als [slachtoffer] , wakker geworden van autoportieren die meerdere keren hard werden dichtgeslagen. Zij ziet aan de achterzijde van de flat, ter hoogte van haar balkon, een zwarte of donkerkleurige VW Golf hatchback of daarop lijkende auto met haaietand/vinantenne op het dak en sportvelgen. Er stonden twee jongens of mannen bij de auto die bij de achterbank van de auto bezig waren alsof ze de achterbank opklapten of wat met de voorstoel deden. De mannen waren opvallen nerveus. Ze keken steeds schichtig om zich heen en omhoog naar de flatwoningen. Ze praatten niet met elkaar, maar maakten elkaar dingen duidelijk met hun handen. Op een gegeven moment liepen de twee mannen weg bij de auto in de richting van de [adres 1] . Ze liepen om de flat heen. De ene man was ongeveer 20 jaar oud. Hij droeg donkere kleding, een donker shirt met glitters er op en een zwarte baseballpet. De andere man had een blanke huidskleur en was ongeveer 30 jaar oud. Hij droeg een lichtkleurige joggingbroek en een lichtkleurig shirt met lange mouwen. Ook hij droeg een zwarte baseballpet.

Op 27 september 2014 om 01.44 uur heeft [naam 3] een bericht van [slachtoffer] ontvangen via Facebook. Daarna heeft zij geen antwoord meer gekregen.

In de nacht van 26 op 27 september 2014 heeft [getuige 1] heel vaak de deurbel horen gaan en heeft zij gehoord dat haar broer [slachtoffer] via de intercom sprak met iemand en vroeg wie daar was.

Vervolgens heeft zij hem naar zijn slaapkamer horen gaan, waarna de deurbel opnieuw ging en zij haar broer weer via de intercom heeft horen praten. Haar broer zei “Ik ken je niet, ik kom naar beneden”. Ze heeft gehoord dat haar broer naar beneden liep. Ze is na ongeveer vijf minuten naar beneden gegaan. Toen zij de trap afkwam en richting de toegangsdeur van de portiek keek, zag zij haar broer [slachtoffer] met zijn rug rechts tegen de muur. Zij heeft de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] heel dicht voor haar broer zien staan. Zij heeft gezien dat hij breed stond, alsof hij haar broer wat aan wilde doen. Zij zag aan het gezicht van haar broer dat hij angstig was. Getuige vond de situatie dreigend en was bang. Zij heeft gezien dat een andere man die zij niet kende, de deur openhield. Hij stond half in de deuropening en half in de hal. Deze man stond heel dicht achter de vriend van [medeverdachte 2] . Haar broer, het slachtoffer, heeft naar de getuige toe bevestigd dat één van de mannen de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] was en heeft haar gevraagd de politie te bellen. Toen de getuige de trap op rende om dat te doen, hoorde zij haar broer schreeuwen en “au” roepen. Zij is daarop direct naar beneden gerend en zag dat haar broer buiten op straat in elkaar zakte.

[medeverdachte 1] heeft bekend dat hij één van die mannen was.

[medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] op enig moment vastgepakt.

Getuige [getuige 2] heeft om 01.51 uur het alarmnummer van de politie gebeld, nadat de zus van het slachtoffer, getuige [getuige 1] , voor de auto van getuige [getuige 2] was gesprongen en hem had gevraagd om de politie en de ambulance te bellen.

Om 01.53 uur heeft de politiemeldkamer aan een politie-eenheid de opdracht gegeven om te rijden naar de [adres 1] in Enschede, omdat zich daar ergens een steekpartij had voorgedaan.

Omstreeks 02.10 uur is gestopt met de reanimatie van [slachtoffer] , omdat hij was overleden.

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] is gebleken dat er sprake is van twee steekwonden; een steekwond links voor aan de borst met daarmee samenhangend een steekkanaal waarin de linkerlong en het hart zijn geperforeerd en een steekwond links aan de buik met oppervlakkige perforatie van de buikwand zonder perforatie van inwendige organen. De arts en patholoog A. Maes van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft geconcludeerd dat het slachtoffer is overleden als gevolg van verwikkelingen van een bij leven opgelopen steekverwonding links aan de borst.

Het steekkanaal van de verwonding links aan de borst loopt van links naar rechts en iets voetwaarts (vanuit rugligging slachtoffer bezien) en voorwaarts.

[medeverdachte 1] en [verdachte] zijn op zaterdag 27 september 2016 omstreeks 04.00/04.30 uur weer in de woning in Bergen op Zoom. Diezelfde dag omstreeks 17.00 uur zijn de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] in Bergen op Zoom aangehouden. Zij zaten alle drie in de hiervoor genoemde zwarte Volkswagen Golf. Deze auto had wielen die voorzien waren van sportvelgen. Op het dak van de auto was een antenne aangebracht in de vorm van een haaietand/haaievin. Ten tijde van de aanhouding droeg [verdachte] een zwart t-shirt met daarop glinsterende chroomkleurige punten die een afbeelding vormden.

Op aanwijzen van [medeverdachte 1] zijn diverse goederen aangetroffen. Bij de verzorgingsplaats Struik aan de A1 zijn twee zwarte baseball petjes, waarvan één petje met het opschrift “Special Forces”, één paar zwarte leren handschoenen, één paar gele huishoudhandschoenen en twee messen in een sloot en weiland aangetroffen. Bij de verzorgingsplaats Varakker aan de A15 zijn in een vuilniszak een mes, een wit masker, een valse Belgische kentekenplaat, een handdoek, een blauwe hoodie met het opschrift “Red Bridge NYC”, een zwart/wit gebreide trui met col en een fles met terpentine in een plastic tas van Praxis aangetroffen. Bij de carwash in Niel (België) zijn in een zwarte vuilniszak onder andere een zwarte joggingbroek met witte strepen op de zijkant, een grijze joggingbroek, een grijs T-shirt, een paar schoenen, een paar grijze sokken en een verpakking van een Lebara simkaart aangetroffen. In een stoffen tas in de afvalcontainer werd een gas-alarmpistool aangetroffen.

De aangetroffen goederen zijn door het team Forensische Opsporing onderzocht op onder meer biologische sporen. Deze sporen en sporendragers zijn voor nader onderzoek overgedragen aan het NFI.

Door middel van vergelijkend DNA-onderzoek door het NFI is op de binnenrand van de zwarte baseball pet met het opschrift “Special Forces” het DNA-profiel van [medeverdachte 1] aangetroffen. Op de binnenrand van de andere zwarte baseball pet is een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen aangetroffen waaronder [verdachte] en [medeverdachte 1] . Het DNA-profiel van [verdachte] matcht met het DNA-mengprofiel van het celmateriaal van de bemonstering van de binnenrand van de pet.

Op de binnenzijde van de zwarte leren handschoenen is het DNA-profiel van [medeverdachte 1] aangetroffen en op de buitenzijde van die handschoen is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan de bemonstering celmateriaal bevat van [medeverdachte 1] en [slachtoffer] .

Op de binnenzijde van de gele huishoudhandschoen is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan de bemonstering celmateriaal bevat van [verdachte] en [medeverdachte 2] .

Op het lemmet van één van de bij de verzorgingsplaats Struik aangetroffen messen is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan de bemonstering celmateriaal bevat van [slachtoffer] en minimaal één andere persoon.

Op de blauwe hoodie is zowel het DNA-profiel van [medeverdachte 1] als dat van [slachtoffer] aangetroffen. Op de zwart/wit gebreide trui zijn twee DNA-mengprofielen aangetroffen waarvan de ene bemonstering celmateriaal bevat van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de andere bemonstering celmateriaal van [verdachte] , [medeverdachte 1] en minimaal één onbekende persoon.

Op de grijze joggingbroek is zowel het DNA-profiel van [medeverdachte 1] als dat van [slachtoffer] aangetroffen.

Op de zwarte joggingbroek is een DNA-mengprofiel aangetroffen waarvan de bemonstering celmateriaal bevat van [verdachte] , [medeverdachte 1] en minimaal één onbekende persoon.

Daarnaast is bij het onderzoek door de politie in de omgeving van de [adres 1] aan de achterzijde van de flat ter hoogte van de achteruitgang van het portiek een foedraal van een mes aangetroffen. Door middel van vergelijkend DNA-onderzoek door het NFI is op het foedraal het DNA-profiel van [medeverdachte 1] aangetroffen. Twee van de aangetroffen messen zijn soortgelijk aan messen die in de keukenla van [medeverdachte 3] zijn aangetroffen, terwijl soortgelijke messen in sets verkocht worden in de Bergse Dumphal. De Bergse Dumphal verkoopt ook messen in een foudraal die soortgelijk zijn aan het bebloede mes dat bij de verzorgingsplaats Struik en de foudraal die achter de flat waar [slachtoffer] woonde zijn aangetroffen.

Op zaterdag 27 september 2014 ‘s middags heeft [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] een sms gestuurd waarin hij vraagt om € 250,-- voor [verdachte] , die om dat bedrag heeft gevraagd. [medeverdachte 2] heeft geantwoord dat dat goed was.

5.2.2

De aanwezigheid van verdachte op de plaats delict

Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft [getuige 1] gezien dat er twee mannen tegenover haar broer stonden in het flatportiek en dat er sprake was van een dreigende situatie. Eén van die twee mannen heeft zij herkend als de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] , wat [slachtoffer] haar ook bevestigd heeft. De nieuwe vriend van [medeverdachte 2] is [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij één van de personen is die [getuige 1] heeft gezien. [medeverdachte 1] heeft vrijwel vanaf het begin dat hij is verhoord (vanaf 29 september 2014) verklaard dat [verdachte] als mededader betrokken was bij het doden van [slachtoffer] en hij heeft meermalen beschreven hoe [verdachte] en hij gekleed gingen. [medeverdachte 1] verklaart ondermeer dat [verdachte] een zwarte trainingsbroek, een zwart met wit gespikkelde trui, een T-shirt met glitter opdruk, gele huishoudhandschoenen en een petje met gaas droeg. [medeverdachte 1] droeg zelf een grijze joggingbroek, een blauwe trui, een petje met opdruk “Special Forces” en zwarte leren handschoenen. Hoewel de rechtbank zich realiseert dat met de verklaringen van [medeverdachte 1] behoedzaam dient te worden omgegaan, gelet op de wisselende en op onderdelen – naar eigen zeggen - leugenachtige verklaringen die hij heeft afgelegd, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] consistent heeft verklaard daar waar het de betrokkenheid van [verdachte] bij het steekincident betreft en de gedragen kleding. De verklaring van [medeverdachte 1] wordt op die punten bovendien ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 2] dat zij [medeverdachte 1] en [verdachte] op vrijdag 26 september 2014 rond 13.00/13.30 uur in de woning van haar moeder in Bergen op Zoom heeft gezien, dat zij hen samen heeft zien vertrekken, dat zij hen rond 18.30 uur weer in de woning van haar moeder heeft gezien, dat zij [medeverdachte 1] en [verdachte] uiterlijk iets na 19.00 uur weer heeft zien vertrekken, dat zij hen die nacht omstreeks 04.00/04.30 uur samen weer in de woning van haar moeder heeft gezien en dat [verdachte] toen ook is blijven slapen. Ook wordt de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteund door het op diverse plaatsen, op de door [medeverdachte 1] beschreven route van Enschede naar Bergen op Zoom, aantreffen van goederen met DNA-materiaal van [verdachte] in combinatie met een mes met DNA-materiaal van [slachtoffer] en diverse andere goederen met DNA-materiaal van [slachtoffer] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Tenslotte wordt de verklaring van [medeverdachte 1] ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 3] , die omstreeks 01.20 uur twee mannen bij de flat van [slachtoffer] heeft gezien waarvan zij een signalement geeft dat overeenkomt met de door [medeverdachte 1] beschreven kleding.

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien met hetgeen de rechtbank onder 5.2.1 heeft vastgesteld en het feit dat:

om 01.51 uur de alarmmelding is gedaan;

het een feit van algemene bekendheid is dat de reistijd van de [adres 1] in Enschede naar de [adres 2] in Bergen op Zoom ongeveer twee uur en dertig minuten bedraagt en

[medeverdachte 1] en [verdachte] omstreeks 04.00/04.30 uur arriveerden bij de woning van [medeverdachte 2] en haar moeder aan de [adres 2] in Bergen op Zoom,

is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan, dan dat [medeverdachte 1] en [verdachte] samen vanuit Bergen op Zoom naar Enschede en weer terug zijn gereden en dat [verdachte] de persoon is die door [getuige 1] met [medeverdachte 1] in het flatportiek is gezien.

Bij de waardering van de overtuigende kracht van de bewijsmiddelen acht de rechtbank tevens van belang dat verdachte zich bij de politie, bij de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Hoewel hij daartoe meermalen is uitgenodigd en op de mogelijke consequenties is gewezen, heeft hij geen nadere vragen beantwoord, noch een verklaring gegeven over de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, die de rechtbank redengevend acht voor het bewijs van het tenlastegelegde.

De rechtbank merkt in dat verband het volgende op.

De bescherming tegen zelfbeschuldiging die is gebaseerd op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), staat er niet aan in de weg dat het stilzwijgen van verdachte in een situatie die vraagt om een (nadere) verklaring, meeweegt bij de beoordeling van de overtuigende kracht van het bewijs van zijn betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit.

Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) kan het zwijgen van een verdachte immers onder omstandigheden bijdragen aan zijn veroordeling. De Hoge Raad staat weliswaar niet toe dat het zwijgen direct als zelfstandig bewijsmiddel wordt gebruikt, maar accepteert wel dat het een onderdeel is van de bewijsoverwegingen (HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584, herhaald in HR 15 juni 2004, NJ 2004, 464).

De verdediging heeft gesteld dat de onderzoeksgegevens ten aanzien van de bemonstering van de binnenrand van de pet met SIN AAHF9240NL, ten aanzien van de bemonstering van de binnenzijde van de gele handschoen met SIN AAHJ4748NL#01, ten aanzien van de bemonstering van de joggingbroek met SIN AAHP5130NL en ten aanzien van de bemonstering van de trui met SIN AAHJ4736NL niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, omdat niet kan worden uitgesloten dat het DNA door middel van contaminatie op de stukken van overtuiging terecht is gekomen en omdat de onderzoeksresultaten daarnaast slechts weergeven dat [verdachte] niet kan worden uitgesloten als donor nu het mengprofielen betreft.

De matchkans is niet berekend. Er kan enkel door middel van waarschijnlijkheden van bepaalde hypotheses iets gezegd worden over de resultaten, terwijl dit soort conclusies niet de kans weergegeven dat een bepaalde hypothese waar is. Bovendien staat niet vast dat de stukken van overtuiging met het delict in verband staan.

De rechtbank overweegt hierover dat de verdediging weliswaar heeft gesteld dat niet kan worden uitgesloten dat contaminatie heeft plaatsgevonden, maar aan die stelling geen feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die een dergelijke stelling rechtvaardigen. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de geldende voorschriften in het onderzoek niet in acht zijn genomen. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt dan ook verworpen.

Met betrekking tot de matchkans volgt de rechtbank het betoog van de verdediging niet.

De rechtbank stelt voorop dat de door het NFI gehanteerde formuleringen en aannames zoals “afkomstig kan zijn” en “passen binnen dit mengprofiel” niet met zich meebrengen dat de rechtbank aan de DNA-match geen of een geringe bewijswaarde zou moeten toekennen. Het NFI doet op het onderhavige vlak geen absolute uitspraken.

Het NFI heeft op grond van de eerste resultaten van het standaard DNA-onderzoek aan de bemonstering AAHJ4748NL#01 (gele handschoen) en de bemonstering AAHF9240NL#01 (binnenrand pet) het standaard DNA-onderzoek aan deze bemonsteringen herhaald om de reproduceerbaarheid van de verkregen resultaten te onderzoeken. Daaruit volgt dat het DNA-profiel van [verdachte] matcht met het DNA-mengprofiel van het celmateriaal in de bemonstering van de gele handschoen. De bemonstering van de binnenrand van de pet met SIN AAHF9240NL#01 levert een DNA-mengprofiel van minimaal twee personen waaronder [verdachte] en [medeverdachte 1] op. Het DNA-profiel van [verdachte] matcht met het DNA-mengprofiel van het celmateriaal van de bemonstering van de binnenrand van de pet. Het is in beide voornoemde gevallen niet mogelijk om een standaard statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de bewijskracht van de gevonden match/overeenkomst, omdat niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn, maar dat doet aan het feit dat er een match is niet af. Dat bij de berekening van de ordegrootte van de bewijskracht door het NFI uitgegaan wordt van aannames en hypotheses en de bevindingen worden geformuleerd in termen van waarschijnlijkheid maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de resultaten van bedoelde onderzoeken niet gebezigd mogen worden voor het bewijs, zodat het verweer van de verdediging ook op dat punt wordt verworpen.

Voor wat betreft de relatie met het delict merkt de rechtbank het volgende op.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de stukken van overtuiging – die op zijn aanwijzingen door de politie zijn teruggevonden bij de verzorgingsplaatsen Struik en Varakker en bij de carwash in Niel (België) – zijn gebruikt/gedragen door hemzelf en door [verdachte] , terwijl daarop ook het DNA van [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en het slachtoffer is aangetroffen. Dat er geen stukken van overtuiging zijn aangetroffen waarop zowel het DNA van [verdachte] als dat van het slachtoffer is aangetroffen doet daaraan niet af, temeer niet nu op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat [medeverdachte 1] of een willekeurig andere persoon buiten medeweten van [verdachte] om de pet, trui, gele huishoudhandschoenen en de zwarte joggingbroek waarop het DNA van [verdachte] is aangetroffen samen met de messen, de blauwe hoodie, de zwarte leren handschoenen, de pet met het opschrift “Special Forces” en de grijze joggingbroek waarop DNA-materiaal van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [slachtoffer] is aangetroffen op voornoemde plekken langs de route van Enschede naar Bergen op Zoom en in Niel heeft gedumpt. Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat genoemde stukken van overtuiging met het delict in verband staan, zodat het verweer van de verdediging ook op dat punt wordt verworpen.

5.2.3

Medeplegen

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht (vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905). De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict (vgl. HR 2 december 2014, ECLI:HR:NL:2014:3474).

Kort nadat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op de hoogte waren geraakt van de inhoud van voornoemd kort geding vonnis is er meermalen door [medeverdachte 2] gezegd dat [slachtoffer] beter dood kan zijn. Ook [medeverdachte 1] is van dergelijke uitspraken getuige geweest en heeft bevestigd dat dat beter zou zijn. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] contact opgenomen met verschillende personen om te informeren naar gevaarlijke mannen en wapens. [medeverdachte 1] heeft zelfs om een wapen met demper gevraagd. Op 25 september 2014 is er sms-verkeer tussen de telefoons van [medeverdachte 1] en [verdachte] over – kort gezegd – de vraag van [medeverdachte 1] naar “gevaarlijke mannen en pang pang”, met als reactie daarop “ik heb pang pang hier bij mij liggen en zware manne ben ik” en “ ja bel is man”. Daarop volgt een telefoongesprek van ongeveer vier minuten tussen beide toestellen. Dit sms- en telefoonverkeer kan de rechtbank bij gebreke van een andere aannemelijke verklaring niet anders zien dan in het licht van het plegen van geweld tegen [slachtoffer] .

Vervolgens brengen [verdachte] en [medeverdachte 1] de dag voorafgaande aan het strafbare feit grotendeels in elkaars gezelschap door. [verdachte] spreekt op verschillende momenten die dag met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] verklaart dat hij met [verdachte] gesproken heeft over de situatie van [medeverdachte 2] met haar ex. Gelet op het voorgaande kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat [verdachte] op de hoogte was van de vervelende situatie waarin [medeverdachte 2] zich bevond op het moment dat [verdachte] samen met [medeverdachte 1] naar Enschede reed, dat daarover door [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] is gesproken en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] wisten dat er een gewelddadige confrontatie met het slachtoffer zou gaan plaatsvinden. Ook de verklaring van [medeverdachte 1] dat hij met [verdachte] heeft gesproken over op z’n minst “het bijeen slaan” van het slachtoffer draagt bij aan dit oordeel.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat er bij [verdachte] wetenschap bestond over het meenemen van wapens.

[medeverdachte 1] heeft ontkend een of meer mes(sen) meegenomen te hebben en heeft verklaard dat hij niet wist dat er een of meerdere mes(sen) is/zijn meegenomen door [verdachte] .

[verdachte] ontkent betrokkenheid bij het overlijden van het slachtoffer en maakt gebruik van zijn zwijgrecht.

Vast is komen te staan dat [verdachte] door [medeverdachte 1] is benaderd in verband met het aanleveren van wapens, dat [verdachte] zich heeft aangeboden als gevaarlijke man die in het bezit is van een wapen, dat [slachtoffer] is gestoken, dat [slachtoffer] als gevolg van verwikkelingen van een bij leven opgelopen steekverwonding links aan de borst is overleden, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] ten tijde van het incident op de plaats delict aanwezig waren met als doel om de confrontatie met [slachtoffer] aan te gaan, dat er op aanwijzen van [medeverdachte 1] messen zijn aangetroffen waaronder een mes waarop zich bloed van het slachtoffer bevond en dat er een foedraal van een mes is aangetroffen waarop zich DNA-materiaal van [medeverdachte 1] bevond. Bovendien kan het – zoals hiervoor is overwogen – niet anders zijn dan dat [verdachte] op de hoogte was van het feit dat er sprake zou zijn van een gewelddadig treffen met het slachtoffer. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat er bij [verdachte] wetenschap is geweest over de aanwezigheid van een of meer messen ten tijde van de confrontatie met het slachtoffer.

[medeverdachte 1] en [verdachte] bevinden zich rond 01.45 uur bij de flatwoning van [slachtoffer] en lokken hem met een smoes naar beneden. [medeverdachte 1] verklaart dat zowel hij als [verdachte] [slachtoffer] heeft vastgepakt. [medeverdachte 1] is consistent in dit deel van zijn verklaring. Er ontstaat een dreigende situatie waarbij beide verdachten dicht bij [slachtoffer] staan, welke bedreigende situatie door [getuige 1] waargenomen wordt en door [slachtoffer] naar haar toe bevestigd wordt. [slachtoffer] vraagt haar de politie te bellen. [getuige 1] herkent [medeverdachte 1] en maakt dat ook kenbaar. Deze herkenning is voor beide verdachten geen aanleiding om [slachtoffer] , die op dat moment nog niet gestoken is, met rust te laten en zich terug te trekken. Slechts enkele seconden nadat [getuige 1] zich heeft omgedraaid en naar boven is gerend hoort zij haar broer schreeuwen en “au” roepen en moet hij gestoken zijn, want als zij enkele seconden later weer beneden is, ziet zij haar broer buiten in elkaar zakken. [verdachte] en [medeverdachte 1] zijn vervolgens vanuit Enschede naar Bergen op Zoom vertrokken en hebben langs de route messen, handschoenen en kleding gedumpt om ontdekking/betrapping te voorkomen dan wel het onderzoek te bemoeilijken.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij het slachtoffer niet gestoken heeft, maar dat [verdachte] dat heeft gedaan. [medeverdachte 1] heeft tijdens een reconstructie voorgedaan wat hij heeft gezien van het steken door [verdachte] .

[verdachte] ontkent betrokkenheid bij het overlijden van het slachtoffer en maakt gebruik van zijn zwijgrecht.

De verklaring van [medeverdachte 1] dat [verdachte] twee maal gestoken heeft vindt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende ondersteuning in andere bewijsmiddelen. Voor het scenario dat [medeverdachte 1] degene is die de dodelijke steek heeft toegebracht vindt de rechtbank onvoldoende directe en objectieve bewijsmiddelen in het dossier aanwezig.

De rechtbank kan aldus uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet met voldoende zekerheid vaststellen wie aan [slachtoffer] het dodelijk letsel toegebracht heeft/hebben. Vast staat wel dat [slachtoffer] als gevolg van verwikkelingen van een bij leven opgelopen steekverwonding links aan de borst is overleden en dat [verdachte] en [medeverdachte 1] ten tijde van de levensberoving op de plaats delict aanwezig waren met als doel om een confrontatie aan te gaan met [slachtoffer] .

Op zaterdag 27 september 2014 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] 250 euro voor [verdachte] . In samenhang met de hiervoor genoemde sms-berichten van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] op maandag 22 september 2014, het ontbreken van een aannemelijke verklaring voor deze betaling aan [verdachte] en het vragen van goedkeuring daarvoor aan [medeverdachte 2] , is de rechtbank van oordeel dat het verzoek om 250 euro niet anders kan worden uitgelegd dan als een betaling aan [verdachte] voor zijn rol bij het om het leven brengen van [slachtoffer] .

Nu bij medeplegen het accent ligt op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht, is de rechtbank van oordeel dat uit het hiervoor omschreven handelen van [medeverdachte 1] en [verdachte] blijkt, dat [verdachte] een zodanige significante en wezenlijke bijdrage aan het tenlastegelegde feit heeft geleverd dat er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] en aldus van medeplegen in de zin van artikel 47 Sr. Dat niet duidelijk is geworden wie uiteindelijk de fatale steekverwonding in de borst heeft toegebracht, doet aan dit oordeel niets af.

De rechtbank kent hierbij tevens betekenis toe aan het feit dat verdachte zich bij de politie, bij de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting op zijn zwijgrecht heeft beroepen met betrekking tot het tenlastegelegde feit, zoals hiervoor onder 5.2.2 is overwogen.

5.2.4

Opzet

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is voorts niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard (vgl. HR 30 december 2012, LJN BX5396 en 25 maart 2003, LJN AE9049).

De vraag die voorligt is of het handelen van [verdachte] op de wijze zoals hiervoor is vastgesteld,

op zichzelf genomen de aanmerkelijke kans op het intreden van de dood met zich brengt. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer een persoon met een mes in de borst en buik wordt gestoken de kans op overlijden aanmerkelijk te noemen is, waardoor de aanwezigheid van de aanmerkelijke kans op het overlijden van een persoon onder deze omstandigheden een vaststaand gegeven is en geen nadere uiteenzetting behoeft. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben moeten weten dat het steken van een persoon in de borst en buik dodelijk kan zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verdachte] de kans op het overlijden van [slachtoffer] ook willens en wetens, ofwel bewust aanvaard. De rechtbank komt tot deze conclusie omdat [verdachte] zichzelf – op vragen van [medeverdachte 1] daarnaar – aan [medeverdachte 1] heeft aangeboden als gevaarlijke man, die in het bezit is van een vuurwapen en dat hij met [medeverdachte 1] bewust tijdens de nachtelijke uren naar de flat van [slachtoffer] in Enschede is gegaan, gewapend (met een of meer mes(sen)), met als doel het plegen van geweld (al dan niet in bedreigende zin) tegen [slachtoffer] . Vervolgens zijn zij de confrontatie met [slachtoffer] aangegaan, hebben zij met z’n tweeën, [slachtoffer]

– die alleen was – in het nauw gedreven en aldus een bedreigende situatie doen ontstaan waaraan [slachtoffer] zich niet kon onttrekken en is, slechts enkele seconden nadat zij – terwijl zij op heel korte afstand van [slachtoffer] stonden - waren gezien door getuige [getuige 1] , het slachtoffer in de buik en met kracht in de borst gestoken.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] op z’n minst genomen in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Van overtuigende contra-indicaties die aan dit oordeel in de weg zouden staan, is de rechtbank niet gebleken, terwijl ook hier betekenis wordt toegekend aan het zwijgen van verdachte, zoals hiervoor onder 5.2.2 is overwogen.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] tezamen en in vereniging met een ander [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd.

5.2.5

De voorbedachten rade

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “met voorbedachten rade” moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

De rechtbank heeft op grond van het onderhavig dossier en het onderzoek ter zitting niet kunnen vaststellen dat sprake was van een vooropgezet plan om [slachtoffer] van het leven te beroven, zoals door de officier van justitie is aangevoerd.

Weliswaar bestaan er aanknopingspunten voor het bestaan van zo'n plan, zoals de uitlatingen van [medeverdachte 2] in de week voorafgaand aan het incident dat het beter zou zijn als [slachtoffer] dood was, de zoektocht van [medeverdachte 1] naar (vuur)wapens en gevaarlijke mannen, het aanschaffen van onder meer messen, een masker, kleding en de verklaring van [medeverdachte 1] dat het de bedoeling was om [slachtoffer] te vermoorden, maar er zijn ook contra-indicaties die van zodanig gewicht zijn dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de voorbedachten rade gekomen kan worden. [medeverdachte 1] verklaart namelijk ook (bij herhaling) dat hij slechts de intentie had om het slachtoffer in elkaar te slaan of een lesje te leren.

Dit deel van verdachtes verklaring vindt ondersteuning in de verklaring van Wesley Hermans die verklaart dat hij wist dat [medeverdachte 1] naar [slachtoffer] toe zou gaan om hem bang te maken of ‘kletsen te geven’. Ook het feit dat [slachtoffer] niet direct wordt neergestoken op het moment dat hij [medeverdachte 1] en [verdachte] in het portiek van de flat treft, is naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor het bestaan van een “tevoren” door [medeverdachte 1] en [verdachte] genomen besluit om [slachtoffer] van het leven te beroven, terwijl eveneens de aanschaf van de hiervoor genoemde goederen niet kan bijdragen aan bewijs van de voorbedachten rade nu dergelijke goederen en kleding ook in het kader van een ander geweldsdelict aangeschaft kunnen zijn. Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien met het feit dat slechts enkele seconden nadat [medeverdachte 1] en [verdachte] waren betrapt door getuige [getuige 1] , [slachtoffer] in de buik en met kracht in de borst is gestoken, kan niet worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Om die reden kan naar het oordeel van de rechtbank de voorbedachten rade niet wettig en overtuigend bewezen worden.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte impliciet primair (moord) is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het impliciet subsidiair (doodslag) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 27 september 2014 in de gemeente Enschede tezamen en in vereniging met een ander

[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in het lichaam te steken.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte impliciet subsidiair meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 juncto 47 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: medeplegen van doodslag.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is derhalve strafbaar voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien jaren met aftrek van de periode die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Volgens de officier van justitie heeft verdachte, gelet op zijn documentatie in België, bewezen dat hij misdrijven niet schuwt en heeft hij zich gemakzuchtig als een soort huurling ingelaten met medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om [slachtoffer] om het leven te brengen.

De officier van justitie gaat kennelijk uit van volledige toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken en heeft over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de strafmaat geen opmerkingen gemaakt.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is met zijn mededader vanuit Bergen op Zoom naar Enschede gereden om midden in de nacht de confrontatie met het slachtoffer aan te gaan. Verdachte en zijn mededader hebben het nietsvermoedende slachtoffer naar de toegangsdeur van het flatportiek gelokt en hebben vervolgens op gruwelijke wijze een einde gemaakt aan het leven van de 25-jarige [slachtoffer] , de ex-partner van de vriendin van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en vader van hun toen één jaar oude dochter [dochter] .

Het slachtoffer is het meest fundamentele recht ontnomen waarover de mens beschikt: het recht op leven. Onpeilbaar en herstelbaar leed is toegebracht aan de nabestaanden die verder zullen moeten zonder hun zoon, broer en vader. Dit is ter terechtzitting indringend naar voren gebracht met de verklaring die [getuige 1] , zus van het slachtoffer, heeft voorgelezen.

Voorts is door dit delict de rechtsorde ernstig geschokt. Feiten als dit wekken gevoelens van afschuw, angst en onveiligheid in de samenleving.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben bovendien een vorm van eigenrichting gepleegd; door de dood van [slachtoffer] zou [medeverdachte 2] ontkomen aan de beslissing in het door [slachtoffer] aangespannen kort geding, waardoor zij gedwongen werd terug te keren naar Enschede.

De rechtbank rekent verdachte dit feit zwaar aan.

Over de persoonlijkheid van verdachte zijn op 26 oktober 2015 Pro Justitia rapporten opgemaakt door E.L.G. Heinsman, psychiater en K.T.E. Zászlós, psycholoog. Verdachte heeft slechts beperkt meegewerkt aan de onderzoeken zodat de deskundigen de vragen over de mate van toerekeningsvatbaarheid en het herhalingsgevaar niet kunnen beantwoorden.

Vervolgens is verdachte voor klinisch multidisciplinair onderzoek overgebracht naar de observatieafdeling van het Forensisch Centrum Teylingereind in Sassenheim.

Het daarover opgemaakte rapport van 17 mei 2016 houdt, voor zover thans van belang, onder meer de volgende bevindingen en conclusies in.

Er is ten tijde van het onderzoek sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van misbruik van cannabis en van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk een borderline persoonlijkheidsstoornis met narcistische, theatrale en antisociale trekken. Verder is er mogelijk sprake van ADHD. Deze stoornissen waren ook aanwezig ten tijde van het gepleegde feit.

De vragen over de invloed van de stoornissen op verdachtes gedragskeuzes kunnen niet worden beantwoord omdat verdachte slechts beperkt aan het onderzoek heeft meegewerkt en zich moeilijk onderzoekbaar heeft opgesteld. De onderzoekers hebben daarom geen zicht op de eventuele motieven en drijfveren rondom het tenlastegelegde. Er kan dan ook geen uitspraak worden gedaan over de doorwerking van de stoornissen in het tenlastegelegde, noch over de kans op herhaling die met de problematiek verband houdt.

De rechtbank onderschrijft de hiervoor weergegeven bevindingen en conclusies van de deskundigen en maakt deze tot de hare. De rechtbank ziet in het rapport geen aanleiding om verdachte het bewezenverklaarde in verminderde mate toe te rekenen. Daarom zal de rechtbank verdachte als volledig toerekeningsvatbaar aanmerken.

De rechtbank is van oordeel dat het bewezen verklaarde feit, gezien de ernst daarvan, dient te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanmerkelijke duur. De rechtbank neemt bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf – naast hetgeen hiervoor is overwogen – ook in aanmerking dat verdachte, die eerder met justitie en politie in België in aanraking is gekomen, op geen enkele wijze verantwoordelijkheid voor zijn handelen neemt en daarvoor geen verantwoording wenst af te leggen. Anderzijds houdt de rechtbank rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren passend en geboden.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

Mevrouw [nabestaande] , wonende te [woonplaats 2] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal

€ 9.732,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.

Deze schade bestaat uit de volgende posten:

uitvaart € 2.467,92,

huur graf 30 jaar € 2.890,00 en

grafsteen € 4.375,00.

Ook heeft de benadeelde gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde. De opgevoerde schadeposten zijn niet betwist, voldoende onderbouwd en aannemelijk.

De rechtbank zal het gevorderde daarom integraal toewijzen met uitzondering van de gevorderde wettelijke rente, nu niet is gebleken dat de hiervoor vermelde bedragen door de benadeelde zijn voldaan voordat benadeelde de door het Schadefonds Geweldsmisdrijven toegekende uitkering had ontvangen.

Het gevorderde wordt hoofdelijk opgelegd.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast

berust deze beslissing op artikel 27 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

verklaart niet bewezen dat verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte impliciet subsidiair meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf: medeplegen van doodslag;

verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 11 (elf) jaren;

bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij mevrouw

[nabestaande] van een bedrag van € 9.732,92 (negenduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en tweeënnegentig eurocent), voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

wijst de vordering voor het overige af;

legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 9.732,92 (negenduizend zevenhonderdtweeëndertig euro en tweeënnegentig eurocent) ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 83 (drieëntachtig) dagen zal worden toegepast (een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan);

bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.C.S. Koppes, voorzitter, mr. G.J. Stoové en mr. E.J.M. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer 2014097389 (TGO Diabelli). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1.

De schriftelijke uitwerking van het verhoor van 28 september 2014 van verdachte [medeverdachte 2] van 18 februari 2015, pagina’s 3044, 3045, 3046, 3048 en 3050, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

A: Ben sinds anderhalve week ongeveer, ben ik weer woonachtig bij mijn moeder, dat is de [adres 2] . Dat is eigenlijk, ja, iets voor de, ja iets na de uitspraak eigenlijk ben ik naar mijn moeder gegaan, puur omdat ik die steun gewoon even wou hebben. Dat ik wat meer rust had. Dus toen ben ik weer terug naar mijn moeder gekeerd eigenlijk. Ook gewoon in Bergen op Zoom.

A: (huilend) 2 jaar geleden ben ik verhuisd naar Enschede voor mijn toenmalige partner.

V: ja

A: eh, dat is eigenlijk heel erg uit de hand gelopen. Ik ben anderhalf jaar huishoudelijk eh ... gespeeld tegenover mij. Er is een dochtertje uit gekomen. [dochter] dat is zijn achternaam. Zij is nu 17 maanden.

A: Toen zei ze ja, dan ga je maar naar Bergen op Zoom. En dat heb ik toen ook gedaan. Daar gaf hij mondeling ook toestemming in, toen ik weg ging. Hij wist dat ik daadwerkelijk ook ging wonen met haar. Omgangsregeling of iets was niet bekend, moesten we nog afspreken.

V: hoe heet je dochter?

A: [dochter] .

A: ja ze is [geboortedatum 2] 2013 is ze geboren.

V: [geboortedatum 2] 2013, oké en jullie hebben geen omgangsregeling?

A: nee bij weggaan is dat niet vastgesteld. Iets later is mijn ex-partner dus naar een advocaat gestapt. Is een heel eh, is een rechtszaak van geweest, een kort geding. Uit het vonnis bleek dus dat ik terug moest naar Enschede.

V: jij moest terug naar Enschede?

A: ja ik moest terugverhuizen naar Enschede met mijn minderjarige dochtertje eigenlijk.

A: Ik heb daar maar een week de tijd voor gehad. Ik moest, even kijken, vandaag is het zondag als ik het goed zeg?

V: ja

A: dan moest ik vanaf morgen dus woonachtig zijn in Enschede.

A: [adres 1] . Postcode was [postcode] Enschede. Daar woonde hij dan samen met zijn

zus en ik ben eigenlijk daar puur gewoon bij ingetrokken.

V: wanneer ben je wegge gaan dan?

A: Ik denk toen ergens in juli gok ik.

2.

De processen-verbaal van verhoor van getuige [naam 1] van 9 oktober 2014 en 19 november 2014, pagina’s 7105, 7106, 7110, 7111 en 7112, voor zover inhoudende in onderling verband en samenhang bezien, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

V: Hebben jullie toen nog wat besproken?

A: [medeverdachte 2] was helemaal overstuur, ze wilde helemaal niet naar Enschede. Ik probeerde haar te troosten, maar ze zag het helemaal niet meer zitten. En ze zei ook dat ze wilde dat [slachtoffer] dood was.

V: Liet [medeverdachte 2] nog meer emoties zien?

A: Vooral die eerste dag van de uitspraak heel erg huilen, maar die dagen daarna was ze gewoon meer kil. Ze kwam heel kil over. Ik zag haar dinsdagavond nog en toen zei ze ook dat ze vond dat [slachtoffer] gewoon dood moest. En toen zei ik: je neemt wel [dochter] haar vader af. En wat moet je dan toch tegen [dochter] zeggen. En toen zei ik ook: Wat nou als je aangehouden wordt door de politie? En toen zei ze: dan wordt het janken, janken, janken. Of gewoon mijn hoofd koel houden. En dat zei ze donderdagavond nog. Ik was daar nog ongeveer 20 minuten. Toen begon ze er weer over, over [slachtoffer] . En daar had ik eigenlijk helemaal geen zin in. Ik zei nog: denk je nou echt dat ze jou dan niet gaan aanhouden, dat ze het niet bij jou gaan zoeken?

A: Op de dinsdag 23 september 2014, die datum weet ik, omdat de dag daarna de sterfdatum van mijn opa was, zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en ik naar de markt in Rotterdam geweest. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wilden kleding gaan shoppen. Vanaf Rotterdam zijn wij naar Bergen op Zoom gegaan. Daar zijn wij naar de "Bergse Dumphandel" geweest.

Daarna heeft ze een messenset afgerekend. Wij zijn nadat [medeverdachte 2] de messenset had afgerekend naar de auto van [medeverdachte 1] , een zwarte Volkswagen, gelopen en naar huis van [medeverdachte 2] moeder aan de [adres 2] in Bergen op Zoom gegaan.

Zij had al vaker tegen mij gezegd dat ze wilde dat [slachtoffer] dood was, dan waren al haar problemen opgelost. Dat ze naar Enschede moest verhuizen en zo en dat wilde ze niet omdat ze bang was voor [slachtoffer] omdat die haar volgens haar zeggen mishandeld had.

A: Die dinsdag heeft [medeverdachte 1] een zwarte trui en een lichtgrijze joggingbroek, een zwart petje en schoenen gekocht op de markt in Rotterdam. De pet was helemaal zwart met een soort gaas of gaatjes aan de voorkant.

V: [medeverdachte 1] verklaarde: "Ik heb samen met [medeverdachte 2] en [naam 1] dat masker gekocht." Wat is jouw reactie hierop?

A: Ja, dat hebben we ook die dinsdag gekocht. Bij dat winkeltje schuin tegenover een hele vieze friteszaak "De Zalm" hier in Bergen op Zoom. Het was een winkel waar ze allemaal van die carnavalskleding verkopen. Volgens mij heet die zaak "Jantje Rommel" of zoiets. [medeverdachte 1] wilde een masker hebben.

V: Wanneer zijn jullie daar naartoe geweest?

A: Volgens mij was dat voordat wij naar de "Bergse Dumphal" gingen.

3.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] van 29 oktober 2014, pagina 7151, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

[medeverdachte 2] heeft het erover gehad. [medeverdachte 2] heeft gezegd dat ze wilde dat [slachtoffer] dood was.

4.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] van 29 oktober 2014, pagina 7422, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik heb verklaard over dat ik mijn zusje huilend op de bank aangetroffen heb bij mijn moeder thuis. Zij vertelde toen dat ze wilde dat [slachtoffer] er niet meer was zodat ze niet meer naar Enschede hoefde.

Ik denk dat het 1 of 2 dagen na de uitspraak was van de rechtbank toen [medeverdachte 1] naar mij toe kwam. Dat was toen ik bij mijn moeder was. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren daar ook. Toen ik naar buiten ging kwam [medeverdachte 1] bij mij. Ik was van plan om weg te gaan en toen zei [medeverdachte 1] tegen mij dat hij mij nog moest spreken. Toen ik dus naar buiten ging liep [medeverdachte 1] met mij mee naar buiten. Dit was bij de voordeur van mijn moeder. Ik hoorde toen dat [medeverdachte 1] tegen mij zei:"Kun jij een blaffer met een demper voor mij regelen?"

5.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] van 8 oktober 2014, pagina 7274, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

V: Je vertelde dat [medeverdachte 2] had gezegd dat ze [slachtoffer] dood wilde hebben. Wanneer zei ze dat?

A: Toen ze te horen kreeg dat ze terug naar Enschede moest.

V: Weet je nog wanneer dat was?

A: Het was dezelfde dag of de dag na de rechtszaak.

V: Heeft ze het nog vaker gezegd?

A: Ik heb het in totaal maar 2 of 3 keer gehoord. Ik heb het nog een keer gehoord bij haar thuis.

6

De processen-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 28 september 2014, 29 september 2014, 1 oktober 2014, 21 oktober 2014, 6 november 2014, 27 november 2016 en 3 april 2015, pagina’s 2043, 2052, 2053, 2055, 2061, 2262, 2265, 2287, 2365, 2368 en 2471, voor zover inhoudende in onderling verband en samenhang bezien, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Tweetal weken geleden vertelde [medeverdachte 2] mij dat ze in een rechtszaak was gekomen met haar ex, vanwege haar dochtertje , dat denk ik. En ze zei tegen mij dat ze op zoek moest naar een appartementje in Enschede. Indien ze geen appartementje had, moest ze een boete betalen, ingaande morgen een bedrag van 250 euro per dag. Vraag: Wanneer ben je naar Enschede gegaan?

Antwoord: Dat zal woensdag of donderdag zijn geweest.

Vraag: wij hebben een aantal aanwijzingen dat jij betrokken bent bij de dood van die man. Wat kun je daarop zeggen?

Antwoord: lk kan zeggen dat ik niet alleen betrokken ben.

Ik was op vrijdagavond om 21.00 uur verplicht met [verdachte] naar Enschede te rijden. [verdachte] is de man die tegelijk met mij werd aangehouden en toen dus bij mijn in de auto zat.

Vraag: je zegt heel duidelijk dat [verdachte] erbij betrokken is en dat hij naar de deur is gelopen van de flat en dat er een tweede man bij betrokken was.

Antwoord: Dat klopt.

2 weken geleden ging ik hard op zoek naar wapens.

Vraag: Toen jullie samen in Enschede zijn geweest dus jij en [medeverdachte 2] wat hebben jullie precies bekeken en waar ben je geweest? Wij noemen dat voorverkenning ken jij dat begrip? Wat heeft zij jou toen precies verteld en laten zien?

Antwoord: Wij hebben enkel daar telefoonkaarten gekocht. Zij heeft laten zien waar [slachtoffer] woont en wij zijn er langs gereden. Zij heeft gezegd dat zij het vermoeden had dat hij daar woonde op de 1e verdieping. Er was volgens haar een steeg langs achteren. De deuren zaten altijd op slot zowel voor als achter. Zij vertelde mij hoe wij erin konden komen via die deuren. Die gingen alleen open als er werd aangebeld. Wij hebben eerst de telefoonkaart gekocht, toen gekeken waar [slachtoffer] woonde.

Ik had [verdachte] nadat wij uit Enschede kwamen mee genomen naar het huis van [medeverdachte 2] en hij heft daar geslapen op zolder.

Vraag: Hoe laten waren jullie weer in de woning van [medeverdachte 2] ?

Antwoord: [verdachte] en ik waren rond 05.00 uur terug. Ik heb toen die [verdachte] een slaapplek moet geven op zolder.

Die wapens komen denk ik van [verdachte] en dat messenset uit een winkeltje in Bergen op Zoom. Ik denk de Bergse dumphal. Dat is denk ik woensdag of donderdag door [medeverdachte 2] daar gekocht en [naam 1] was daar ook bij.

Vraag: [medeverdachte 1] wat is er nu precies afgesproken, wanneer en door wie?

Antwoord: Die donderdagavond heb ik contact gehad met [verdachte] en telefonisch gesproken. Ik heb vertelt over [medeverdachte 2] en de situatie. Ik heb donderdagavond alleen telefonisch contact gehad. Op vrijdag heb ik een sms gestuurd waar [verdachte] is. Ik kom met de auto van [naam 4] en [verdachte] staat bij de apotheek in [geboorteplaats 1] . Het adres staat in de GPS van [naam 4] . Het adres stond in mijn witte I Phone 5. Ik heb [verdachte] opgepikt en zijn stilaan naar Bergen op Zoom gereden. Er is enkel door [verdachte] gezegd dat het geen stijl is zo te doen tegen [medeverdachte 2] en dat hij geld nodig heeft. [medeverdachte 2] sprak ook met [verdachte] .

A: heeft zij gezegd dat hij toen weg moest, hij moest verdwijnen op één of andere manier, als

dat zou kunnen lukken, dan zou dat heel goed zijn.

V: ja

A: zo heeft ze het ergens toen ongeveer gezegd.

V: ja

V: nog één keer even terug. [medeverdachte 2] begon daar over en dat [slachtoffer] moest verdwijnen of?

A: dood moest, dood moest.

Vraag: Uit onderzoek is ons gebleken dat het grote mes wat ook is gevonden en wat geen deel uit maakte van de messenset ook verkocht wordt met een soortgelijk holster in de dumphal te Bergen op Zoom. Wat weet jij daar nu precies van want wij denken dat die daar ook is gekocht?

Antwoord: Ik ga zeggen zoals het is. Ik heb daar 3 dingen gekocht. Een groot mes of zwaard, 2 kleine Samoerai zwaarden en ook een mes met een holster. Ik heb dat op die vrijdagochtend gekocht.

Ik heb daar ook een pet gekocht en ook leren handschoenen. Die zijn wel door mij meegenomen naar Enschede.

Vraag: [medeverdachte 1] wat droeg jij nu precies tijdens de moord op [slachtoffer] en wat is daarvan weggegooid? jij droeg bij de aanhouding de zwarte trui ( bijlage 9), wit T shirt met Engelse vlag, Asics sportschoenen, grijs zwarte sokken, blauwe spijkerbroek) Antwoord: grijze jogging broek, een T shirt een zwarte, de schoenen die zwarte, blauwe trui, leren handschoenen en de pet.

Vraag: Wat droeg [verdachte] precies in Enschede en wat is daarvan weggegooid? ( hij droeg bij zijn aanhouding een gewatteerde zwarte jas met bontkraag, zwart T shirt met zilveren leeuw (bijlage 11), blauwe spijkerbroek (bijlage 12), grijze joggingbroek (bijlage 13), blauw met rode schoenen (bijlage 14)) Antwoord: zwarte joggingbroek, T shirt met glitters ( bijlage 11), daarboven de trui (bijlage 8), de schoenen (bijlage 14), zwarte pet, gele huishoudhandschoenen en nog een jas. Dat was een dikke jas met capouchon en zachte stof of haren wat aan de capuchon vast zat.

Ik heb [slachtoffer] vastgepakt in de hal.

7.

De schriftelijke uitwerking van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] van 4 oktober 2014, pagina 3044, 3045, 3046, 3048 en 3050, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

Antwoord: en daarna kwam zijn zus naar beneden en zei ze dat ze mij herkende en ik zei nee.

Vraag: wat zei ze tegen jou?

Antwoord: he, ik ken jou. He ik ken jou. Jij bent de vriend van [medeverdachte 2] . ik heb gezegd nee, ben ik niet. En toen waren ze in het Turks bezig tegen elkaar.

8.

Het proces-verbaal van verhoor door de Federale gerechtelijke politie – Provincie Antwerpen van getuige [getuige 7] van 9 december 2014, pagina 7090, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

A: [medeverdachte 1] heeft aan mij een vuurwapen gevraagd. Ik heb hem gezegd dat ik airsoft wapens had, maar echte wapens niet. Hij heeft eerst gsmst of ik aan een vuurwapen kon geraken. Ik smste terug om mij te bellen. Dan zei ik hem dat ik wel aan airsoft wapens kon geraken. Ik heb een sniper en een Smith en Wesson pistool. Deze zijn levensechte replica's.

9.

Het proces-verbaal van verhoor door de Federale gerechtelijke politie – Provincie Antwerpen van getuige [getuige 8] van 9 december 2014, pagina 7146, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Op een feestje vroeg [medeverdachte 1] eens achter een wapen. Hij zei tegen mij dat hij een vriendin in Holland had met een kindje en hij zei dat hij van haar had vernomen dat ze meer dan 1 keer werd bedreigd door een Turk met een wapen. Ik heb tegen hem gezegd dat ik veel vrienden had en dat ik wel eens zou rondhoren.

10.

Het proces-verbaal van bevindingen van 30 september 2014, pagina 940, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op maandag 29 september 2014 werd in de inbeslaggenomen VW Golf voorzien van het Belgische kenteken [kenteken 1] , een GSM, type I-phone 5 aangetroffen en in beslag genomen. Deze GSM is eigendom van de verdachte [medeverdachte 1] . Door de verbalisant [verbalisant] van het Team Digitale recherche van politie Oost-Nederland werd een onderzoek ingesteld in de data van deze GSM.

Daarbij werden onder meer SMS-berichten d.d. 21 en 22 september 2014 aangetroffen tussen de gebruiker van de I-phone ( [medeverdachte 1] ) en onder meer de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] . Uit het onderzoek is gebleken dat dit nummer in gebruik was bij de verdachte [medeverdachte 2] .

11.

De bij het proces-verbaal van bevindingen informatie uit data IPhone5 [medeverdachte 1] van 23 oktober 2014 gevoegde Whats App- en sms-berichten, pagina’s 1012, 1027, 1103, 1104, 1109, 1119 en 1120:

12.

Het proces-verbaal van de rechter-commissaris in de rechtbank Overijssel van 18 mei 2016, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte [medeverdachte 2] :

U houdt mij voor dat u vragen wilt stellen over 23 september 2014, een dag waarop ik een

bezoek aan Rotterdam heb gebracht en aan de Bergse Dumphal. U vraagt mij of ik weet waar

het over gaat. U vraagt mij wat ik heb gekocht bij de Bergse Durnphal. Ik heb daar

loombandjes en een messenset gekocht. Verder kan ik het mij niet meer herinneren. Die

messenset heb ik zelf gekocht.

U houdt mij voor dat er ook een masker is gekocht. Dat klopt.

U houdt mij voor dat ik op 24 september 2014 naar Enschede ben gegaan, samen met [medeverdachte 1] .

Dat klopt.

U vraagt mij of [medeverdachte 1] van donderdag 25 op vrijdag 26 september 2014 bij mij thuis heeft

geslapen en ‘s ochtends bij mij wakker is geworden. Ja, dat klopt. Hij sliep bij mij. [medeverdachte 1] is ‘s

ochtends alleen weggegaan naar zijn oma. Toen hij terugkwam uit België was hij samen met [verdachte] . Daarna zijn ze nog een keer samen weggegaan en ook weer samen teruggekomen en tenslotte zijn ze nog een keer samen weggegaan. Toen kwamen ze midden in de nacht terug. Die 26 september 2014 was dus de eerste keer dat ik [verdachte] zag.

[medeverdachte 1] en [verdachte] zijn die nacht ook met de sleutel binnen gekomen. [medeverdachte 1] is bij mij gaan slapen

en [verdachte] op zolder. [medeverdachte 1] maakte mij wakker toen hij thuis kwam om te vragen of [verdachte] mocht

blijven slapen. We hebben midden in de nacht een matras op zolder gelegd voor [verdachte] .

U houdt mij voor dat er een sms’je is geweest van [medeverdachte 1] aan mij waarin [medeverdachte 1] geld vraagt

voor [verdachte] . U vraagt mij of ik mij dat kan herinneren. Ja. Volgens mij kreeg ik dat sms’je op zaterdag 27 september 2014 toen ik samen met een vriendin in de stad was.

13.

De bij het proces-verbaal van bevindingen van 17 februari 2015 gevoegde tijdlijn, pagina 73:

14.

Het proces-verbaal onderzoek herkomst messenset Bergse Dumphal van 1 december 2014, pagina 279, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

We hebben aan de eigenaar [naam 5] gevraagd of er in zijn bedrijf messensets worden verkocht van het merk Imperial Collection, Switserland. Hierop gaf hij aan dat hij inderdaad messensets van dit merk verkocht en wees ons een verkoopstelling aan schuin tegenover de kassa in zijn bedrijf. Hij verklaarde dat de messen uit de Imperia' Collection messenset welke hij in zijn bedrijf verkoopt soortgelijk zijn aan de op de foto getoonde Imperia' messenset.

Toen wij de foto van het BlackFox mes en de foto van een foedraal toonden aan [naam 6] verklaarde hij dat er in de Bergse Dumphal ook dergelijke messen werden verkocht. Hij toonde mij vervolgens in een afgezonderde verkoopruimte van de Bergse Dumphal in een vitrine een BlackFox mes en een bijbehorend foedraal die beiden soortgelijk waren als het BlackFox mes en de foedraal op de hem getoonde foto's.

Wij verbalisanten hebben direct na afloop van het verhoor in de woning van getuige [medeverdachte 3] in een keukenlade in de keuken van haar woning aan de [adres 2] in Bergen op Zoom drie messen aangetroffen van het merk Imperia! Collection, Switserland. Deze drie messen zijn soortgelijk aan de messen zoals die in de Imperial Collection, Switserland messenset worden verkocht door de Bergse Dumphal.

15.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 9] van 8 oktober 2014, pagina 7220, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

V: Jij hebt ook nog je auto uitgeleend aan [medeverdachte 2] , kan je daar wat over wat vertellen?

A: Ja, dat was op woensdag of dinsdag voorafgaand aan de moord van [slachtoffer] . Ik denk dat het de woensdag was eerlijk gezegd. [medeverdachte 2] wilde samen met [medeverdachte 1] kijken naar wat huizen in Enschede. [medeverdachte 2] heeft geen rijbewijs en durfde ook niet in haar eentje die kant op te gaan. En omdat [medeverdachte 1] Belgische kentekenplaten heeft, was ze bang dat dat zou opvallen. Dat omdat [naam 7] , een vriendin van haar, wist dat [medeverdachte 2] naar Enschede zou gaan en [naam 7] bevriend is met [slachtoffer] . Ik heb een rode Suzuki Swift. Ze zei dat [slachtoffer] mijn auto toch niet herkende. Ze wilde eerst de auto van [naam 8] lenen, maar die had [slachtoffer] al wel eens gezien. Toen klonk het heel logisch, [medeverdachte 2] was ook doodsbang voor [slachtoffer] . Dus ik vond het niet vreemd.

16

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] van 14 oktober 2014, pagina’s 3137, 3138, 3139 en 3144, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van verdachte:

A: Ik wil wel een aanvullende verklaring afleggen over hoe de vrijdag 26 september en de zaterdag 27 september zijn gegaan.

Ze kwamen die nacht rond 04.00 a 04.30 uur weer terug. [medeverdachte 1] maakte mij wakker en vroeg of het goed was dat [verdachte] bleef slapen. Ik moest er toen toch uit voor [dochter] omdat zij wakker werd. Ik zag [verdachte] beneden op de bank zitten. [medeverdachte 1] en ik hebben toen een matras van mijn slaapkamer naar de zolder gebracht voor [verdachte] . [verdachte] is toen naar boven gegaan, naar de zolder.

V: Je zegt dat [medeverdachte 1] die vrijdagmiddag samen met [verdachte] bij je kwam. Hoe kende jij [verdachte] al?

A: Ik kende [verdachte] nog niet. Dat was de eerste keer dat ik [verdachte] zag. Hij stelde zich voor als [verdachte] . Ik

heb mij aan hem voorgesteld als [medeverdachte 2] .

V: Hoe zag jouw vrijdag 26 september 2014 eruit?

A: [medeverdachte 1] is toen die middag naar Belgie geweest.

V: Hoe laat ging [medeverdachte 1] weg?

A: Even kijken, ik denk tegen 11.00/11.30 uur. In ieder geval voor de middag

V: Hoe laat was hij terug?

A: Mijn moeder kwam rond 18.30/19.00 uur thuis vanuit België. Ze was bij mijn oma geweest. [medeverdachte 1]

is dan rond 18.00 uur weer thuis. Hij kwam iets voordat mijn moeder thuis kwam weer terug.

V: Heb jij nog meer wat jij wilt verklaren over die vrijdag en zaterdag?

A: Nee. Er schiet mij nu eerlijk gezegd niet iets binnen waarvan ik zeg dat het anders is gelopen dan

dat ik eerder heb verklaard. Ik ben naar de stad gegaan, teruggekomen en heb me omgekleed. Wij, [medeverdachte 1] , [dochter] en ik vertrokken omstreeks 16.45 uur naar een verjaardag. [verdachte] reed mee en we

zouden hem ergens afzetten. Onderweg werden wij aangehouden door de politie.

V: [medeverdachte 1] verklaart dat hij vrijdag 26 september 2014 omstreeks 11:30 uur was vertrokken bij jou. Wat ging hij doen?

A: Toen zou hij naar België gaan naar huis en naar zijn grootmoeder volgens mij. Rond 13.00 a 13.30 uur kwam hij met [verdachte] terug. Toen zijn ze er even kort geweest. 's Avond rond 18.30 uur kwamen ze weer terug. Mijn moeder heeft ze toen ook even gesproken. Daarna zijn ze weer vertrokken. We hebben het toen over die coffeeshops gehad. Uiterlijk iets na 19.00 uur zijn ze weer vertrokken. Ik schat dat ze er toen hooguit 20 minuten zijn geweest. Toen mijn moeder thuis kwam van haar werk waren [medeverdachte 1] en [verdachte] er al. Mijn moeder heeft [verdachte] toen ook voor het eerst gezien. Ze hebben zich aan elkaar voorgesteld. Verder is er niks besproken.

17.

Het proces-verbaal van verhoor door de Federale gerechtelijke politie – Provincie Antwerpen van getuige [naam 2] van 10 december 2014, pagina’s 7394, 7397 en 7398, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Tijdens voornoemd verhoor wordt een foto voorgelegd aan Van Schil. Van Schil herkent hierop 'de Albanees' waarover hij spreekt in zijn verklaring. Dit is een foto van [verdachte] (° [geboortedatum 1] ), uit de politionele documentatie.

Op vrijdag 26 september 2014 tussen 15.22.24 en 15.38.41 is er SMS contact tussen het telefoonnummer [telefoonnummer 2] ( [medeverdachte 1] ) en het telefoonnummer [telefoonnummer 3] ( [naam 9] )

V: In hoeverre kun jij je deze SMS berichten herinneren?

A: [medeverdachte 1] had gezegd dat hij mij van school ging komen halen. Ik zit op [school] in Wilrijk. En hij komt er aan. Ik stapte in en [medeverdachte 1] heeft mij naar huis gebracht.

V: Hoe laat kwam [medeverdachte 1] jouw oppikken?

A: Ik denk dat dat tegen vieren was, in de namiddag.

V: Wie was er toen nog bij?

A: In de auto? 'Den Albanees', of zo, maar die ken ik niet bij naam. Ik kende die persoon zelfs niet. Die heeft gewoon een goeie dag gezegd tegen mij, toen ik instapte. En dat die mij van ergens kende, maar meer ook niet. Ik had hem vooraf nooit gezien.

V: Wat betekent dat als iemand 'een Albanees' wordt genoemd?

A: Bij mijn weten, als ze dat tegen mij zeggen, dan begrijp ik dat als een kwaadaardig iemand. Dan neem ik liever zo wat afstand.

V: Wij tonen U een foto. Wie is dit?

A: Dat was de persoon waarvan tegen mij gezegd werd dat dat den Albanees was.

18.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [naam 3] van 8 oktober 2014, pagina 7317, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Op zaterdagmorgen 27 september 2014 was ik ongeveer 3 uur met hem in gesprek. Dus ik was

begonnen op vrijdag 26 september 2014 in de avond. We waren in gesprek op facebook. Hij stuurde

mij het laatste berichtje om 01.44 uur. Daarna kreeg ik geen antwoord meer. Achteraf is hij toen dus vermoord.

19.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 27 september 2014, pagina’s 7121 en 7123, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

V: Wat is er vannacht gebeurd?

A: Ik lag in bed op mijn slaapkamer. Mijn broer lag ook in bed op zijn eigen kamer. Ik sliep. Op een gegeven moment ging de deurbel. Hij ging heel vaak. Ik weet niet hoe laat het was. Ik hoorde dat mijn broer via de intercom in de woonkamer sprak met iemand. Ik hoorde dat mijn broer een aantal keren vroeg aan iemand via de intercom wie daar was. Volgens mij hoorde hij niets, want hij legde de hoorn van de intercom weer op de haak. De intercom hangt aan de wand in de hal. Ik hoorde dat mijn broer weer naar zijn slaapkamer liep en dat hij de deur van zijn slaapkamer weer dicht deed. Ik hoorde na een paar minuten de deurbel opnieuw. Ik hoorde dat de bel langduriger overging. Toen hoorde ik dat mijn broer weer vanuit zijn slaapkamer naar de hal liep en opnieuw via de intercom met degene sprak die kennelijk aanbelde. Ik hoorde mijn broer zeggen: "Ik ken je niet. Ik kom naar beneden." Ik hoorde dat mijn broer toen naar beneden liep. Ik had er geen goed gevoel bij. Ik ging toen voor hem bidden. Ik bedacht me dat ik na tien minuten naar beneden zou gaan om te kijken of alles goed was. Ik kon geen tien minuten wachten en toen ben ik na ongeveer vijf minuten al naar beneden gegaan. Ik zag die vriend van [medeverdachte 2] tegenover hem. Die andere jongen stond bij de deuropening. Ik vroeg de twee jongens: "Wat willen jullie van mijn broer." Ik hoorde dat de vriend van [medeverdachte 2] tegen mij zei: "Ga weg". Het kan ook zijn dat hij zei: "Ga hier weg". Zoiets zei hij tegen mij. Toen zei ik tegen die jongen: "Ik weet wel wie jij bent. Jij bent de vriend van [medeverdachte 2] en ik ga nu de politie bellen." Ik hoorde dat die jongen tegen mij zei: "Ik ben helemaal niet de vriend van [medeverdachte 2] ". Ik kon aan zijn stem horen dat hij boos was. Ik zag dat mijn broer mij met angstige ogen aankeek en ik hoorde dat mijn broer tegen mij zei: "Ja, ga nu snel bellen." Mijn broer zei dit in het Turks tegen mij. Alle andere dingen werden in het Nederlands gezegd. Ik ging toen heel snel naar boven en op het moment dat ik de sleutel van de toegangsdeur in het slot wilde steken, hoorde ik mijn broer hard schreeuwen. Ik ben toen niet de woning ingegaan, maar ik ben direct weer teruggerend naar mijn broer. Ik zag hem in elkaar zakken en toen kwam hij op de grond te liggen.

Toen kwam er een rode auto langsrijden. Die gingen stoppen. Die mensen hebben de politie gebeld.

V: Wie is je broer?

A: Hij heet [slachtoffer] .

V: Wat zag en hoorde je toen je naar beneden liep over de trap?

A: Ik hoorde niets en ik zag niets bijzonders. Ik ben de eerste twee trappen

afgelopen richting uitgang. Op het moment dat ik bij de derde trap aankwam en ik om

de hoek keek, zag ik [slachtoffer] rechts naast de toegangsdeur in de hal met zijn rug

tegen de muur aan staan. Ik zag dat de nieuwe vriend van [medeverdachte 2] heel dicht voor mijn

broer stond. Ik zag aan zijn houding dat hij breeduit stond, alsof hij mijn broer

wat wilde aandoen. Hij had zijn borst vooruit en zijn armen hingen iets van zijn

lichaam af. Hij stond een beetje wijdbeens. Ik zag aan het gezicht van mijn broer

dat hij angstig was. Ik zag het aan zijn ogen, ik ken mijn broer. Ik vond die

situatie door dit alles heel erg dreigend. Ik was erg bang.

Ik zag dat een andere man de buitendeur openhield. Ik ken die man niet. Ik zag dat

hij in de deuropening stond en half naar binnen de hal in stond. Ik zag dat die man heel dicht achter de vriend van [medeverdachte 2] stond. Als die man de deur helemaal open zou doen dan zou die deur tegen de

linkerzijde van de vriend van [medeverdachte 2] aankomen.

20.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] van 3 oktober 2014, pagina’s 7063, 7064 en 7065, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

V: En dan?

A: We nemen de bocht mee, voor het cafetaria langs en dan springt er een vrouw voor de auto.

V: Waar was dat?

A: Precies voor de auto. Wij stopten direct en we deden ook de deuren open. Ik stapte als eerste uit,

ik zie haar helemaal in paniek en ik hoorde haar zeggen: bel de ambulance, bel de politie. Verder

kwam er helemaal niks uit. En tegelijkertijd zie ik dan iemand op de grond liggen.

V: Wat gebeurt er dan?

A: Ik belde de politie.

V: Hoe laat heb je de politie gebeld, kan je dat nog op de telefoon zien?

A: Goede vraag, dan moet ik even kijken. Ja, kijk.

0: Ik verbalisant [verbalisant] , zie op de telefoon van de getuige dat hij op zaterdag 27 september om

01.51

uur naar het alarmnummer heeft gebeld.

21.

Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 27 september 2014, pagina’s 7313 en 7314, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als verklaring van de getuige:

Ik ben de bewoonster van de [adres 3] te Enschede. Op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 01.20 uur hoorde ik meerdere keren autoportieren slaan. Ik weet dat het die tijd was, omdat ik op de klok heb gekeken. Ik werd wakker van dat geluid. Ik ben toen uit mijn bed gegaan en heb naar buiten gekeken. Ik zag dat er een auto geparkeerd stond ter hoogte van mijn balkon met de neus in de richting van de [straat] . Ik zag dat dit een zwarte of donkerkleurige VW Golf was of een auto die daar heel erg op lijkt. Ik zag dat deze auto een zogenaamde haaietand/vin op het dak had, dat is zo'n speciale antenne. Ook zag ik dat de auto sportvelgen had. Het was een hatchback auto in ieder geval. Ik kende deze auto niet als 1 van de auto's van mijn buren. Ik zag dat er twee jongens of mannen bij de auto stonden. Ik zag dat ze bij de achterbank van de auto bezig waren. Daarna sloegen ze nog een keer het portier van de auto dicht. De mannen waren opvallend nerveus. Ik zag dat door hun algemene houding. Ze keken steeds schichtig om zich heen en omhoog naar de flatwoningen. Wat mij opviel was dat de mannen niet met elkaar praatten maar elkaar dingen duidelijk maakten met hun handen. Hun handen bewogen namelijk wel steeds. Op een gegeven moment dit was na een heel aantal minuten, ik weet niet precies hoe lang het allemaal duurde, maar ze hebben er wel een tijdje rondgehangen, liepen de twee mannen weg bij de auto. Ze liepen in de richting van de [adres 1] en dus niet in de richting van de [straat] . Ze liepen om de flat heen en zo verdwenen ze voor mij uit beeld. De mannen die ik gezien heb bij de zwarte VW Golf kan ik als volgt omschrijven:

1-man. De man schat ik ongeveer 20 jaar. De man droeg donkere kleding. Hij droeg een donker shirt met glitters erop. Hij droeg een zwarte basebalpet.

2-man. De man droeg een zwarte basebalpet. Verder droeg hij een lichtkleurige joggingbroek en daarop een lichtkleurig shirt met lange mouwen.

22.

Het proces-verbaal van bevindingen van 1 oktober 2014, pagina’s 96 en 97, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 01.52 uur kreeg ik, verbalisant de opdracht van de meldkamer om te gaan naar de [adres 1] in Enschede alwaar mogelijk iemand zou zijn neergestoken.

Ik, verbalisant, hoorde op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 02.10 uur van het personeel van de ambulance dat wij, verbalisanten, konden stoppen met reanimeren omdat het slachtoffer was overleden.

Overledene : [slachtoffer] (man), geboren op [geboortedatum 3] 1989 te [geboorteplaats 2] in Turkije

23

Het geschrift van 1 oktober 2014 opgemaakt door arts en patholoog A. Maes, betreffende een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, pagina’s 6330 en 6331, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

A3 Er was linksvoor aan de borst, voor de linkerokselplooi, op 135 cm van de voetzolen en 18 cm links van het midden een scherprandige huidklieving met het aspect van een steekwond van 5 x 2 cm.

A3 Er was links voor aan de buik op 107 cm van de voetzolen en 5 cm links van het midden een scherprandige huidklieving met het aspect van een steekwond van 3 x 0,9 cm.

B1 In relatie met de steekwond links aan de borst (A op de tekening) was er aan het gestrekte lichaam een steekkanaal te herleiden van links naar rechts en iets voetwaarts tot in de borstkas. De lengte van het steekkanaal bedroeg circa 15-20 cm. In het steekkanaal was er perforatie van de borstwand over een lengte van circa 6 cm, juist tussen de 4de en 5de rib links zijwaarts. Er was klieving van de linkerlong, het hartzakje en het hart in de linkerhartkamer over een lengte van circa 4 cm. Er waren circa 1100 ml bloed en bloedstolsels in de linkerborstholte. De linkerlong was samengevallen.

Bij sectie waren er als gevolg van bij leven opgelopen scherprandig perforerend geweld in het lichaam twee steekwonden met begeleidende steekkanalen. Er was een steekwond links voor aan de borst met daarmee samenhangend een circa 15 á 20 cm lang steekkanaal tot diep in de borstkas links. In het steekkanaal waren de linkerlong en het hart geperforeerd. Hierdoor was er massaal bloedverlies ontstaan o.a. in de linkerborstholte. De tweede steekwond bevond zich links aan de buik met oppervlakkige perforatie van de buikwand zonder perforatie van inwendige organen.

Het overlijden wordt door de steekwond aan de borst zondermeer verklaard op grond van bloedverlies en functieverlies van het hart. De steekwond aan de buik heeft aan het overlijden nauwelijks of geen bijdrage geleverd. [slachtoffer] , 25 jaar oud geworden, is overleden als gevolg van verwikkelingen van een bij leven opgelopen steekverwonding links aan de borst.

24.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 11 oktober 2014, pagina’s 6067, 6068 en 6069, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 02:30 uur werd ik gebeld door de regionale meldkamer met het verzoek om te gaan naar de [adres 1] te Enschede.

Ik zag dat aan de achterzijde van het flatgebouw, waar de Volkswagen Golf gestaan zou

hebben, zag ik een foedraal liggen. Het foedraal lag bij een tweetal vuilniszakken. Deze vuilniszakken lagen bij een achteruit- ingang ten hoogte van het portiek aan de voorzijde van het flatgebouw. Dit foedraal is door mij veilig gesteld.

Goednummer PL0500-2014097389-470434

SIN AAGV6560NL

Object Mes

Merk/type Foedraal

Kleur Bruin

Land Nederland

Bijzonderheden Foedraal/omhulsel van een mes

25.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 4 oktober 2014, pagina’s 6173 en 6174, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Onderzoekslocatie

Het onderzoek is verricht op een parkeerplaats/garage/stal (parkeerplaats) te Rijksweg Al, Holten, binnen de gemeente Rijssen-Holten.

Onderzoek plaats delict

De verdachte verklaarde dat hij 2 paar handschoenen en 2 messen had weggegooid. Hij zou dit gedaan hebben op de parkeerplaats aan de rijksweg Al bij het AC restaurant Struik. Omstreeks 18.15 uur kwam ik verbalisant ter plaatse. Alhier waren diverse tactische collega's aanwezig. Tevens was de hondengeleider met speurhond aanwezig. Het betrof de plek achteraan van het gebied van de parkeerplaats nabij de oprit die de toegang geeft om de rijksweg te betreden.

Collega [verbalisant] gaf aan dat zij op het oog twee baseball petjes hadden aangetroffen. Ik zag dat de baseball petjes in de sloot achter een heuvel lagen. Ik zag dat in de sloot geen water was. Deze zogenoemde sloot was voorzien van hoog gras. De heuvel was voorzien van dichte bosschages. Ik heb de baseball petjes afzonderlijk in papieren zakken veiliggesteld. Enkele tientallen meters van de plek waar de baseball petjes werden aangetroffen werd door de hond een paar handschoenen aangetroffen. Ik zag dat deze handschoenen zwart van kleur en van leder waren. Tevens zag ik dat er 1 gele rubberen handschoen lag. Een paar meter verder zag ik verbalisant een gele rubberen handschoen.

Ik heb de zwarte handschoenen in een papieren zak gedaan.

De gele rubberen handschoenen zijn afzonderlijk in papieren zakken gedaan.

Sporendrager(s)

Goednummer : PL0500-2014097389-471330

SIN : AAHJ4745NL

Object : Hoofddeksel (Pet)

Aantal/eenheid : 1 Stuks

Kleur : Zwart

Land : Nederland

Inhoud : In sloot pp al holten struik achter heuvel (2)

Bijzonderheden : Baseball petje opdruk "special forces"

Goednummer : PL0500-2014097389-471332

SIN : AAHJ4747NL

Object : Hoofddeksel (Pet)

Aantal/eenheid : 1 Stuks

Kleur : Zwart

Land : Nederland

Inhoud : In sloot pp al holten struik achter heuvel (4)

Bijzonderheden : Baseball petje zonder opdruk

Goednummer : PL0500-2014097389-471334

SIN : AAHJ4744NL

Object : Handschoen

Aantal/eenheid : 1 Paar

Kleur : Zwart

Land : Nederland

Inhoud : In sloot pp al holten struik op foto bij olav strikker (1)

Bijzonderheden : 1 paar lederen zwarte handschoenen

Goednummer : PL0500-2014097389-471336

SIN : AAHJ4748NL

Object : Handschoen

Aantal/eenheid : 1 Stuks

Kleur : Geel

Land : Nederland

Inhoud : In sloot pp al holten struik op foto bij joop

brinkhuis (5)

Bijzonderheden : 1 rubberen gele handschoen

26.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 9 oktober 2014, pagina’s 6181 en 6182, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Onderzoekslocatie

Het onderzoek is verricht op een openbare weg/-water (weg) bij de parkeerplaats ter hoogte van Holten aan de snelweg Al waar de Shell Bezinepomp Struik is gevestigd.

Onderzoek plaats delict

Bij het teruglopen werd door een verbalisant een groot mes met stootbeugel aangetroffen. Dit mes werd door mij verpakt in een messenkoker voor sporenonderzoek. Het mes werd op circa 15 meter vanaf het hek aangetroffen.

Na het linie onderzoek werd door verbalisanten met de metaaldetector gezocht in de aangewezen werprichting van de messen. Bij dit onderzoek werd een tweede mes aangetroffen op circa 15 meter van het hek en circa 1 meter van de plaats waar het eerste mes werd aangetroffen.

Sporendrager(s)

Goednummer : PL0500-2014097389-471421

SIN : AABW5351NL

Object : Mes

Aantal/eenheid : 1 Mes

Land : Nederland

Bijzonderheden : Mes: blackfox. houten handvat. lemmet tb+

27.

Het proces-verbaal van bevindingen van 10 oktober 2014, pagina’s 6184 en 6185, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Naar aanleiding van een afgelegde verklaring van verdachte [medeverdachte 1] waarin deze aangeeft bij een

benzinestation op 100 kilometer vanaf benzinestation AC Holten alwaar al eerder op zijn aanwijzing

voorwerpen waren gevonden door hem en zijn mede verdachte ook voorwerpen waren weggegooid

in de nacht van 26 op 27 september 2014.

Hierop is door ons op donderdag 9 oktober 2014 omstreeks 11.00 uur een nader onderzoek ingesteld op de parkeerplaats genaamd de Varakker, gelegen langs de Al5 aan de Noord Zijde en

gezien in de richting Tiel aan de rechterzijde. Volgens internet wordt dit Shell station aangeduid met

de postcode 4041 AS Kesteren, telefoonnummer 0488-441758.

In bijzijn van collega's Molendijk en Rolefes eveneens tijdelijk werkzaam binnen genoemd TGO

kwam verdachte [medeverdachte 1] rond dat tijdstip ook ter plaatse. Verdachte wees een plek aan alwaar zijn

mede verdachte de bosschages was ingelopen en daar voorwerpen in een zwarte vuilniszak had

weggegooid. Nadat de collega's en de verdachte waren vertrokken is door ons een nader onderzoek

ingesteld op de aangewezen plaats.

Nadat een doorgang was gemaakt zagen wij op ongeveer 15 meter vanaf de parkeerplaats een masker en een handdoek liggen. Op 8 meter naar links vanaf het masker lag een kentekenplaat. Ongeveer 3 meter achter de handdoek zagen wij een plasticzak hangen in het struikgewas waaruit een blauw kledingstuk hing. Schuin hieronder lag op de grond een mes.

Ter plaatse kwam forensisch medewerker, [verbalisant] die vervolgens alle aangetroffen voorwerpen markeerde en middels foto's heeft vastgelegd. De voorwerpen werden door hem veiliggesteld in afzonderlijke zakken. Tijdens het weghalen van de vuilniszak viel daaruit een lege plastictas van de Praxis en een fles terpentine. Ook deze voorwerpen zijn veiliggesteld. Bij het veiligstellen van de kentekenplaat zagen wij dat dit een Belgisch kenteken betrof, zijnde [kenteken 2] .

28.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 9 oktober 2014, pagina 6193, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Wij zagen in een plastickoker een mes. Wij zagen dat deze vervuild was. Wij zagen dat het mes de volgende opdruk had "Imperial Colection Switzerland".

Wij zagen 1 blauwe trui met opschrift " Boston Red Bridge Extreme Raiment NYC" Wij zagen op het label in de trui het merk Lau Ra. Wij zagen dat de trui was voorzien van een capuchon. Wij zagen tijdens het fotograferen op de achterzijde van de trui op de rechtermouw twee op bloed gelijkende druppels. Wij hebben 1 druppel getest met de bloed indicatieve tetra base test. Deze test was positief. Wij zagen op de onderzijde van de trui (achterzijde) op bloed gelijkende druppels en op de achterzijde ter hoogte van het schouderblad bloed gelijkende druppels. Wij hebben de aangetroffen druppels gewaarmerkt middels pijltjes welke wij voorzien hebben van de nummers 1 tot en met 6 en gefotografeerd. De trui is voorzien van SIN AAHJ4738NL.

Wij zagen 1 zwart witte koltrui van het merk WE maat S. Wij zagen dat de trui binnenstebuiten was gekeerd. Wij hebben de trui voorzien van SIN AAHJ4736NL.

29.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 20 oktober 2014, pagina’s 6216 en 6217, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Onderzoek pet AAHJ4745NL

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen.

Ik zag dat het een zwart gekleurde pet van het merk "Fostex", maat one size fits all betrof. Ik zag de tekst "special forces" en een logo op de pet geborduurd. Ik zag dat de pet enigszins bevuild was.

Ik heb de pet met behulp van scheerlicht onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Hierbij zag ik een op bloed lijkend spoor.

Onderzoek pet AAHJ4747NL

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen. Ik zag dat het een zwart gekleurde pet van een onbekend merk, maat one size fits all betrof.

Ik heb de binnenrand van de pet ter hoogte van het voorhoofd bemonsterd met behulp van een stub op mogelijk aanwezig dragermateriaal. Ik heb de stub veiliggesteld in een cupje in een gripzakje, gewaarmerkt met SIN AAHF9240NL en verzegeld.

30.

Het proces-verbaal van bevindingen bezoek België van 16 oktober 2014, pagina’s 6223 en 6224, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

In gezelschap van Belgische collega's waaronder J.Dirckx zijn wij gereden langs de door verdachte [medeverdachte 1] genoemde Q8 tankstation te Niel en het naast gelegen bedrijf van vader Kapers. Vervolgens zijn wij doorgereden naar de carwash zoals deze door verdachte [medeverdachte 1] was beschreven en volgens de Belgische collega's zou moeten betreffen.

Zij troffen in het vuilnis diverse losse kledingstukken aan. Zij troffen ook een zwarte vuilniszak aan met daarin 2 broeken ( zwarte joggingbroek met op zijkant witte strepen en een grijze joggingbroek), T shirt (grijs), 1 paar schoenen, 1 paar sokken(grijs) en papier van Lebara voorzien van een Nederlands 06 nummer waarin kennelijk een simkaart heeft gezeten. Nabij deze plasticzak werd een zwarte draagzak aangetroffen waarin een op echt lijkend zwart vuurwapen werd aangetroffen voorzien van een houder.

Met de collega's is verder gesproken over ons onderzoek en werden ook mogelijk Belgische namen van personen danwel verdachten of getuigen voortkomende uit ons onderzoek genoemd. Op basis van politie-politie verstrekten de Belgische collega's nadat zij middels hun ter beschikking staande apparatuur het een en ander hadden geraadpleegd spontaan en ongevraagd gegevens van personen die bij hun bekend waren in de voor hun toegankelijke politiesystemen.

Dit betroffen gegevens van:

[naam 10] , geboren op [geboortedatum 4] 1993, [woonplaats 3] ;

Tevens werd ons verstrekt het adres van de Oma van [medeverdachte 1] , [woonplaats 4] alsmede een mutatie betreffende [verdachte] waarbij hij kennelijk gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 4] .

31.

Het proces-verbaal van sporenonderzoek van 3 december 2014, pagina’s 6226 en 6227, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Onderzoek aan grijze joggingbroek AAHP5127NL

Tijdens het ingestelde onderzoek werd door mij het navolgende bevonden en waargenomen.

Ik zag dat het een grijze joggingbroek was van het merk Teamcity, maat S. De joggingbroek was voor 80% van katoen en voor 20% van polyester gefabriceerd.

Ik heb de grijze joggingbroek onderzocht op de aanwezigheid van bloed. Op de linkerpijp aan de bovenzijde zag ik een bloedspoortje. Dit bloedspoor is door mij met Tetra Base getest, de uitslag hiervan was positief. Ik heb het bloedspoor uitgeknipt en veiliggesteld in een cupje, gewaarmerkt met SIN AAHP5129NL, in een verzegelde envelop. In de linkerbroekzak zag ik een bloedspoor diep in de zak. Dit bloedspoor is door mij met Tetra Base getest, de uitslag hiervan was positief. Ik heb het bloedspoor uitgeknipt en veiliggesteld in een cupje, gewaarmerkt met SIN AAHP5131NL, in een verzegelde envelop. In de linkerbroekzak op de naad van de broekspijp zag ik een bloedspoor. Dit bloedspoor is door mij met Tetra Base getest, de uitslag hiervan was positief. Ik heb het bloedspoor uitgeknipt en veilig gesteld in een cupje, gewaarmerkt met SIN AAHP5132NL in een verzegelde envelop.

Sporendrager(s)

Goednummer : PL0500-2014097389-480551

SIN : AAHP5130NL

Object : Kleding (Sport)

Aantal/eenheid : 1 Joggingbrk

Merk/type : Onbekend Merk:Domyos

32.

Het geschrift van 11 november 2014 opgemaakt door drs. J. Koopman, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, pagina 6360, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

33.

Het geschrift van 11 november 2014 opgemaakt door drs. J. Koopman, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, pagina’s 6366 en 6367, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AABW5351NL#05 tot en met #12 Bemonstering van bloedsporen op het mes

AABW5351NL#13 Bemonstering van de binnenzijde van het heft van het mes

Wetenschappelijke bewijswaarde van het vergelijkend DNA-onderzoek

Het is niet mogelijk om een 'standaard' statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden overeenkomsten tussen het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] en het spoor AABW5351NL#01, omdat niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn. De wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt daarom geformuleerd in verbale termen van waarschijnlijkheid (zie kader 'Bewijswaarde van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek met complexe DNA-mengprofielen'). Er is aangenomen dat de bemonstering AABW5351NL#01 celmateriaal bevat van twee personen. Onder deze aanname zijn de resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder

het volgende hypothesepaar:

hypothese I: De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] en een

onbekende persoon (niet verwant aan het slachtoffer [slachtoffer] ).

hypothese II: De bemonstering bevat celmateriaal van twee willekeurige onbekende

personen (niet verwant aan elkaar of aan het slachtoffer [slachtoffer] ).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker

als hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is.

34.

Het geschrift van 11 november 2014 opgemaakt door drs. J. Koopman, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, pagina’s 6376 en 6377, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAHJ4738NL#01 Bemonstering van een bloedspoor op de trui

AAHJ4738NL#02 Bemonstering van de binnenzijde van de kraag van de trui

AAHJ4738NL#03 Bemonstering van de binnenzijde van de linkermanchet van de trui

35.

Het geschrift van 16 januari 2015 opgemaakt door drs. J. Koopman, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, pagina 6396, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Aanvullend onderzoek aan de bemonstering van de gele handschoenen

AAHJ4748NL

DNA-onderzoek

Op grond van de eerste resultaten van het standaard DNA-onderzoek aan de bemonstering

AAHJ4748NL#01, is het standaard DNA-onderzoek aan deze bemonstering herhaald om de

reproduceerbaarheid van de verkregen resultaten te onderzoeken.

Resultaten, interpretatie en conclusie

Van het DNA in de bemonstering AAHJ4748NL#01 is een DNA-mengprofiel verkregen waarin

DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. De DNA-profielen van de

verdachten [medeverdachte 2] en [verdachte] matchen met dit DNA-mengprofiel. Dit betekent

dat deze verdachten donor kunnen zijn van een deel van het celmateriaal in de

bemonstering AAHJ4748NL#01 van de handschoen. De DNA-profielen van de overige

personen matchen niet met dit DNA-mengprofiel.

Wetenschappelijke bewijswaarde van het vergelijkend DNA-onderzoek

Het is niet mogelijk om een 'standaard' statistische berekening uit te voeren voor het

vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden matches, omdat niet

alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn. De wetenschappelijke bewijswaarde

van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt daarom geformuleerd in

verbale termen van waarschijnlijkheid (zie kader 'Bewijswaarde van de resultaten van

vergelijkend DNA-onderzoek met complexe DNA-mengprofielen').

Er is aangenomen dat de bemonstering AAH34748NL#01 celmateriaal bevat van drie

personen en dat deze personen onderling niet verwant zijn. Onder deze aannames zijn de

resultaten van het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

hypothese I: De bemonstering bevat celmateriaal van [medeverdachte 2] en twee willekeurige

onbekende personen.

hypothese II: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende

personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als

hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is.

hypothese III: De bemonstering bevat celmateriaal van [verdachte] en twee willekeurige

onbekende personen.

hypothese IV: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende

personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker

als hypothese III juist is, dan als hypothese IV juist is.

36.

Het geschrift van 20 januari 2015 opgemaakt door drs. J. Koopman, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, pagina 6396, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

DNA-onderzoek

Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.

AAHJ4744NL#03 tot en met #09 Bemonsteringen van de buitenzijde van handschoenen

AAHJ4746NL#02 tot en met #05 Bemonsteringen van de buitenzijde van een handschoen

AAHJ4748NL#02 tot en met #05 Bemonsteringen van de buitenzijde van een handschoen

Op grond van de eerste resultaten van het standaard DNA-onderzoek is de bemonstering

AAHJ4744NL#06 onderworpen aan een zogenoemde LCN DNA-analyse'. Als onderdeel van de

standaard onderzoeksprocedure wordt bij LCN DNA-analyse de reproduceerbaarheid van de

verkregen resultaten onderzocht.

Resultaten en interpretatie

Van het materiaal in de bemonstering AAHJ4744NL#06 is een DNA-mengprofiel verkregen

waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. Op basis van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat de verdachte [medeverdachte 1] en het slachtoffer [slachtoffer] donoren kunnen zijn van celmateriaal in deze bemonstering.

Wetenschappelijke bewijswaarde van het vergelijkend DNA-onderzoek

Het is niet mogelijk om een 'standaard' statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden overeenkomsten tussen het DNA-mengprofiel AAHJ4744NL#06 en het DNA-profiel van het slachtoffer [slachtoffer] omdat niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn. De wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt daarom geformuleerd in verbale termen van waarschijnlijkheid (zie kader 'Bewijswaarde van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek met complexe DNA-mengprofielen'). In het deskundigenrapport van aanvraag 003, 004 en 007 is een match gerapporteerd tussen de bemonsteringen AAHJ4744NL#01 en #02 van de binnenzijde van de handschoenen en het

DNA-profiel van de verdachte [medeverdachte 1] . Vanwege deze match en de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek aan de bemonstering AAH34744NL#06 is aangenomen dat de bemonstering AAHJ4744NL#06 celmateriaal bevat van de verdachte [medeverdachte 1] . Verder is aangenomen dat de bemonstering AAHJ4744NL#06 celmateriaal bevat van drie personen en

dat deze personen onderling niet verwant zijn. Onder deze aannames zijn de resultaten van

het DNA-onderzoek beschouwd onder het volgende hypothesepaar:

hypothese I: De bemonstering bevat celmateriaal van het slachtoffer [slachtoffer] , de verdachte

[medeverdachte 1] en een willekeurige onbekende persoon.

hypothese II: De bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte [medeverdachte 1] en twee

willekeurige onbekende personen.

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker als

hypothese I juist is, dan als hypothese II juist is.

37.

Het geschrift van 28 januari 2015 opgemaakt door drs. J. Koopman, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, pagina’s 6419 en 6420, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

38.

Het geschrift van 20 maart 2015 opgemaakt door drs. J. Koopman, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, pagina 6459, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

39.

Het geschrift van 15 januari 2016 opgemaakt door dr. J.H.A. Nagel, betreffende een onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

40.

Het proces-verbaal observeren zaterdag 27 september 2014, pagina’s 174 en 176, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

41.

Het proces-verbaal van aanhouding van 27 september 2014, pagina 2007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

Op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 17:00 uur, hielden wij op de locatie Randweg-Noord, Bergen op Zoom, als verdachte aan:

Achternaam : [medeverdachte 1]

Voornamen : [medeverdachte 1]

Geboren : [geboortedatum 6] 1990

42.

Het proces-verbaal van aanhouding van 27 september 2014, pagina 3007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 17:00 uur, hield ik op de locatie Randweg-Noord, Bergen op Zoom, als verdachte aan:

Achternaam : [medeverdachte 2]

Voornamen : [medeverdachte 2]

Geboren : [geboortedatum 5] 1992

43.

Het proces-verbaal van aanhouding van 27 september 2014, pagina 4007, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisanten:

Op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 17:00 uur, hielden wij op de locatie Randweg-Noord, Bergen op Zoom (thv total tankstation), als verdachte aan:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum 1] 1996

Bevindingen

De verdachte bevond zich ten tijde van de aanhouding in een personenauto van het merk Volkswagen, type GOLF zwart van kleur.

De verdachte zat op de achterbank achter de bestuurder. De verdachte was gekleed in een lichtkleurige spijkerbroek en droeg een soort van bomberjas voorzien van een capuchon met bontkraag.

44.

Het proces-verbaal van bevindingen kleding verdachte [verdachte] van 29 september 2014, pagina 368, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als relaas van de verbalisant:

Op zaterdag 27 september 2014 omstreeks 22.45 uur was ik in gezelschap van [verbalisant] , senior Forensiche opsporing eenheid Zeeland/West Brabant in het cellencomplex van het politiebureau Breda. Op datum en tijd voornoemd heeft collega Dam op verzoek van de teamleiding TGO Diabelli in Oldenzaal de kleding in beslag genomen van de aangehouden verdachte:

[verdachte] [geboortedatum 1] -1992 Geboorteplaats [geboorteplaats 1] België

Adres: [woonplaats 1] België

Ik zag dat de verdachte [verdachte] voornoemd een zwart t-shirt droeg met korte mouwen. Ik zag dat op dit t-shirt een opvallende applicatie op de borst was aangebracht, die bestond uit glinsterende chroomkleurige punten die gezamenlijk een afbeelding vormden. De applicatie was in reliëf op het T-shirt aangebracht. Deze afbeelding was ongeveer borstbreed. Ik kan mij de voorstelling van deze afbeelding en/of de precieze vorm niet meer herinneren. Ik vond het T-shirt met deze applicatie een opvallend kledingstuk. Voor zover ik mij kan herinneren droeg deze verdachte verder een blauwe lichtkleurig spijkerbroek en zwarte zogenaamde werksokken met in gele blokletters het opschrift '`CAT".