Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:2099

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
185969 KG RK 16-365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rekestnummer: 185969 KG RK 16-365

Beslissing van 3 juni 2016

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker tot wraking,

verder te noemen verzoeker,

in persoon procederend.

strekkende tot wraking van mr. G. van Eerden, rol- en kantonrechter.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de rolzitting van 3 mei 2016 heeft verzoeker in de zaak die is geregistreerd onder nummer 4859591 \ CV EXPL 16-1159 een verzoek tot wraking van mr. Van Eerden gedaan, zoals blijkt uit de conclusie van aanvullend antwoord in conventie, eis in reconventie en de daaraan gehechte, door verzoeker overgelegde stukken.

1.2.

Mr. Van Eerden heeft niet berust in de wraking. Hij heeft schriftelijk gereageerd op het verzoek.

1.3.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is op 25 mei 2016 in het openbaar behandeld.

Bij de mondelinge behandeling is verzoeker, ondanks dat hij behoorlijk is opgeroepen, niet verschenen. Mr. Van Eerden is niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek

2.1.

Verzoeker heeft - zakelijk en samengevat weergegeven - het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Het door de griffier opgemaakte verslag van de rolzitting van 8 maart 2016 is niet compleet en bevat omissies dan wel onjuistheden. In een eerdere procedure (geregistreerd onder nummer 3928207 \ CV EXPL 15-1150) heeft
mr. Van Eerden vonnis gewezen, waarbij de door hem, verzoeker, geclaimde kosten dan wel vergoeding ten onrechte niet zijn toegewezen. Deze eerder door hem geclaimde kosten dan wel vergoeding zijn ook in het geding in de nu aanhangige zaak. Verzoeker stelt dat
mr. Van Eerden in deze lopende procedure niet dient te oordelen over zijn eerdere vonnis.

3 Het standpunt van mr. Van Eerden

3.1.

Mr. Van Eerden heeft niet in de wraking berust. Hij stelt - kort gezegd - dat er geen sprake is van subjectieve of objectieve partijdigheid. Verzoeker is gedagvaard ten verzoeke van Menzis Zorgverzekeraar (hierna: Menzis) tegen de rolzitting van 8 maart 2016. Verzoeker heeft toen mondeling verweer gevoerd. Teneinde er zeker van te zijn dat verzoeker alles van belang zou kunnen aanvoeren, niets zou kunnen vergeten en er geen onduidelijkheid zou kunnen ontstaan over de vraag of de griffier zijn betoog juist en/of volledig zou hebben weergegeven, is hem de mogelijkheid geboden het verweer en de gronden voor de eis op schrift te stellen. Verzoeker is hiermee akkoord gegaan en de procedure is vier weken aangehouden voor een aanvullend schriftelijk antwoord en eis in reconventie. Op verzoek van verzoeker is deze termijn vervolgens met vier weken verlengd. Toen tijdens de rolzitting van 3 mei 2016 bleek dat de reconventionele vordering verband hield met een eerder door hem tussen dezelfde partijen gewezen vonnis, heeft
mr. Van Eerden verzoeker medegedeeld dat in deze en eventuele volgende procedure(s) door hem geen vonnis gewezen zou worden. Dat door hem een eerder vonnis is gewezen tussen [verzoeker] en Menzis levert volgens mr. Van Eerden evenmin een grond op voor het doen slagen van de wraking.

4 De beoordeling

4.1.

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. De vrees dat dit het geval zal zijn, dient objectief gerechtvaardigd te zijn. Dat betekent dat sprake moet zijn van concrete feiten en omstandigheden waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid.

Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien - geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak - de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.

4.2.

De omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met het door mr. Van Eerden gewezen vonnis in de zaak die is geregistreerd onder nummer 3928207 CV

EXPL 15-1150 levert geen grond voor wraking op. De juistheid van de beslissing kan niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel (zoals verzet of hoger beroep) tegen de beslissing aan te wenden, indien en voor zover dat openstaat.

4.3.

Volgens artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt ertoe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van een wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. De wrakingskamer stelt vast dat de schriftelijke weergave

van de conclusie van antwoord door de griffie van de rechtbank is verzonden op 8 maart 2016, zodat het er voor moet worden gehouden dat verzoeker korte tijd na 8 maart 2016 in het bezit is gekomen van dit stuk en van de inhoud daarvan kennis heeft kunnen nemen, nu gesteld noch gebleken is dat dat verzoeker eerst op een veel later moment kennis heeft kunnen nemen van de schriftelijke weergave van de conclusie van antwoord. Verzoeker heeft echter pas op 3 mei 2016 een wrakingsverzoek ingediend waarin hij - onder meer - kritiek uit op de wijze van verslaglegging van de rolzitting van 8 maart 2016. Dat is te laat. Reeds hierom kan het verzoek op deze grond niet slagen.

4.4.

Met betrekking tot de stelling van verzoeker dat mr. Van Eerden niet over de zaak waarin het wrakingsverzoek is gedaan dient te oordelen, omdat hij eerder vonnis heeft gewezen in een zaak tussen Menzis en verzoeker waarin hetzelfde geschilpunt aan de orde is geweest, overweegt de wrakingskamer als volgt. Mr. Van Eerden heeft onweersproken gesteld dat hij tijdens de rolzitting van 3 mei 2016, toen bleek dat de reconventionele vordering verband hield met een eerder door hem tussen Menzis en verzoeker gewezen vonnis, aan verzoeker heeft meegedeeld dat hij in de procedure met nummer 4859591 \ CV EXPL 16-1159 geen vonnis zal wijzen. Nu mr. Van Eerden niet langer de behandelend rechter in de zaak van verzoeker is, is de grond aan het wrakingsverzoek komen te ontvallen. Het wrakingsverzoek kan ook op deze grondslag niet slagen.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

De wrakingskamer

5.1.

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door de mrs. J.A.O.M. van Aerde, W.M.B. Elferink en H. Stam en in tegenwoordigheid van de griffier mr. I.A.M. Booijink en in openbaar uitgesproken op 3 juni 2016.

de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.