Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:212

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
21-01-2016
Datum publicatie
26-01-2016
Zaaknummer
4609667 \ EJ VERZ 15-422 en 4754227 EJ VERZ 16-28
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beëindiging arbeidsovereenkomst. Ernstig verwijtbaar handelen werkgever.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2016-0086 met annotatie van S.S.M. Peters
AR 2016/237
JIN 2016/76 met annotatie van E. Hagendoorn
TvPP 2016, afl. 2, p. 40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Enschede

Zaaknummers : 4609667 \ EJ VERZ 15-422 en 4754227 EJ VERZ 16-28

Beschikking van de kantonrechter van 21 januari 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap GROLSCHE BIERBROUWERIJ NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Enschede,

verzoekende partij in conventie en verwerende partij in reconventie

hierna te noemen: Grolsch,

gemachtigde: mr. E.L.J. Bruyninckx, advocaat te Berkenwoude,

tegen

[X] ,
wonende te [woonplaats] ,

verwerende partij in conventie en verzoeken partij in reconventie,

hierna te noemen: [X] ,

gemachtigde: mr. H.C.J.G. Janssen,

verbonden aan Janssen, Janssen & Janssen Ondernemingsrecht & Arbeidsrecht B.V., kantoorhoudende te Delden.

1 De procedure

1.1.

Grolsch heeft op 18 november 2015 een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [X] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.

1.2.

Op 7 januari 2016 heeft een zitting plaatsgevonden. Grolsch is, vertegenwoordigd door [V] , manager brouwen, en [M] , HR business partner operations, verschenen. Zij werd bijgestaan door haar gemachtigde. [X] is verschenen, eveneens bijgestaan door zijn gemachtigde.

De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.

1.3.

Beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[X] , geboren [1979] , is op 1 augustus 2009 in dienst getreden bij Grolsch. De laatste functie die [X] vervulde, is die van Technical Brewer, met een salaris van € 4.400,45 per maand, exclusief 8% vakantietoeslag.

2.2.

Op 14 juli 2015 was de Europese Brewing Lead, mw. [Z] , op bezoek bij Grolsch. [V] , leidinggevende van [X] , ontving [Z] . [X] was door

[V] uitgenodigd daarbij aanwezig te zijn. [X] zou een presentatie geven en eventuele vragen beantwoorden. Eerdere contacten tussen [X] en [Z] hebben geleid tot een - in ieder geval wat [X] betreft - gespannen relatie tussen hem en [Z] . Na de komst van [Z] heeft [V] eerst alleen met haar gesproken. Vervolgens werd [X] uitgenodigd om zijn presentatie te geven.

2.3.

[X] is tijdens de presentatie die hij gaf weggelopen vanwege dreigend overgeven. Hij heeft vervolgens, buiten de zaal van de presentatie overgegeven. Hij is vervolgens naar huis gegaan. Het overgeven was het gevolg van door [X] ervaren extreme spanning.

2.4.

Op 16 juli 2015 hebben [B (HR)] , en [V] met [X] een gesprek gevoerd over hetgeen is voorgevallen op 14 juli 2015.

2.5.

Op 16 juli 2015 schrijft [B] aan [X] het navolgende, voor zover hier van belang:

Op 16 juli jl. hebben wij met u gesproken [… .] over je gedrag en opstelling in de bijeenkomst [… .] in aanwezigheid van [… .] [Z] [Ktr.] [… .] Je gedrag

[… .] kwalificeren we als onacceptabel en schaadt de Grolsch reputatie. [… .]

In het gesprek gaf je tevens aan dat overweegt om Grolsch te verlaten.

Gezien je emotionele toestand van dat moment hebben we afgesproken dat je [… .] een afspraak hebt met de heer P. Maaskant, GZ Psycholoog [… .] en dat we volgende week verder praten.

2.6.

Op 21 juli 2015 schrijft [X] aan [B] het navolgende, voor zover hier van belang:

Op 17 juli 2015 heb ik uw schrijven ontvangen waarin u de inhoud van het gesprek dat ik met u en de heer [V] hebben gevoerd heeft samengevat. Op vrijdagmiddag heb ik na ontvangst van uw brief nog telefonisch contact gehad met u. Op woensdag 15 juli heb ik telefonisch contact gehad met mijn leidinggevende, de heer [V] .

De brief, het gesprek en de telefonische contacten hebben mij uiteraard aan het denken gezet.

Na een korte bezinningsperiode wil ik graag schriftelijk reageren op het incident dat heeft plaatsgevonden.

Op 14 juli jl heeft er een bijeenkomst plaatsgevonden waarbij ook mw. [Z]

aanwezig was. Tijdens deze bijeenkomst heb ik mij teruggetrokken omdat ik mij fysiek onwel voelde (hetgeen zelfs resulteerde in overgeven) en niet in staat was de bijeenkomst verder bij te wonen. Ik ben direct ziek naar huis gegaan.

In uw schrijven kwalificeert u mijn gedrag als onacceptabel en mogelijk schadelijk voor de reputatie van Grolsch.

Hier wil ik graag op reageren. Mijn gedrag was op dat moment inderdaad niet gepast en werd veroorzaakt door een lichamelijke reactie en mijn onvermogen dit bespreekbaar te maken. Inmiddels heb ik een brief geschreven aan Mw. [Z] waarin ik o.a. mijn verontschuldigingen aanbied voor het gebeurde [… .]

De dag er na heb ik mij ziek gemeld.

Ik heb inmiddels een gesprek gevoerd met de heer P. Maaskant, psycholoog, Hij constateerde dat het voorval het gevolg is van spanningen die ik had opgebouwd. [… .]

In uw schrijven [… .] refereert u tevens aan een uitspraak dat ik overweeg Grolsch te verlaten. [… .] De uitspraak is in een emotionele opwelling en vanuit een overwerkte situatie gedaan en niet vanuit redelijke en rationele achtergronden. Het gesprek vond vlak na het incident plaats en die dag was ik nog niet in goede doen.

[… .] Bij deze trek ik die uitspraak dan ook volledig terug [... .]. Ik wil dan ook nog graag vele jaren met veel plezier bij Grolsch blijven werken en hoop dat we dit gebeuren zo spoedig achter ons kunnen laten.

Ik hoop hiermee enkele zaken te hebben toegelicht en ik wil hier graag met u en de heer [V] verder over praten in de hoop dat we dit gebeuren achter ons kunnen laten. Mochten we tijdens het gesprek concluderen dat er aanvullende afspraken dienen te worden gemaakt met betrekking tot mijn gedrag, zal ik daar graag mijn medewerking aan verlenen.

2.7.

Grolsch heeft op 23 juli 2015 het volgende aan werknemer geschreven, voor zover hier van belang:

Op 23 juli 2015 hebben wij met je gesproken in aanwezigheid van [V] en ondergetekende over de gevolgen van de gebeurtenissen van de afgelopen periode.

[V] is nu 3 maanden in dienst van Grolsch en heeft voldoende beeld van je kunnen vormen..

Je gedrag en de onvoorspelbaarheid in de communicatie maken dat we, mede in relatie tot het incident van 14 juli 2015, hebben besloten om het dienstverband met je te beëindigen.

Je geeft aan dat je niet goed in je ‘vel’ zit en dat je worstelt met de communicatie op essentiële momenten.

Ondanks de gevolgde training “tactvol communiceren/kort en krachtig” bij Schouten & Nelissen, blijf je moeite houden om je communicatief goed uit te drukken.

We hebben je het navolgende voorstel gedaan [… .]

Tevens hebben we besproken dat je arbeidsongeschiktheid zal eindigen op vrijdag 24 juli 2015 en dat je per 25 juli 2015 hersteld gemeld wordt [… .]

2.8.

Op 25 augustus 2015 bezoekt [X] voor de eerste keer de bedrijfsarts. Deze schrijft in zijn brief van die datum aan Grolsch, voor zover hier van belang:

De heer [X] is uitgevallen met reactieve spanningsklachten die direct samenhangen met factoren en ontwikkelingen in de werkomgeving. Er is sprake van een geschil tussen werkgever en werknemer. Beide partijen zijn op de hoogte van de achtergronden. Het oplossingstraject is inmiddels gejuridiseerd. [… .]

De huidige klachten berusten naar mijn oordeel momenteel nog op ziekte en leiden tot beperkingen op het gebied van het persoonlijk en sociaal functioneren: concentratie zwakte, verminderd aandachtsvermogen, verminderde mentale duurbelastbaarheid, hanteren van druk en spanning in algemene zin etc. Hij heeft hiervoor adequate hulp/begeleiding gezocht.

Ik verwacht dat bij een verder ongecompliceerd beloop deze beperkingen binnen een termijn van circa twee weken geleidelijk zullen afnemen. Op grond hiervan acht ik hem m.i.v. week 38 niet meer arbeidsongeschikt op medische gronden. [… .].

2.9.

Op 7 september 2015 schrijft de gemachtigde van [X] aan de directie van Grolsch het navolgende, voor zover hier van belang:

Verzoek, tevens sommatie & ingebrekestelling

Geachte Directie,

Omdat in de behandeling van deze zaak door Koninklijke Grolsch N.V. geen spoor van rechtmatigheid valt te bespeuren, verzoeken wij U, voor dinsdag 8 september 24:00 uur, een billijke ontslagvergoeding [… .] ad Euro 125.000,- te storten op de bankrekening van onze cliënt [… .]

Daarnaast maakt cliënt aanspraak op een correct getuigschrift [… .]

Bij, onverhoopte, niet-voldoening aan dit verzoek, tevens sommatie, stellen wij U nu reeds voor alsdan in gebreke, en zullen wij, zonder nadere aankondiging, een zelfstandig verzoekt tot ontbinding van Uw arbeidsovereenkomst met cliënt aan de rechtbank richten. [… .]

2.10.

Op 7 september 2015 schrijft [P (HR Director)] , aan de gemachtigde Janssen:

[… .] Vanochtend met enige verbazing uw schrijven ontvangen.

Op dit moment is de heer [X] uitgenodigd door onze bedrijfsarts, voor een overleg morgen [… .] om afspraken te maken over zijn re-integratie. Hier ligt momenteel de prioriteit. [… .]

2.11.

Na het tweede bezoek, op 8 september 2015, meldt de bedrijfsarts in zijn spreekuuradviesbrief naar Grolsch, voor zover hier van belang:

[… .] De heer [X] [… .] acht [… .] terugkeer bij zijn huidige werkgever definitief uitgesloten op grond van de ernstige verstoorde arbeidsrelatie. [… .] Om een verdere stagnatie in de voortgang van de probleemoplossing te voorkomen kan alsnog een vorm van mediation worden overwogen. Mocht u daartoe bereid zijn, dan kunt gezamenlijk een (erkende) mediator zoeken (STECR-richtlijn)

2.12.

Op 11 september 2015 schrijft [M] aan [X] , voor zover hier van belang:

[… .] Grolsch conformeert zich aan het advies van de Bedrijfsarts [… .]

Wij willen met je in gesprek treden onder begeleiding van een gecertificeerd/registermediator. [… .]

2.13.

Op 29 september 2015 schrijft de bedrijfsarts in zijn speerkuuradviesbrief naar Grolsch het navolgende, voor zover hier van belang:

[… .] De afgelopen periode heeft hij geen persoonlijk contact gehad met zijn werkgever. Hij geeft aan dat [… .] alle interventies uitsluitend in samenspraak met de zaakwaarnemer worden afgestemd. [… .]

De bedrijfsarts is van mening dat sprake is van een ernstig geschil tussen werkgever en werknemer maar dat m.i.v. week 40 geen arbeidsongeschiktheid t.g.v. ‘ziekte’ meer aan de orde is. [… .] Wanneer in aansluiting op de conclusie en het advies van de bedrijfsarts een meningsverschil ontstaat tussen werkgever en werknemer bestaat de mogelijkheid om hierover een deskundigenoordeel aan te vragen bij het UWV.

2.14.

Op 30 september 2015 schrijft [M] aan [X] het navolgende, voor zover hier van belang:

[… .] Als werknemer bent u verplicht om voldoende medewerking te verlenen aan terugkeer bij uw werkgever of om acties die volgen uit de afspraken tussen u en de Bedrijfsarts na te komen binnen de gestelde termijnen.

Als werkgever dienen we u te waarschuwen dat u zich moet houden aan de verplichtingen uit de Wet Verbetering Poortwachter en het protocol voor verzuimbegeleiding, controle, gedragsregels en sanctiebeleid ten aanzien van werknemers die zich ziek hebben gemeld [… .], omdat u anders het risico loopt dat er een loonopschorting volgt. [… .]

Voordat Grolsch overgaat tot loonopschorting, willen wij u alsnog in de gelegenheid stellen om uiterlijk 2 oktober 2015 een schriftelijke reactie te geven

[… .] betreffende uw medewerking op ons voorstel uit de brief van 11 september 2015 [… .].

Mocht u niet reageren op uiterlijk 2 oktober 2015 dan zijn we [… .] gerechtigd om uw loon op te schorten.

2.15.

[X] schrijft op 2 oktober 2015 aan [M] , voor zover hier van belang:

[… .] Zoals Grolsch inmiddels bekend is, is de heer Janssen mijn gemachtigde.

[… .] Momenteel [… .] is hij op vakantie. [… .]

Uit uw schrijven maak ik op dat u zich akkoord verklaard met de uitspraak van de heer Heinen bedrijfsarts. Derhalve heb ik een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV.

2.16.

Op 6 oktober 2015 schrijft [M] aan [X] , voor zover hier van belang:

[… .] u hebt als werknemer een inspanningsverplichting onder de Wet Verbetering Poortwachter en u dient in dat verband de adviezen van de bedrijfsarts op te volgen. Uw gemachtigde speelt hierin geen enkele rol.

2.17.

Bij beslissing van 19 oktober 2015 onderschrijft het UWV het advies van de bedrijfsarts als volgt, voor zover h9ier van belang:

Ons oordeel is dat u huidige klachten niet voortkomen uit ziekte maar veroorzaakt worden door het arbeidsconflict. U bent daardoor wel geschikt voor uw eigen werk, maar bij een andere werkgever. Door het arbeidsconflict bent u nog niet geschikt voor uw eigen werk bij uw eigen werkgever.

2.18.

Op 29 oktober 2015 schrijft [P (HR Director)] aan [X] het navolgende, voor zover hier van belang:

[… .] Wij onderschrijven het advies van het UWV. Wij concluderen dat er onvoldoende basis is om terug te keren naar een situatie van uitvoering van werk, temeer nu u ons aanbod voor mediation in een stadium dat het nog zinvol had kunnen zijn, niet heeft geaccepteerd. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst dient te eindigen, conform uw eerder geformuleerde wens.[… .]

2.19

Op 2 december 2015 schrijft [M] aan [X] het navolgende, voor zover hier van belang:

Zoals het UWV [… .] heeft bevestigd, komen uw huidige klachten niet voort uit ziekte [… .] Gegeven het principe ‘geen werk, geen loon’ vanaf 28 september 2015 gaat Grolsch over tot inhouding van uw tegoed aan snipper- en ATV uren staakt vervolgens de loondoorbetaling. [… .] Aangezien het gezamenlijke saldo per 28 september tot heden reeds is verbruikt stopt Grolsch met de loondoorbetaling met ingang van 1 december 2015.

[… .]

2.20.

De tussen partijen geldende opzegtermijn bedraagt zes weken.

3. Het verzoek van Grolsch tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het verzoek van [X] tot veroordeling van werkgever tot betaling van een vergoeding van € 125.000,- [kantonrechter leest: bruto]

3.1.

Grolsch verzoekt ingevolge artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) de arbeidsovereenkomst met [X] te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW. Grolsch stelt daartoe dat de arbeidsrelatie tussen partijen dusdanig is verstoord dat in redelijkheid van haar niet gevergd kan worden de arbeidsverhouding te laten voortduren en herplaatsing van [X] , al dan niet met behulp van scholing, niet meer mogelijk is, althans niet in de rede ligt.

Grolsch geeft aan dat zij in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan [X] een transitievergoeding verschuldigd is, welke op basis van het aantal dienstjaren en de omvang van zijn salaris € 10.296,00 bruto bedraagt en verzoekt die vergoeding aan werknemer toe te kennen.

3.2.

[X] heeft tegen het verzoek van Grolsch verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing daarvan. [X] heeft niet betwist dat van een verstoorde arbeidsrelatie, die met zich brengt dat van Grolsch in redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, sprake is. Evenmin heeft [X] betwist dat herplaatsing niet mogelijk is, althans gelet op de verstoorde relatie niet in de rede ligt. Integendeel [X] heeft - bij zelfstandig tegenverzoek - verzocht de arbeidsovereenkomst met Grolsch te ontbinden wegens gewichtige redenen, die gelet op hetgeen hij ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd, feitelijk bestaan uit, kort gezegd, een verstoorde relatie. [X] verzet zich evenwel tegen ontbinding op grond van het door Grolsch ingediende verzoek omdat, zo begrijpt de kantonrechter het verweer, de oorzaak die tot ontbinding dient te leiden geheel aan Grolsch te wijten is, hij ernstige schade heeft geleden en lijdt door de handelwijze van Grolsch, zoals onder meer reputatieschade, en hem, [X] , in deze geen enkel verwijt treft.

Uit de stukken, het verhandelde ter zitting alsook het verweer met zelfstandig tegenverzoek van [X] is genoegzaam komen vast te staan dat van een verstoorde arbeidsrelatie, die met zich brengt dat van werkgever niet langer verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW, sprake is, terwijl herplaatsing, ook na scholing, niet mogelijk moet worden geacht. Anders dan werknemer kennelijk beoogd te stellen, is de vraag welke partij de verstoorde relatie (in overwegende mate) heeft veroorzaakt, bij de toets of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW in het algemeen niet van belang. Een dergelijke afweging is uit de wet noch parlementaire geschiedenis te destilleren. Onder omstandigheden kan zulks wel eens anders zijn, bijvoorbeeld indien de werkgever evident en uitsluitend heeft aangestuurd op een verstoorde relatie, die evenwel door aanpassing van de houding van werkgever nog reparabel is. Daarvan is hier geen sprake, hoewel, zoals hierna nog zal blijken, Grolsch wel ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Nu de arbeidsverhouding is verstoord als bedoeld in artikel 7: 669 lid 3 sub g BW zal de kantonrechter het verzoek van Grolsch toewijzen en tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst overgaan. Partijen zijn het er over eens dat de opzegtermijn zes weken bedraagt. Na aftrek van de duur van de behandeling betekent zulks dat conform artikel 7:671b lid 8 sub a BW de ontbinding zal worden uitgesproken met ingang van

1 maart 2016.

3.3.

Nu de ontbinding wordt uitgesproken heeft [X] op grond van artikel 7:673 BW aanspraak op een transitievergoeding. Grolsch heeft verzocht deze aan [X] bij beschikking 'toe te kennen'. De kantonrechter stelt voorop dat nu de verplichting tot betaling van een transitievergoeding rechtstreeks voortvloeit uit de wet, deze niet door de kantonrechter wordt kan ‘worden toegekend’. De kantonrechter kan wel Grolsch tot betaling daarvan veroordelen. Uit de context van het verzoekschrift begrijpt de kantonrechter dat Grolsch dat ook heeft beoogd.

Volgens de door Grolsch in het geding gebrachte berekening bedraagt de transitievergoeding

€ 10.296,00 bruto. [X] heeft in het kader van de door hem gevorderde vergoedingen aangevoerd dat hij naast zijn salaris bonussen ontving. Indachtig die bonussen dient de transitievergoeding op een hoger bedrag te worden vastgesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter is ten onrechte geen rekening gehouden met de in de periode van 2011-2015 aan [X] toegekende bonussen, welke de kantonrechter als een vaste looncomponent aanmerkt. Onweersproken is door [X] aangevoerd dat deze bonussen € 3.545,00 (2011),

€ 3.721,00 (2012), € 2.833,00 (2013), € 4.192,00 (2014) en € 2.167,00 (2015) hebben bedragen. Het totaalbedrag over genoemde periode van vijf jaar bedraagt € 16.458,00 bruto, hetgeen neerkomt op een gemiddeld bedrag aan bonus van € 274,30 bruto per maand. Uitgaande van voornoemde bedragen bedraagt het brutoloon per maand van [X]

€ 4.400,65 + 274,30 = € 4.674,95 + 8% vakantietoeslag € 373,98 = € 5.048,73. Uitgaande van een dienstverband van 6 jaar en 8 maanden heeft [X] recht op een transitievergoeding van € 10.938,92 bruto. Grolsch zal tot betaling van dat bedrag worden veroordeeld.

3.4.

[X] vordert werkgever te veroordelen tot betaling van een vergoeding van

€ 125.000,- [de ktr. leest: bruto] daarbij stellende dat werkgever onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door na het incident dat op 14 juli 2015 heeft plaatsgevonden te trachten de arbeidsovereenkomst met werknemer te beëindigen. Het handelen van werkgever zoals uitgebreid bij de feiten weergegeven levert naar het oordeel van de kantonrechter geen onrechtmatig handelen op, weshalve voor toekenning van schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen geen plaats is.

De kantonrechter begrijpt de stelling van [X] evenwel ook zo dat hij bedoeld dat het handelen van werkgever tijdens de laatste periode van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ernstig is verwijtbaar is. Voor zover nodig onder aanvulling van de rechtsgronden dient aan [X] , indien van ernstig verwijtbaar handelen (of nalaten) van Grolsch sprake is, een billijke vergoeding te worden toegekend.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren.

De kantonrechter is van oordeel dat de handelwijze van Grolsch na het voorval op 14 juli 2015 uiteindelijk de oorzaak is geweest van de verstoorde arbeidsrelatie van partijen en dat Grolsch hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Ter zake wordt het volgende overwogen. Vast staat dat [X] tot het voorval op 14 juli 2015 prima heeft gefunctioneerd, zoals blijkt uit de - ook recent nog - toegekende bonussen en de promotie die hem in de loop van 2015 in het vooruitzicht was gesteld.

Dat er sprake was van disfunctioneren waarop [X] meermaals zou zijn aangesproken en het incident in aanwezigheid van [Z] de ‘bekende druppel is geweest die de emmer deed overlopen’, is niet onderbouwd. Desgevraagd heeft [V] tijdens de mondelinge behandeling verteld dat hij er van op de hoogte was van het feit dat [X] zeer zenuwachtig was voor de ‘confrontatie’ met [Z] met wie hij eerder al in de ‘clinch’ had gelegen en dat [X] op zag tegen de te geven presentatie. Het is niet verwonderlijk dat deze spanningen bij [X] hebben geleid tot een lichamelijke reactie, te weten het overgeven, waarvoor [X] zijn presentatie moest afbreken.

Van Grolsch, lees: [V] , had mogen verwacht dat hij voor de komst van [Z] het gesprek /de presentatie had voorbereid met [X] teneinde de stress te reduceren, hetgeen zo liet [V] weten, niet is gebeurd. Voorts had verwacht mogen worden dat [V] [X] na het voorval in bescherming had genomen. [X] heeft nadien ruiterlijk zijn onvermogen erkend en bespreekbaar gemaakt en aan [Z] heeft hij een excuusbrief geschreven. Van een goed werkgever had mogen worden verwacht dat hij hierna de draad weer zou hebben kunnen oppakken. In plaats daarvan heeft Grolsch, onder het mom van al langer disfunctioneren en het incident van 14 juli 2015, aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat is ernstig verwijtbaar. Grolsch kan en mag zich daarbij niet verschuilen achter de uitlatingen van [X] , gedaan in het gesprek van 16 juli 2015, dat hij weg wilde bij Grolsch, nu deze zijn gedaan in een emotionele reactie op het voorval van 14 juli 2015.

Overigens heeft ook [X] ‘boter op het hoofd’. De wijze waarop hij meent met zijn werkgever tijdens ziekte te moeten communiceren, dat wil zeggen via zijn raadsman, heeft er zeker niet aan bijgedragen de verhoudingen met zijn werkgever te herstellen, zij het dat Grolsch daarvoor met de brief van 23 juli 2015 het 'doek al heeft laten vallen'.

Eén en ander betekent dat [X] , naast de wettelijke transitievergoeding, een billijke vergoeding toekomt. Ter zake van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding – naar haar aard – in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van Grolsch, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor [X] (zie: Kamerstukken II, 2013–2014, 33 818, nr. 3, pag. 32-34 en Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 91). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Grolsch, dan dient [X] hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van Grolsch te voorkomen. In de billijke vergoeding kan niet tot uitdrukking komen of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor [X] , omdat dit al is verdisconteerd in de transitievergoeding. De hoogte van de billijke vergoeding moet daarom worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband geen rol hoeven te spelen. Er kan wel rekening worden gehouden met de financiële situatie van Grolsch. De kantonrechter zal de billijke vergoeding vaststellen op een bedrag van € 20.000,00 bruto.

3.5.

Nu een billijke vergoeding wordt toegekend zal Grolsch in de gelegenheid worden gesteld het verzoek in te trekken, en wel uiterlijk 3 februari 2016.

3.6.

Grolsch wordt, nu van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde na het incident van 14 juli 2015 sprake is geweest worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4 Het verzoek van [X] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

4.1.

Nu de ontbinding op het verzoek van Grolsch wordt uitgesproken, wordt, indien Grolsch geen gelegenheid maakt van de mogelijkheid dit verzoek in te trekken, aan het verzoek tot ontbinding van [X] niet toegekomen en zal hij in dat verzoek niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Indien Grolsch het verzoek wel intrekt zal beoordeling van het ontbindingsverzoek van [X] moeten worden beoordeeld.

De kantonrechter houdt de beslissing voor zover betrekking hebbend op het verzoek van [X] tot ontbinding aan tot na 4 februari 2016, als duidelijk is of Grolsch het verzoek al dan niet intrekt. Eindbeschikking op dit verzoek zal op 11 februari 2016 worden gewezen.

5 Het verzoek van [X] tot loonbetaling en de beoordeling hiervan

5.1.

[X] verzoekt Grolsch te veroordelen tot betaling van het loon, naar de kantonrechter begrijpt vanaf 1 december 2015, tot aan de datum waarop tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst is beëindigd.

5.2.

Grolsch heeft op grond van artikel 7:627 BW het loon met ingang van 28 september 2015 opgeschort, althans bij schrijven 2 december 2015 aangegeven met ingang van 28 september 2015 tot inhouding van het tegoed die [X] heeft ten aanzien van snipper- en ATV-uren te zullen overgaan en met ingang van 1 december 2015 een loonstop te zullen doorvoeren.

5.3.

Grolsch kon, nu door haar op 18 november 2015 al een verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen was ingediend, in redelijkheid niet bij brief van 2 december 2015 van [X] verlangen dat hij de bedongen arbeid kwam verrichten, te meer nu de bedrijfsarts op 19 oktober 2015 nog heeft laten weten dat [X] door het arbeidsconflict nog niet geschikt werd geacht voor eigen werk bij Grolsch. Grolsch heeft het loon ten onrechte niet uitbetaald. [X] heeft dan ook aanspraak op loon tijdens ziekte. De hierop gebaseerde vordering is dan ook toewijsbaar.

5.4.

Grolsch zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

6 de beslissing

6.1

op het verzoek van Grolsch tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en het verzoek van [X] tot veroordeling van werkgever tot betaling van een vergoeding van € 125.000,- [kantonrechter leest: bruto]


De kantonrechter:

- Ontbindt, indien Grolsch het verzoek niet uiterlijk op 4 februari 2016 intrekt, middels een schriftelijke verklaring gericht aan de griffie van de rechtbank Overijssel, locatie kanton,

de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2016, en veroordeelt Grolsch om aan [X] te betalen:

 de transitievergoeding van € 10.938,92 bruto;

 een billijke vergoeding van € 20.000,00 bruto;

 de kosten van de procedure, zijnde een bedrag van € 400,00 voor salaris gemachtigde

- stelt Grolsch in de gelegenheid het verzoek in te trekken op uiterlijk donderdag

4 februari 2016, middels een schriftelijke tot de griffie van de rechtbank Overijssel, locatie Enschede gerichte verklaring.

6.2.

op het verzoek van [X] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst

- houdt iedere beslissing aan tot na 11 februari 2016;

6.3.

op het verzoek van [X] tot doorbetaling van het loon

- veroordeelt Grolsch om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [X] te betalen het aan hem toekomende loon, uit hoofde van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst vanaf 1 december 2015 tot aan de dag waarop de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.W. de Groot, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2016.