Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2135

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
08/760248-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 27-jarige man heeft een valse aangifte gedaan van een woningoverval in zijn eigen woning in Enschede. De man zou zijn overvallen door twee mannen, waarvan een van deze mannen hem met een had gestoken. De man heeft daarbij een chaos in zijn woning en een wond aan zijn been in scène gezet. De rechtbank veroordeelt de man tot het uitvoeren van 150 uren taakstraf, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast moet de man een schadevergoeding van ruim 3.500 euro betalen aan de verzekering en aan de politie Oost-Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 08/760248-15

Datum vonnis: 14 juni 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , aan de [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 31 mei 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K.J. de Valk en van wat door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K.A. Schreurs, advocaat te Goor, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: de verzekering voor een bedrag van € 3.218,-- heeft opgelicht;

feit 2: een valse aangifte heeft gedaan bij de politie, omdat hij in strijd met de waarheid had verklaard dat hij in zijn woning was overvallen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op of omstreeks 29 december 2014, althans in of omstreeks de periode
24 december 2014 tot en met 30 januari 2015, te Enschede, althans in Nederland,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van

verdichtsels, [verzekering] heeft bewogen tot de afgifte van een

geldbedrag van 3218,00 euro, in elk geval van enig goed, zo heeft verdachte met

vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk

en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid op 29 december 2014 een

valse schadeclaim ingediend, waardoor [verzekering] werd bewogen

tot bovenomschreven afgifte:

2.

hij op of omstreeks 24 december 2014 te Enschede, althans in Nederland,

aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat

feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van

verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opzettelijk in strijd met de

waarheid aangifte gedaan van een (woning)overval (perceel [adres] ,

[woonplaats] ).

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, eventueel te vervangen door 75 dagen hechtenis. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering van de politie ten bedrage van € 1.804,-- wordt toegewezen, inclusief de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en die van de verzekeringsmaatschappij voor een bedrag van € 2.418,--, eveneens met toepassing van (alleen) de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1

De bewijsoverwegingen van de rechtbank1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van beide feiten. Nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Feit 1

  1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 mei 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

  2. het proces-verbaal aangifte van 24 december 2014 van [verdachte] (verdachte)

(blz. 30 en 31);

3. het proces-verbaal van aangifte van 18 maart 2015 van [naam 1] (blz. 88 tot en met 97).

Feit 2

  1. het proces-verbaal van de terechtzitting van 31 mei 2016, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, Wetboek van Strafvordering (Sv);

  2. het proces-verbaal van aangifte van 24 december 2014 van [verdachte] (verdachte) (blz. 30 en 31);

  3. een separaat door de politie Oost-Nederland, district Twente, met proces-verbaalnummer PL0600-2015432431-1 opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 9 september 2015 door [verbalisant 3]

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 december 2014 te [woonplaats] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep, [verzekering] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 3218,00 euro, immers heeft verdachte met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en in strijd met de waarheid op 29 december 2014 een schadeclaim ingediend, waardoor [verzekering] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op 24 december 2014 te [woonplaats] , aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit was gepleegd, wetende dat dat feit niet was gepleegd, immers heeft verdachte toen aldaar ten overstaan van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte gedaan van een woningoverval (perceel [adres] ,

[woonplaats] ).

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 188 en 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: oplichting;

feit 2

het misdrijf: aangifte doen dat er een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft in strijd met de waarheid aangifte gedaan dat hij in zijn woning was overvallen door twee mannen, van wie er één hem met een mes zou hebben gestoken. Verdachte heeft daarbij een chaos in zijn woning en een wond aan zijn been geënsceneerd. Verdachte heeft, in een tijd waarin politiecapaciteit schaars is, door zijn handelen de politie onnodig belast en aan het werk gezet. Zo heeft de politie sporenonderzoek gedaan in de woning en een buurtonderzoek verricht. Ook heeft hij geprobeerd de politie valselijk op het spoor te zetten van een postbezorger, althans een persoon in kleding van PostNL.

De verzekeringsmaatschappij heeft naar aanleiding van deze valse aangifte, een bedrag van ruim 3.200,-- euro aan de verdachte betaald. Door zo te handelen heeft de verdachte de politie misleid en de verzekeringsmaatschappij opgelicht, de kans voor lief genomen dat iemand ten onrechte als verdachte zou worden aangemerkt en in een opsporingsonderzoek betrokken zou raken, alsmede misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming, zoals een door de politie naar aanleiding van een aangifte als de onderhavige opgemaakt ambtsedig proces-verbaal of een schademeldingsformulier. De verdachte heeft daarbij enkel oog gehad voor eigen situatie en geldelijk gewin.

Verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij lange tijd niet zichzelf is geweest en dat hij ten tijde van de feiten de weg kwijt was. Na zijn aanhouding heeft hij de ernst de feiten ingezien en heeft hij hulp gezocht voor zijn geestelijke en financiële problematiek. Hij wordt nu begeleid door een maatschappelijk werker en is in behandeling bij een psychiater. In verband met zijn schuldenlast staat hij onder toezicht van de Stadsbank. Verdachte heeft een baan bij een schoonmaakbedrijf.

In de jurisprudentie worden voor feiten als die verdachte heeft gepleegd doorgaans werkstraffen van aanzienlijke omvang opgelegd. Daarbij aansluitend is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 150 uren. De rechtbank heeft weinig zicht kunnen krijgen op wat verdachte heeft bewogen tot het plegen van de feiten en eventuele onderliggende problematiek. Verdachte heeft daarover geen openheid willen of kunnen geven. De rechtbank kan het risico op herhaling dus niet uitsluiten. De rechtbank zal daarom een deel van de straf, te weten 50 uren, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 3 jaren teneinde verdachte er van te weerhouden opnieuw dergelijke of andere strafbare feiten te plegen. Indien hij de werkstraf niet of niet tijdig verricht, dan geldt een hechtenis van 50 dagen voor het onvoorwaardelijke en 25 dagen voor het voorwaardelijke gedeelte van de werkstraf.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

De Politie Eenheid Oost-Nederland, gevestigd te Apeldoorn, heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.804,-- (duizend achthonderdvier euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit 82 uren à

€ 22,-- per uur. Van de door de politie in het kader van de onderhavige aangifte gedane onderzoek is een overzicht bijgevoegd.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Namens verdachte is door de raadsvrouw ter terechtzitting gesteld dat de door de politie gestelde schade geen schade is in de zin van artikel 51a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) zodat deze vordering dient te worden afgewezen. Volgens de raadsvrouw maken de door de politie verrichte werkzaamheden deel uit van de uitvoering van de wettelijke taak van de politie; strafvordering is een overheidstaak en de kosten worden uit algemene middelen betaald. De raadsvrouw heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage (ECLI:NL:RBSGR:2009:BJ8877).

De rechtbank overweegt dat het doen van valse aangifte van een strafbaar feit jegens de politie Eenheid Oost-Nederland onrechtmatig en aan verdachte toerekenbaar is. Verdachte wist of had moeten weten dat de politie kosten zou maken in verband met het onderzoek naar de diefstal met geweld, zonder dat daarmee een belang was gediend dat de politie zich moest aantrekken. Dat is een schending van een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die mede strekt tot bescherming van het belang van de Politie Eenheid Oost-Nederland, zodat aan het relativiteitsvereiste, zoals vastgelegd in art. 6:163 BW, is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat de schade die is geleden toen de Politie Eenheid Oost-Nederland in de veronderstelling verkeerde dat de melding en de aangifte van de gewapende overval juist waren, voor vergoeding in aanmerking komt. Dit opsporingsonderzoek is nodeloos verricht en kan voor rekening van verdachte worden gebracht.

Er kan echter geen verhaal plaatsvinden van de kosten van de inzet van de Politie Eenheid Oost-Nederland naar aanleiding van het onderzoek naar de valse aangifte. In het wettelijk stelsel van strafrechtelijke handhaving ligt namelijk besloten dat de kosten van die handhaving niet kunnen worden verhaald op de plegers van strafbare feiten. Verhaal van kosten op de daders is niet mogelijk, hoezeer er ook sprake was van een onrechtmatige daad en politie en justitie opsporings- en vervolgingskosten hebben moeten maken. Vanaf dat moment behoort het opsporingsonderzoek in verband met die valse aangifte als strafbaar feit tot de gewone politietaak en moet dat onderzoek uit de algemene middelen worden betaald. Hieruit volgt dat naar het oordeel van de rechtbank de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk is en de vordering deels gegrond is, namelijk voor zover dat de werkzaamheden zijn die in de bijlage bij de vordering zijn genoemd onder 1 tot en met 12 en nummer 18.

De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen tot een bedrag van (55 uren à

€ 22,-- per uur =) € 1.210,--, inclusief de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde schade voor wat betreft een bedrag van € 594,--, ((82 – 55 =) 27 uren à € 22,--) is door de benadeelde partij niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stellingen alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadeposten niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[verzekering] , gevestigd te [plaats] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 4.770,48. Deze schade bestaat uit de ten onrechte uitgekeerde schadeclaim à € 3.218, de kosten à

€ 328,21 en € 508,20, de incassokosten à € 641,83 en de rente à € 74,24.

De voeging is niet op de wettelijk voorgeschreven wijze gebeurd, aangezien bij gebreke aan een uittreksel van de Kamer van Koophandel, niet blijkt dat de in dat verzoek tot schadevergoeding genoemde vertegenwoordiger [naam 2] gemachtigd is om namens [verzekering] een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van deze vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal met betrekking tot de toegewezen vordering van de Politie Eenheid Oost-Nederland de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door feit 2 is toegebracht.

Hoewel de civiele vordering van [verzekering] niet-ontvankelijk wordt verklaard, is de rechtbank van oordeel dat verdachte jegens [verzekering] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit 1 is toegebracht, minus de opgevoerde kosten à € 328,21 en € 508,20, de incassokosten à € 641,83 en de rente à € 74,24, nu deze onvoldoende zijn onderbouwd, en minus de € 800,-- die verdachte inmiddels aan deze benadeelde partij heeft voldaan, zijnde derhalve in totaal € 2.418,--. De rechtbank zal daarom de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr.

11
11. De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    feit 1: oplichting;
    feit 2: aangifte doen dat er een strafbaar feit gepleegd is, wetende dat het niet gepleegd is;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 150 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren;

  • -

    beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen, respectievelijk 25 dagen;

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: Politie Eenheid Oost-Nederland, gevestigd te Apeldoorn, voor een deel van € 594,-- niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Politie Eenheid Oost-Nederland van een bedrag van € 1.210,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 december 2014;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 2 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.210,-- ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 22 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [verzekering], gevestigd te Amsterdam, niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit 1 tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.418,-- ten behoeve van de benadeelde [verzekering] [verzekering] , gevestigd te Amsterdam, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 34 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt met betrekking tot de schadevergoeding van de Politie Eenheid Oost-Nederland dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Cenik, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. M. van Bruggen, rechters, in tegenwoordigheid van E.P. Endlich, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2016.

Mr. Van Bruggen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland, met registratienummer PL0600-2015060275van 29 april 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.