Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2186

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-04-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
C/08/179519 / FA RK 15-2864
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtbank houdt geen rekening met aflossing op schuld ter zake van achterstallige kinderalimentatie nu man onvoldoende heeft aangetoond dat kinderalimentatie destijds op te hoog niveau is vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/179519 / FA RK 15-2864

beschikking van de enkelvoudige familiekamer voor burgerlijke zaken d.d. 14 april 2016

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat mr. I.H. Grandjean te Wijhe,

en

[verweerster] ,

verder te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

verweerder,

advocaat mr. A.M.C. de Vroet te Almelo.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende bescheiden:

- het verzoek met bijlagen, binnengekomen op 1 december 2015;

- het verweer met bijlagen, binnengekomen op 26 januari 2016;

- een op 29 maart 2016 binnengekomen brief van mr. Grandjean van diezelfde datum met bijlagen.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 30 maart 2016, bij welke gelegenheid door mr. Grandjean een overzicht van de schulden van de man is overgelegd. Ter zitting zijn verschenen en gehoord: de man, bijgestaan door zijn advocaat, en namens de vrouw is haar advocaat verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, uit welke relatie zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [2001] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2004] .

De man heeft voornoemde minderjarigen erkend.

2.2.

Bij beschikking van 30 januari 2013 heeft de rechtbank Oost-Nederland, locatie Almelo, voor zover thans van belang, bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen € 288,- per kind per maand zal voldoen. De man heeft hoger beroep tegen deze beschikking ingesteld.

2.3.

Bij beschikking van 25 februari 2014 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, de onder 2.2 vermelde beschikking vernietigd en, opnieuw beschikkende, bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van 18 juli 2012 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 136,- per kind per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

2.4.

Ingevolge de wettelijke indexering beloopt voormelde bijdrage met ingang van 1 januari 2015 € 137,09 per kind per maand

3 Het verzoek

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, -naar de rechtbank begrijpt- de bij beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te wijzigen en deze bijdragen met ingang van juli 2012, dan wel met ingang van 1 december 2015, nader vast te stellen op nihil, dan wel op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig datum als de rechtbank juist acht, dan wel de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen van partijen in de periode van juli 2012 tot de datum van de onderhavige beschikking vast te stellen op hetgeen feitelijk door hem is voldaan, kosten rechtens.

4 Het verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank het verzoek van de man af te wijzen.

5 De beoordeling

De ontvankelijkheid

5.1.

De man grondt zijn verzoek op artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), stellende dat sprake is van een wijziging van omstandigheden erin gelegen dat hij met ingang van 25 augustus 2015 is aangewezen op een bijstandsuitkering krachtens de Participatiewet. Dit maakt dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. Of deze gewijzigde omstandigheid ook tot wijziging van de thans geldende kinderbijdrage van de man zal dienen te leiden, wordt hierna beoordeeld.

5.2.

Voor zover de man een beroep heeft willen doen op artikel 1:401 lid 5 BW, is de rechtbank van oordeel dat dit beroep niet kan slagen. Door de man zijn in het geheel geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht waaruit zou moeten worden afgeleid dat de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht van meet af aan niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat bij die beschikking is uitgegaan van onjuiste en of onvolledige gegevens.

De bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding

5.3.

Niet in geschil is dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een bedrag beslaat van € 540,- per kind per maand, zodat die behoefte in rechte vaststaat.

5.4.

De rechtbank overweegt dat beide ouders naar rato van hun draagkracht dienen bij te dragen. De rechtbank zal dan ook ieders draagkracht vaststellen.

De draagkracht van de vrouw

5.5.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen uit van de navolgende gegevens.

5.6.

Bij beschikking van 17 april 2014 heeft deze rechtbank het eerder uitgesproken faillissement van de vrouw opgeheven en de toepassing van de schuldsaneringsregeling van de vrouw uitgesproken. Gesteld noch gebleken is dat in het vrij te laten bedrag rekening is gehouden met het betalen van kinderalimentatie. De rechtbank is daarom van oordeel dat de vrouw niet over draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te betalen. Gelet op vaste jurisprudentie ten aanzien van de WSNP stelt de rechtbank de draagkracht van de vrouw voor het leveren van een bijdrage in de kosten van de kinderen daarom op nihil. Voor het maken van een vergelijking van ieders draagkracht is dan ook geen plaats.

De draagkracht van de man

5.7.

De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen uit van de navolgende gegevens.

5.8.

Uit de door de man overgelegde stukken volgt dat hij sedert 4 november 2015 een uitkering ontvangt in het kader van de Participatiewet van € 973,- per maand.

5.9.

De rechtbank begrijpt dat de man wenst dat bij de beoordeling van zijn draagkracht rekening wordt gehouden met de door hem te betalen aflossing op schulden.

5.10.

De rechtbank stelt voorop dat zij bij de bepaling van de draagkracht van een onderhoudsplichtige rekening dient te houden met alle uitgaven die voor de bepaling van die draagkracht in redelijkheid van belang kunnen zijn. Op de draagkracht zijn in beginsel alle schulden van de onderhoudsplichtige van invloed, ook schulden die zijn ontstaan na het tijdstip waarop de onderhoudsplicht is komen vast te staan en ook schulden waarop niet wordt afgelost. Weliswaar kan de rechter redenen aanwezig oordelen om in afwijking van deze hoofdregel aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, maar in dat geval dient hij dit oordeel te motiveren. In dit verband valt te denken aan schulden die na het vaststellen van de onderhoudsplicht onnodig werden aangegaan, of aan schulden ten aanzien waarvan de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich te bevrijden of een regeling te treffen.

5.11.

Door de man is ter zitting een overzicht van zijn schulden in het geding gebracht. Uit dit overzicht blijkt dat de totale schuldenlast een bedrag beloopt van ruim € 225.000,-. In deze schuldenlast is eveneens de achterstand van de man in de betaling van de kinderalimentatie van € 12.192,58 opgenomen. De rechtbank overweegt dat schulden wegens achterstallige (kinder)alimentatie zich er naar hun aard in beginsel niet tegen verzetten dat daarmee rekening wordt gehouden bij het bepalen van de draagkracht. Voor het buiten beschouwing laten van achterstallige kinderalimentatie bestaat bijvoorbeeld geen rechtvaardiging in een geval waarin de alimentatieschuld is ontstaan over een periode waarin – naar achteraf blijkt – de draagkracht van de alimentatieplichtige op een te hoog niveau is vastgesteld en het ontstaan van achterstanden moeilijk kon worden voorkomen (zie ook ECLI:NL:HR:2014:627).

5.12.

Door de man zijn geen gegevens overgelegd waaruit zijn draagkracht over de periode tot 25 november 2015 kan worden afgeleid. Het hof heeft in de beschikking waarvan thans wijziging wordt verzocht de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van de kinderen vastgesteld op basis van een gemiddelde winst uit onderneming van € 24.898,- per jaar. Aan de stelling van de man dat hij geen inkomen meer had uit zijn onderneming, dat hij zijn onderneming zou hebben gestaakt en dat hij om die reden geen draagkracht meer had, is het hof bij gebrek aan voldoende onderbouwing voorbij gegaan. Zoals hiervoor is overwogen heeft de man ook thans onvoldoende gegevens overgelegd die zijn stelling dat hij de door het hof met ingang van 18 juli 2012 vastgestelde alimentatie niet heeft kunnen voldoen in verband met een gebrek aan draagkracht, kunnen staven. Voor de rechtbank valt daarom niet te controleren of de achterstallige alimentatieschuld is ontstaan omdat de draagkracht van de man in het verleden op een te hoog niveau is vastgesteld. Aangenomen moet daarom worden dat de man in het verleden voldoende draagkracht had om de vastgestelde kinderalimentatie te voldoen. Om die reden ziet de rechtbank geen reden om bij de huidige vaststelling van de draagkracht van de man met deze achterstallige kinderalimentatie rekening te houden.

5.13.

Wat hiervan echter ook zij, feit blijft dat zelfs zonder rekening te houden met de achterstallige kinderalimentatie alsdan alsnog een schuld resteert van circa € 213.000,-, waarop de man zal dienen af te lossen. Gebleken is dat de man bezig om zijn schulden in het vrijwillig kader te saneren. Hij krijgt hiervoor hulp van de Stadsbank. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij geen draagkracht heeft voor een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank zal daarom beslissen als na te melden.

De ingangsdatum

5.14.

Artikel 1:402 BW laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechtbank hanteert als ingangsdatum van de onderhoudsbijdrage 4 november 2015, nu vaststaat dat de man vanaf die datum is aangewezen op een bijstandsuitkering en de vrouw tegen die ingangsdatum geen verweer heeft gevoerd. De rechtbank ziet geen reden om de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van een eerdere datum op nihil te stellen, nu de man in het geheel geen inkomensgegevens heeft overgelegd waaruit zijn draagkracht over de periode van juli 2012 tot en met 4 november 2015 kan worden herleid. Het had op de weg van de man gelegen om hieromtrent meer duidelijkheid te verschaffen. Nu hij zulks heeft nagelaten mogen de negatieve gevolgen van die keuze niet op de vrouw worden afgewenteld.

De proceskosten

5.15.

Nu partijen gewezen partners zijn, zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen zijn eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De rechtbank:

I. wijzigt de bij beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 25 februari 2014 vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [2001] ,

[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2004]

en stelt die bijdrage met ingang van 4 november 2015 op NIHIL;

II. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

III. compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

IV. wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. T.M. Blankestijn en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2016 in tegenwoordigheid van S. van Eijk, griffier.