Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2131

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
ak_15_1692
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Voldoende aannemelijk dat ter voorkoming van belangrijke schade aan fauna er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan afschot van smienten met gebruikmaking van het geweer; beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JNA 2016/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1692

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

Stichting De Faunabescherming, te Amstelveen, eiseres,

gemachtigde: A.P. de Jong,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan de Stichting Faunabeheereenheid Overijssel (hierna: Faunabeheereenheid Overijssel) op grond van artikel 68 van de Flora- en Faunawet ontheffing verleend voor het doden van smienten met gebruikmaking van het geweer in het werkgebied van 10 wildbeheereenheden (hierna: WBE’s) in de provincie Overijssel voor de periode van 1 november tot 1 mei voor de duur van het Faunabeheerplan, dat is tot 1 mei 2019. Daarbij is bepaald dat de ontheffing kan worden gebruikt vanaf 1 uur voor zonsopkomst tot 1 uur na zonsondergang.

Bij besluit van 9 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij het primaire besluit gedeeltelijk herroepen en beslist dat de aanvraag van de Faunabeheereenheid Overijssel, voor zover is gevraagd om gebruik van het geweer toe te staan 1 uur voor zonsopkomst en 1 uur na zonsondergang, alsnog wordt geweigerd. Verder is de ontheffingverlening aangevuld met de bijlage “Faunaschade door smient per WBE in de provincie Overijssel vanaf 2010 tot heden”.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2016.

De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met procedurenummer AWB 15/1740 inzake het door de Koninklijke Natuurhistorische Vereniging, Afdeling Vriezenveen, tegen het bestreden besluit ingestelde beroep. Namens eiseres is verschenen A.P. de Jong. Namens verweerder zijn verschenen H.L. Gerrevink, A.G. van der Wal, H.G. Bos en mr. J.B. Koops.

Het onderzoek is geschorst om verweerder de gelegenheid te geven om het Faunafonds te laten bevestigen dat het geval betreffende smientenschade, dat geregistreerd staat op een postcode te Vriezenveen, zich daadwerkelijk in het werkgebied van de WBE Vriezenveen heeft voorgedaan.

Bij besluit van 2 februari 2016 heeft verweerder het bestreden besluit herzien en de bezwaren van de Koninklijke Natuurhistorische Vereniging, Afdeling Vriezenveen, gegrond verklaard en de ontheffing voor wat betreft de WBE Vriezenveen ingetrokken.

Gelet op het bepaalde in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft het beroep mede betrekking op het besluit van 2 februari 2016.

Eiseres heeft desgevraagd door de rechtbank aangegeven geen behoefte te hebben om op de herziening van het bestreden besluit te reageren.

Partijen hebben de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de gevoegde zaken gesplitst voor het doen van uitspraak.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 9 van de Flora- en Faunawet (hierna: Ffw) is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

De smient is aangemerkt als beschermde inheemse diersoort zoals bedoeld in artikel 4 van de Ffw.

Ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw kunnen gedeputeerde staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 en 72, vijfde lid, ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen.

Ingevolge het vierde lid wordt de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, slechts verleend aan een faunabeheereenheid op basis van een faunabeheerplan.

2. Op 17 november 2014 heeft de Faunabeheereenheid Overijssel een aanvraag ingediend om ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen ontheffing te verlenen krachtens artikel 68 van de Ffw, voor het met behulp van het geweer elk jaar, van 1 november tot 1 mei, voor de duur van het faunabeheerplan, dus tot 1 mei 2019, doden van smienten in 10 WBE’s in Overijssel van één uur voor zonsopkomst tot één uur na zonsondergang.

Het betreft de WBE’s Beneden de Linde, D’Oldematen, de IJssellanden, IJsselstreek Wijhe, Kampen, Noord-Westhoek, Salland Midden, Weerribben, Vriezenveen, en Oldebroek-Oosterwolde.

Bij besluit van 3 december 2014 heeft verweerder, overeenkomstig het van het Faunafonds verkregen advies van 25 november 2014, en onder verwijzing naar het Faunabeheerplan 2014-2019 (hierna: het Faunabeheerplan), de aangevraagde ontheffing, onder de in die ontheffing opgenomen voorwaarden verleend voor de periode van 1 november tot 1 mei voor de duur van het Faunabeheerplan, dat is tot 1 mei 2019. Daarbij is bepaald dat de ontheffing kan worden gebruikt vanaf 1 uur voor zonsopkomst tot 1 uur na zonsondergang.

Bij besluit van 9 juli 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanvraag geweigerd voor zover is gevraagd om gebruik van het geweer toe te staan 1 uur voor zonsopkomst en 1 uur na zonsondergang. Verder is de ontheffingverlening aangevuld met de bijlage “Faunaschade door smient per WBE in de provincie Overijssel vanaf 2010 tot heden”.

Bij besluit van 2 februari 2016 heeft verweerder het bestreden besluit herzien, de bezwaren van de Koninklijke Natuurhistorische Vereniging, Afdeling Vriezenveen, gegrond verklaard en de ontheffing voor wat betreft de WBE Vriezenveen ingetrokken, omdat niet met zekerheid is vast te stellen dat zich in de WBE Vriezenveen in het verleden belangrijke schade heeft voorgedaan. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de ontheffing voor wat betreft de WBE Vriezenveen is verleend op basis van twee schadegevallen die zich in de periode 2008 tot en met medio 2013 in de WBE voorgedaan zouden hebben en dat bij het bestreden besluit voor wat betreft Vriezenveen daarbovenop nog gewezen is op een schadegeval van 30 december 2013. Uit verificatie van de schadegevallen door het Faunafonds is echter gebleken dat het schadegeval van 30 december 2013 ziet op percelen die niet in de WBE Vriezenveen zijn gelegen en de overige twee schademeldingen niet meer te verifiëren zijn, omdat de dossiers van deze meldingen inmiddels zijn vernietigd.

3. Eiseres stelt dat de ontheffing niet voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 68 van de Ffw en verwijst hierbij naar haar bezwaarschrift.

Eiseres heeft in dit kader aangevoerd, onder verwijzing naar de toelichting op artikel 68 van de Ffw, dat verweerder bij de beoordeling of sprake is van belangrijke schade ten onrechte niet kijkt naar de frequentie van schadegevallen en bij het incidenteel voorkomen van schade reeds ontheffing verleent voor de inzet van zeer ingrijpende middelen. In de WBE’s IJsselstreek-Wijhe en Oldebroek-Oosterwolde is blijkens het bij het bestreden besluit gevoegde overzicht “Faunaschade door smienten in de periode vanaf 2010 tot en met heden” helemaal geen sprake geweest van belangrijke schade. Daarnaast is in de WBE Salland-Midden in de afgelopen vijf jaar slechts één geval van belangrijke schade gemeld, waarbij overigens geen schadevergoeding is uitgekeerd.

Ook heeft eiseres gesteld dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit niet is nagegaan welke alternatieven ter voorkoming van schade zijn toegepast, op welke manier deze zijn toegepast en tot welk effect dat heeft geleid. Verweerder gaat er volgens eiseres ten onrechte vanuit dat de Ffw een dergelijk onderzoek naar de toepassing van minder ingrijpende alternatieven niet vereist.

Ook in dit verband verwijst eiseres naar de (toelichting op de) Ffw, tevens verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 22 april 2015 (ECLI:NL:RBNHO:2015:3285).

Bovendien blijkt volgens eiseres uit schadecijfers dat, ondanks de inzet van het geweer, er toch sprake is geweest van belangrijke schade, waaruit kan worden geconcludeerd dat het schieten van smienten niet als bevredigende oplossing kan worden beschouwd.

Nu er twijfel is ten aanzien van de noodzaak en effectiviteit van de ontheffingverlening, had verweerder het voordeel van de twijfel aan de smienten moeten geven en de gevraagde ontheffing moeten weigeren. Eiseres verwijst hierbij naar de toelichting op de Ffw.

4. Voor zover in het beroepschrift wordt verwezen naar het bezwaarschrift en eiseres heeft gesteld dat dit in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, overweegt de rechtbank dat verweerder op de bezwaargronden in het bestreden besluit afdoende gemotiveerd is ingegaan. Eiseres heeft, afgezien van hetgeen de rechtbank in het onderstaande zal bespreken, geen redenen aangevoerd, waarom het bestreden besluit in dat opzicht onjuist of onvolledig is, zodat de rechtbank de inhoud van de bezwaargronden verder buiten beschouwing laat.

Belangrijke schade aan fauna

5.1

De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘belangrijke schade’ in de Ffw niet wordt gedefinieerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) onder andere in haar uitspraak van 21 maart 2007, (ECLI:NL:RVS:2007:BA1175), komt verweerder bij de invulling van het begrip ‘belangrijke schade’ een zekere beoordelingsvrijheid toe.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat van belangrijke schade in de zin van artikel 68 Ffw sprake is indien het te verwachten schadebedrag en de frequentie van die schade aanzienlijk kan zijn en het, anders dan eiseres stelt, niet gaat om reeds gerealiseerde, frequente schade. Verweerder gaat er vanuit dat als zich in het verleden aantoonbaar belangrijke schade heeft voorgedaan in een WBE of als door eerdere, gebruikte ontheffingen schade is voorkomen, het reëel is om te stellen dat belangrijke schade in die WBE ook in de toekomst dreigt.

Voor de invulling van het begrip 'belangrijke schade' heeft verweerder blijkens paragraaf 3.7 van het Faunabeheerplan aansluiting gezocht bij de normen die het Faunafonds daarvoor hanteert, te weten € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar.

Voorts gaat verweerder er vanuit dat tevens sprake is van dreiging van belangrijke schade aan gewassen in de gebieden van de WBE’s waarvoor in de periode van 2009 -2014 ontheffingen zijn verleend waarvan ook gebruik is gemaakt.

5.3

In de onder 5.1 genoemde uitspraak van de Afdeling is overwogen dat het door verweerder gehanteerde bedrag van € 250,- per schadegeval een redelijke wetsuitleg niet te buiten gaat. De rechtbank heeft bij uitspraak van 28 augustus 2015 (ECLI:NL:RBOVE:2015:3963) reeds overwogen dat verweerders uitgangspunt dat tevens sprake is van dreiging van belangrijke schade aan gewassen in de gebieden van de WBE’s waarvoor in de periode van 2009-2014 ontheffingen zijn verleend waarvan ook gebruik is gemaakt, in beginsel niet in strijd is met artikel 68 Ffw. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder met hetgeen is weergegeven onder 5.2 een redelijke invulling geeft aan het begrip belangrijke schade als bedoeld in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw.

5.4

De rechtbank stelt voorts vast dat in alle WBE’s, waarop de bestreden ontheffing ziet, met uitzondering van de WBE’s IJsselstreek-Wijhe en Oldebroek-Oosterwold, sprake is van zowel een of meer schademeldingen met een getaxeerde schade van € 250, - of meer per bedrijf per meldingsjaar en van voor de voorgaande periode 2009-2014 verleende ontheffingen waarvan daadwerkelijk gebruik is gemaakt.

Voor wat betreft de WBE’s IJsselstreek-Wijhe en Oldebroek-Oosterwolde is in de voorgaande periode geen belangrijke schade gemeld, maar is gebruik gemaakt van een verleende ontheffing. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in de WBE IJsselstreek-Wijhe in de periode 2009-2014 2 keer op smienten is geschoten, gedurende 2 acties, en in de WBE Oldebroek-Oosterwolde 23 keer op smienten is geschoten, gedurende 6 acties.

5.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met bovenstaande gegevens in voldoende mate aangetoond dat ontheffingverlening in dit geval het belang van het voorkomen van belangrijke schade aan gewassen dient als bedoeld in artikel 68, aanhef en onder c, van de Ffw.

Andere bevredigende oplossingen

6.1

Verweerder heeft beoordeeld of er geen andere bevredigende oplossing als bedoeld in artikel 68, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ffw bestaat. Verweerder heeft erop gewezen dat het Faunafonds belangrijke schade in de WBE’s heeft getaxeerd en nagenoeg altijd heeft uitgekeerd. Het feit dat het Faunafonds schade uitkeert, houdt ook in dat naar het oordeel van het Faunafonds afdoende werende maatregelen zijn getroffen om schade te voorkomen. Het gaat daarbij om preventie door middel van vogelverschrikkers, vlaggen, knalapparaten, nabootsingen van roofvogels, ballonnen, regelmatige verontrusting (verjaging/verstoring), vogelafweerpistolen en gespannen draden.

6.2

Ook in het geval er in de voorgaande periode geen sprake was van belangrijke schade, maar gebruik is gemaakt van een verleende ontheffing, is volgens verweerder sprake van het ontbreken van een andere bevredigende oplossing. Verweerder heeft in dat verband ter zitting aangegeven dat ook aan de voor de periode 2010-2014 verleende ontheffing het voorschrift was verbonden dat van de ontheffing eerst gebruik mag worden gemaakt na inzet van twee preventieve maatregelen, waarvan ten minste één visueel- en ten minste één akoestisch verjagingsmiddel zoals beschreven in de beleidsregels van het Faunafonds, en dat het Faunafonds adequaat toezicht houdt op de inzet van preventieve middelen.

6.3

Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat ter voorkoming van belangrijke schade aan fauna er geen andere bevredigende oplossing bestaat dan afschot van smienten. Daarbij wordt onder verwijzing naar de onder 5.3 genoemde uitspraak van de rechtbank van 28 augustus 2015, opgemerkt dat verweerder op dit punt ook een zekere beoordelingsvrijheid toekomt.

Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat de ontheffingsvoorschriften worden nageleefd. Dat van de verleende ontheffing onjuist gebruik is gemaakt is gesteld noch gebleken.

6.4

De enkele stelling van eiseres dat aan de effectiviteit van de in de voorgaande periode verleende ontheffing dient te worden getwijfeld nu in 8 van de 10 WBE’s, ondanks gebruik van de verleende ontheffing, toch sprake was van meldingen van schade door smienten, treft geen doel. Niet onaannemelijk is dat de schade bij niet gebruikmaking van de ontheffing, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, nog groter zou zijn geweest.

De gunstige staat van instandhouding

7. Voorts acht de rechtbank aannemelijk dat door het verlenen van de ontheffing voor het doden van smienten geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Door eiseres is dit overigens ook niet bestreden.

8. Eiseres wordt tot slot niet gevolgd in haar standpunt dat ingevolge artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van de Ffw rekening moet worden gehouden met de intrinsieke waarde van het schadeveroorzakende dier, en dat dit mee kan brengen dat in geval van twijfel over de noodzaak van ingrijpen, of over de effectiviteit daarvan, het voordeel van de twijfel aan – in het onderhavige geval – de smient wordt gegeven. Dit volgt niet uit artikel 68 van de Ffw. De bedoelde intrinsieke waarde, die in de considerans van de Ffw is erkend, ligt reeds ten grondslag aan de in artikel 68 van de Ffw opgenomen criteria voor ontheffingverlening.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P.W. Esmeijer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.