Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2134

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
C/08/174066 / FA RK 15-1647
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het (subsidiaire) verzoek van verzoekster (meemoeder) tot vernietiging van de door haar gedane erkenning op grond van dwaling wordt afgewezen. De bijzondere curator kan worden ontvangen in haar (zelfstandige) verzoek tot vernietiging van de erkenning en dit verzoek wordt toegewezen. De adoptie wordt vervolgens onder de opschortende voorwaarde van het in kracht van gewijsde gaan van de vernietiging van de erkenning toewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0169
RFR 2016/129
FJR 2016/48.7

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/174066 / FA RK 15-1647

beschikking van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 19 mei 2016

inzake:

[verzoekster]

verzoekster,

wonende [woonplaats] , [adres] ,

advocaat: mr. L.I. Boomsma-Shriber te Amsterdam

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] ,

verder te noemen: de moeder,

mr. M.S. Flokstra in haar hoedanigheid van bijzondere curator over de minderjarige

[X] ,

kantoorhoudende te (7570 AA) Oldenzaal aan de Deurningerstraat 39e (Postbus 38);

Als informant is aangemerkt:

de ambtenaar van de burgerlijke stand van de [gemeente] ,

zetelend te [gemeente] ,

hierna te noemen: de ambtenaar van de burgerlijke stand of abs,

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende bescheiden:

- de (tussen)beschikking van 26 februari 2016;

- het F9-formulier van mr. Boomsma-Shriber d.d. 10 maart 2016 met als bijlage een brief van dezelfde datum;

- de brief van de bijzondere curator mr. M.S. Flokstra d.d. 20 april 2016, ter griffie binnengekomen op 21 april 2016;

- de brief van mr. Boomsma-Shriber d.d. 28 april 2016.

1.2.

Op 10 mei 2016 heeft een voortgezette mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter gelegenheid van deze behandeling zijn verschenen: verzoekster, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door de moeder, alsmede de bijzondere curator mr. M.S. Flokstra. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is de heer G. van den Enk verschenen. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2 Het standpunt en het zelfstandig verzoek van de bijzondere curator

2.1.

De bijzondere curator stelt dat het verzoek van verzoekster tot vernietiging van de erkenning dient te worden afgewezen. Van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden is geen sprake. Ook een beroep op dwaling is niet mogelijk. Volgens het Hof Den Haag is het beroep op dwaling niet zo ruim geredigeerd dat daaronder tevens zou vallen een beroep op dwaling over de aan de erkenning verbonden rechtsgevolgen. Er kan slechts sprake zijn van dwaling in verband met artikel 1:205a lid 1 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) als de dwaling de erkenning zelf betreft en hiervan is in casu geen sprake.

2.2.

De bijzondere curator acht echter vernietiging van de erkenning gevolgd door een adoptie wel in het belang van [X] . Hierdoor ontstaat voor verzoekster, de moeder en de bekende donor duidelijkheid, ook in geval van verblijf in het buitenland. Voorts acht de bijzondere curator het van belang voor [X] en [Y] dat er sprake is van dezelfde juridische verhoudingen tussen de kinderen en hun ouders.

2.3.

De bijzondere curator verzoekt, indien verzoekster niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar verzoek tot vernietiging van de erkenning, althans haar verzoek in deze wordt afgewezen, in haar hoedanigheid van bijzondere curator van [X] om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door verzoekster gedane erkenning van [X] te vernietigen. Ter zitting heeft de bijzondere curator nog verzocht om doorhaling bij de ambtenaar van de burgerlijke stand te gelasten van de latere vermelding betreffende de erkenning.

3 Het standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming

De Raad voor de Kinderbescherming stelt ter zitting dat het druk op een kind kan leggen om te beslissen over hetzij erkenning hetzij adoptie. Het is in beginsel goed voor een kind dat ouders deze beslissing nemen. De Raad voor de Kinderbescherming verzet zich niet tegen de vernietiging van de erkenning en het vervolgens uitspreken van de adoptie en acht dit in het belang van [X] .

4 Het aanvullend verzoek van verzoekster

Indien en voor zover de erkenning van [X] door verzoekster op verzoek van de bijzondere curator wordt vernietigd, verzoekt verzoekster (ook) de adoptie van [X] door haar.

5 De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

Algemeen

5.1.

De rechtbank neemt allereerst over hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar beschikking van 26 februari 2016.

Ten aanzien van het verzoek van verzoekster tot vernietiging van de erkenning

5.2.

Verzoekster heeft aan haar verzoek tot vernietiging van de erkenning dwaling ten grondslag gelegd. Zij heeft gesteld dat de dwaling daarin is gelegen dat verzoekster en de moeder steeds de intentie hadden dat de – op dat moment nog ongeboren – [X] door verzoekster zou worden geadopteerd. Bij het ophalen van de benodigde papieren voor de adoptie zijn verzoekster en de moeder erop gewezen dat vooruitlopend op de adoptie erkenning mogelijk zou zijn. Door de erkenning zou verzoekster – onder meer – op de geboorteakte als juridisch ouder worden vermeld. Voorts heeft verzoekster gesteld dat de ambtenaar van de burgerlijke stand haar onjuist heeft geïnformeerd over de mogelijkheid van adoptie na de erkenning.

5.3.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 1:205a lid 1 onder b BW een verzoek tot vernietiging van de door de moeder gedane erkenning op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, kan worden gedaan door de erkenner, indien zij door bedreiging, dwaling, bedrog of, tijdens haar minderjarigheid, door misbruik van omstandigheden daartoe is bewogen. Ingevolge het tweede lid is op de vernietiging van de erkenning artikel 205 tweede lid tot en met vijfde lid BW van toepassing. De gronden voor vernietiging van de erkenning zijn beperkt tot de hiervoor genoemde wilsgebreken. Zoals uit de totstandkomingsgeschiedenis van voornoemde bepaling blijkt, kan in het belang van de rechtszekerheid en in het belang van het kind niet lichtvaardig op een erkenning als de onderhavige worden teruggekomen en dient terughoudendheid te worden betracht met betrekking tot de mogelijkheid van de juridische ouders van een kind om de erkenning te laten vernietigen. Naar het oordeel van de rechtbank is tegen de achtergrond van deze geboden terughoudendheid niet gebleken dat de erkenning heeft plaatsgevonden onder invloed van dwaling als bedoeld in voormeld artikel. Vast is komen te staan dat het steeds de intentie van verzoekster en de moeder was, dat verzoekster juridisch ouder van [X] zou worden. Dit is ook gebeurd door de erkenning. De verwachting van verzoekster en de moeder dat verzoekster na de (prenatale) erkenning tevens de minderjarige zou kunnen adopteren, is een dwaling omtrent de rechtsgevolgen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet aan te merken als een dwalingsgrond als bedoeld in dit artikel (vergelijk

Gerechtshof Den Haag 3 april 2004, ECLI:NL:GHSGR:2002:AE3507, Gerechtshof Den Haag 29 april 2009, LJN BI5445 en Rechtbank Den Haag 12 oktober 2015,

ECLI:NL:RBDHA:2015:12134). Dat de ambtenaar van de burgerlijke stand verzoekster hieromtrent ook niet heeft geïnformeerd, maakt dit niet anders.

5.4.

De rechtbank volgt verzoekster, gelet op het hiervoor overwogene, ook niet in haar stelling dat vernietiging van de erkenning mogelijk is op grond van een belangenafweging, nu de wet hierin niet voorziet.

5.5.

Gelet op het hiervoor overwogene zal het verzoek van verzoekster tot vernietiging van de erkenning dan ook worden afgewezen.

Ten aanzien van het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning

5.6.

De rechtbank zal nu eerst het (zelfstandige) verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de door verzoekster gedane erkenning beoordelen als het thans meest verstrekkende verzoek.

5.7.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:205a lid 1 onder a BW kan een verzoek tot vernietiging van de door de moeder gedane erkenning op de grond dat de moeder niet de biologische moeder van het kind is, worden gedaan door het kind zelf, tenzij de erkenning tijdens zijn meerderjarigheid heeft plaatsgevonden.

5.8.

De bijzondere curator stelt zich op het standpunt dat er zich in de onderhavige zaak omstandigheden voordoen waarin het belang van [X] vergt dat reeds nu een beslissing over de vernietiging van de erkenning moet worden genomen. De rechtbank verwijst kortheidshalve naar hetgeen zij hiervoor onder 2.2. heeft opgenomen. Ter zitting heeft de bijzondere curator haar standpunt aangevuld en gesteld dat verzoekster en de moeder voor de geboorte van [X] de keuze hebben gemaakt om te adopteren, waarbij zij er steeds van zijn uitgegaan dat adoptie ook naast een erkenning mogelijk zou zijn. [X] dient niet op latere leeftijd met het zelf moeten maken van een keuze omtrent een eventuele vernietiging van de gedane erkenning te worden belast. De onzekerheid die dit voor verzoekster en de moeder zou meebrengen zou bovendien zijn weerslag hebben op het gezin, hetgeen niet in het belang van [X] is.

5.9.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de bijzondere curator ontvankelijk is in haar verzoek namens [X] tot vernietiging van de erkenning. Daarbij moet worden meegewogen of het belang van [X] vergt dat met de vernietiging van de erkenning moet worden gewacht totdat [X] zich daarover zelf een weloverwogen oordeel kan vormen. Het belang van [X] dient in dat kader centraal te staan, zoals blijkt uit bestaande jurisprudentie (Hoge Raad 31 oktober 2003, NJ 2004/315 en rechtbank Den Haag 7 september 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:10788). De rechtbank is van oordeel dat niet met de vernietiging van de erkenning dient te worden gewacht, totdat [X] zich daarover zelf een oordeel kan vormen. [X] wordt opgevoed door de moeder en verzoekster. Zowel moeder, verzoekster als de bijzondere curator zijn het erover eens dat de erkenning door verzoekster reeds nu dient te worden vernietigd, opdat verzoekster vervolgens [X] kan adopteren. Moeder en verzoekster hebben – reeds voor de geboorte – gezamenlijk de keuze voor adoptie gemaakt; zij zijn er beiden vanuit gegaan dat adoptie ook na erkenning mogelijk zou zijn. Ook de bekende donor kan hiermee instemmen; hij heeft verklaard geen belanghebbende te zijn in de adoptieprocedure van verzoekster en heeft verklaard dat van hem niets in de hoedanigheid van ouder is te verwachten. [X] zal derhalve door de vernietiging van de erkenning geen juridisch ouder verliezen. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming dat de mogelijkheid van [X] om te zijner tijd al dan niet zelf de vernietiging van de erkenning in te roepen onder de gegeven omstandigheden (te veel) druk bij [X] zou neerleggen, hetgeen haar kan belemmeren in een gezonde en evenwichtige ontwikkeling. Met de bijzondere curator en de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat thans duidelijkheid dient te ontstaan over het ouderschap.

5.10.

Nu verzoekster niet de biologische moeder van [X] is en de bijzondere curator kan worden ontvangen in haar verzoek, zal de rechtbank het verzoek van de bijzondere curator tot vernietiging van de erkenning toewijzen, met dien verstande dat het verzoek om uitvoerbaar bij voorraad verklaring hiervan wordt afgewezen. Artikel 1:206 lid 1 BW bepaalt immers dat nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, de erkenning wordt geacht nimmer rechtsgevolg te hebben gehad.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek tot adoptie

5.11.

Verzoekster heeft verzocht de adoptie uit te spreken van [X] door haar.

5.12.

De moeder heeft ingestemd met het verzoek.

5.13.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft tegen het verzoek geen bezwaren.

5.14.

De donor heeft verklaard geen belanghebbende in de onderhavige procedure te zijn. Voorts heeft hij verklaard dat (de toen nog ongeboren) [X] in de toekomst niets van hem in zijn hoedanigheid van ouder kan verwachten.

5.15.

De wettelijk voorgeschreven bewijsstukken zijn - voor zover mogelijk - bij het verzoekschrift overgelegd.

5.16.

De rechtbank is van oordeel dat de adoptie in het kennelijk belang van [X] is en dat thans vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat [X] niets meer van de ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Ook aan de in artikel 1:228 BW genoemde voorwaarden is voldaan, zodat het verzoek tot adoptie kan worden toegewezen onder de opschortende voorwaarde van het in kracht van gewijsde gaan van de vernietiging van de erkenning door verzoekster.

5.17.

De adoptie heeft ingevolge het bepaalde in artikel 1:230 lid 1 BW haar gevolgen van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, zodat het verzoek om uitvoerbaar bij voorraadverklaring van deze beslissing dient te worden afgewezen. Op grond van het bepaalde in het tweede lid, eerste volzin, van dit artikel werkt de adoptie terug tot het tijdstip van geboorte van [X] , te weten [2015] , nu [X] is geboren binnen de relatie van verzoekster en de moeder en de adoptie voor de geboorte van [X] is verzocht.

Ten aanzien van de geslachtsnaam

5.18.

Verzoekster heeft verzocht te bepalen dat [X] na de adoptie de geslachtsnaam van verzoekster zal dragen.

5.19.

Op grond van het bepaalde in artikel 1:5 lid 8 BW behoudt [X] de geslachtsnaam “ [A] ”, zodat het verzoek van verzoekster dient te worden afgewezen. De rechtbank zal verstaan dat de volledige namen van de minderjarige “ [[X A]] ” zijn.

Ten aanzien van het gezag

5.20.

Verzoekster heeft verzocht te bepalen dat verzoekster en de moeder het gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenen.

5.21.

Nadat de beschikking houdende vernietiging van de erkenning in kracht van gewijsde is gegaan, wordt de erkenning geacht nimmer gevolg te hebben gehad (artikel 1:206 lid 1 BW ). Dit betekent dat op dat moment op grond van artikel 1:253sa lid 1 BW de moeder en verzoekster sinds de geboorte van [X] gezamenlijk het gezag over [X] uitoefenen.

5.22.

De adoptie heeft haar gevolgen van de dag waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 1:230 lid 1 BW). Op grond van het in het tweede lid van dit artikel bepaalde werkt de adoptie terug tot het tijdstip van geboorte van [X] , zoals hiervoor onder 5.17 is overwogen.

Door de adoptie wordt verzoekster ouder van [X] . Op grond van het bepaalde in artikel 1:251 lid 1 BW oefenen de ouders het gezag over hun kinderen gedurende hun huwelijk gezamenlijk uit.

5.23.

Nu verzoekster en de moeder van rechtswege gezamenlijk het gezag over [X] uitoefenen, zal de rechtbank het verzoek om verzoekster te belasten met het ouderlijk gezag afwijzen.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

vernietigt de op 29 juni 2015 gedane erkenning door [verzoekster] van

[X] , geboren op 20 juli 2015 te Losser;

6.2.

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Losser een latere vermelding aan de geboorteakte van [X] toe te voegen, inhoudende de vernietiging van de erkenning;

6.3.

spreekt de adoptie uit van [X] , geboren op [2015] , te [geboorteplaats] , door [verzoekster] , geboren op [1982] te [geboorteplaats] , onder de opschortende voorwaarde van het in kracht van gewijsde gaan van deze beschikking;

6.4.

gelast de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Losser de latere vermelding betreffende de adoptie aan de geboorteakte van [X] toe te voegen;

6.5.

verstaat dat de volledige namen van de minderjarige [X] zijn;

6.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Flos, Jongebreur en Van der Lecq, (kinder)rechters in tegenwoordigheid van C. van Leeuwen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2016.