Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2280

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
20-06-2016
Datum publicatie
23-06-2016
Zaaknummer
08/993042-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrifte. De officier van justitie heeft gerequireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM omdat met de verdediging overeenstemming is bereikt over de afdoening van de zaak.

De rechtbank oordeelt dat de handelwijze van het Openbaar Ministerie strijdig is met het Wetboek van Strafvordering en niet minder is dan een verstoring van de rechtsorde. De rechtbank kan echter niet voorbij gaan aan het feit dat bij de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij niet verder zal worden vervolgd. De officier van justitie heeft door te handelen zoals hij deed de rechtbank voor een voldongen feit geplaatst. De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/993042-09

Datum vonnis: 20 juni 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1944 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 juni 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. E.L. Edens en van hetgeen op de eerdere terechtzitting van 13 oktober 2014 is voorgevallen. Verdachte en zijn raadsman mr. J.H. Peek, advocaat te Utrecht, zijn op die zitting verschenen en de zaak is toen aangehouden voor onbepaalde tijd in verband met de behandeling van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding. Verdachte en zijn raadsman zijn op de terechtzitting van 6 juni 2016 niet verschenen.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

[medeverdachte] BV op een of meer verschillende tijdstippen in de periode november 2003 tot en met november 2007 te Vroomshoop en/of (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer andere rechtspersonen en/of met een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) na te noemen of een of meer van na te noemen facturen, te weten:

a. a) een factuur, gedateerd 5 november 2003, afkomstig van [medeverdachte]

BV, geadresseerd aan [bedrijf] BV, met een factuurbedrag van Euro 38.151,40

(inclusief BTW) en met de omschrijving (zakelijk weergegeven) vervangen

betonvloer fabriek, vierde fase, inclusief slopen van betonkelder;

(vindplaats document: D.44.12, doorgenummerde blz.1928)

en/of

b) een factuur, gedateerd 1 december 2003, afkomstig van [medeverdachte]

BV, geadresseerd aan [bedrijf] BV, met een factuurbedrag van Euro 36.235,50

(inclusief BTW) en met de omschrijving (zakelijk weergegeven)

staalconstructie tbv kraanbaan;

(vindplaats document: D.44.13, doorgenummerde blz.1930)

en/of

c) een factuur, gedateerd 16 november 2004, afkomstig van [medeverdachte]

BV, geadresseerd aan [bedrijf] BV, met een factuurbedrag van Euro 17.945,20

(inclusief BTW) en met de omschrijving (zakelijk weergegeven) vervangen

betonvloer en diverse werkzaamheden;

(vindplaats document: D.44.17, doorgenummerde blz.1937)

en/of

d) een factuur, gedateerd 14 maart 2006, afkomstig van [medeverdachte] BV,

geadresseerd aan [bedrijf] BV, met een factuurbedrag van Euro 82.824,- (inclusief

BTW) en met de omschrijving (zakelijk weergegeven) laatste termijn aanneemsom

en diverse werkzaamheden, waaronder grondwerk, rioleringswerkzaamheden en

bestratingswerk;

(vindplaats document: D.44.31, doorgenummerde blz.1954)

en/of

e) een factuur, gedateerd 18 september 2007, afkomstig van [medeverdachte]

BV, geadresseerd aan [bedrijf] BV, met een factuurbedrag van Euro 21.658,-

(inclusief BTW) en met de omschrijving (zakelijk weergegeven)

aanpassen/uitbreiden voorbehandelingsruimte, derde termijn;

(vindplaats document: D.44.39, doorgenummerde blz.1964)

en/of

f) een factuur, gedateerd 28 september 2007, afkomstig van [medeverdachte]

BV, geadresseerd aan [bedrijf] BV, met een factuurbedrag van Euro 20.527,50

(inclusief BTW) en met de omschrijving (zakelijk weergegeven)

aanpassen/uitbreiden voorbehandelisruimte, vierde termijn;

(vindplaats document: D.44.40, doorgenummerde blz.1966)

- zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit

te dienen -

valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die facturen/factuur als echt en

onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

hebbende dat valselijk opmaken (telkens) hierin bestaan, dat (telkens) de

factuurbedragen/het factuurbedrag waren/was opgehoogd, althans dat die/dat

factuurbedrag(en) (telkens) te hoog waren/was ten opzichte van de in die

facturen/factuur omschreven leveringen van goederen en/of diensten,

zulks terwijl hij, verdachte, tot bovemomschreven strafbare feiten/strafbaar

feit opdracht heeft gegeven dan wel feitelijk leiding heeft gegeven aan

bovenomschreven verboden gedraging(en);

2 Het standpunt van de officier van justitie

In de onderhavige zaak heeft de officier van justitie ter terechtzitting van 6 juni 2016 gerequireerd tot niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie in de (verdere) vervolging omdat met de verdediging alsnog overeenstemming is bereikt over de afdoening van de zaak. Bedoelde afdoening houdt in dat het openbaar ministerie met de verdediging een taakstraf is overeengekomen, welke inmiddels door verdachte is verricht.

3 Ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Uit het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering (Sv) volgt dat een strafzaak ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt door een dagvaarding welke vanwege de officier van justitie aan de verdachte wordt betekend. De officier van justitie kan van verdere vervolging afzien, zolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen. Vanaf het moment dat de zaak is uitgeroepen en het publiek daarvan kennis heeft kunnen nemen, kan de officier van justitie de dagvaarding niet meer intrekken en dient de zaak te eindigen met een einduitspraak van de rechter op een openbare terechtzitting. Kortom, de beslissingsbevoegdheid van de officier van justitie eindigt op het moment dat de zaak ter terechtzitting wordt uitgeroepen. Vanaf dat moment is het enkel en alleen de rechter die beslist over de voorgelegde zaak, op grondslag van de door de officier van justitie opgestelde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting. Binnen de constitutioneel bepaalde verhoudingen impliceert dit dat de rechter onafhankelijk is van de opsporende en vervolgende instanties.

Door ná aanvang van het onderzoek op de terechtzitting een beslissing te nemen over de afdoening van de zaak, heeft het Openbaar Ministerie een handelwijze gehanteerd die strijdig is met het systeem van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat in verband met niet alleen de belangen van procespartijen maar ook in verband met het belang van openbaarheid een beslissing door een onafhankelijke en onpartijdige rechter voorstaat.

De officier van justitie is in deze zaak daaraan geheel voorbij gegaan door een overeenkomst te sluiten met de verdachte terwijl de zaak al onder de rechter was en heeft in zijn oproeping van verdachte voor de zitting van 6 juni 2016 vermeld dat hij niet-ontvankelijkheid zou gaan vorderen, hetgeen erin heeft geresulteerd dat bij verdachte vooruitlopend op de rechterlijke beslissing verwachtingen zijn gewekt waardoor hij en zijn raadsman niet op de terechtzitting zijn verschenen.

De rechtbank kan, ondanks de omstandigheid dat de strafzaak daardoor aan een onafhankelijk rechterlijk oordeel wordt onttrokken, niet voorbijgaan aan het feit dat de toezegging van de officier van justitie aan de verdediging dat hij tot niet-ontvankelijkheid zal requireren bij verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij niet verder zal worden vervolgd. De officier van justitie heeft door te handelen zoals hij deed de rechtbank voor een voldongen feit geplaatst. De rechtbank is onder deze omstandigheden tot de slotsom gekomen dat, hoewel vorenbedoelde belangen van openbaarheid en een onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak tot heropening van de zaak nopen, het bij verdachte opgewekt gerechtvaardigd vertrouwen hieraan in de weg staat.

De onderhavige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, welke naar het oordeel van de rechtbank niet minder dan een verstoring van de rechtsorde heeft behelsd en een miskenning van de verhouding tussen het Openbaar Ministerie als vervolgende instantie en de rechtbank die bij uitsluiting bevoegd is te oordelen over de zaak die aan haar is voorgelegd, brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich mee dat verdachte in deze zaak en onder deze omstandigheden, niet verder in rechte mag worden betrokken. Gelet op het voorgaande past hier slechts de sanctie van niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vervolging.

4 De beslissing

De rechtbank:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Krooshof, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2016.