Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1997

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
08/760284-16, 08/770085-16, 05/821582/13 (tul), 05/841566/13 (tul) en 05/21633/14 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie jongemannen uit Berkelland die gezamenlijk een andere man in elkaar trapten op de parkeerplaats van een discotheek in Markelo moeten de gevangenis in. De rechtbank veroordeelt de 21-jarige man die het meeste geweld gebruikte tot een gevangenisstraf van 3 jaar waarvan 1 voorwaardelijk. Aan een 22-jarige medeverdachte legt de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk op. De derde verdachte, ook 22 jaar oud, moet 12 maanden de gevangenis in waarvan 4 maanden voorwaardelijk. Alle drie moeten zij zich verplicht laten behandelen. Aan het slachtoffer moeten ze een schadevergoeding betalen van 9000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers (P): 08/760284-16, 08/770085-16, 05/821582/13 (tul), 05/841566/13 (tul) en 05/21633/14 (tul)

Datum vonnis: 7 juni 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1994 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in het Huis van Bewaring De Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 april 2016 en 24 mei 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.C. Pol en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. E.J. Verster, advocaat te Zutphen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

wat betreft parketnummer 08/760284-16:

(primair) op 26 december 2015 te Markelo samen met anderen heeft geprobeerd om een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, dan wel (subsidiair) samen met anderen die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, dan wel (meer subsidiair) samen met anderen heeft geprobeerd die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel (nog meer subsidiair) samen met anderen die [slachtoffer 1] heeft mishandeld, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad;

en wat betreft parketnummer 08/770085-16:

feit 1: openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon;

feit 2: een persoon heeft mishandeld.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

wat betreft parketnummer 08/760284-16:

hij op of omstreeks 26 december 2015 te Markelo, gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] , opzettelijk van het leven te beroven, immers heeft hij, verdachte, en/of een van zijn mededader(s), die [slachtoffer 1] (terwijl deze weerloos op de grond lag)meerdere malen, althans eenmaal, (met (veel) kracht) op/tegen/in het gezicht, althans

op/tegen het hoofd geschopt/getrapt

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 26 december 2015 te Markelo, gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde neus en/of een gebroken oogkas en/of gekneusde ribben, heeft toegebracht, door die [slachtoffer 1] (terwijl deze weerloos op de grond lag)meerdere malen, althans eenmaal, (met (veel) kracht) op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het

hoofd en/of het bovenlichaam te schoppen en/of te trappen;

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 26 december 2015 te Markelo, gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer 1] (terwijl deze weerloos op de grond lag)meerdere malen, althans eenmaal, (met (veel) kracht) op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het bovenlichaam geschopt en/of getrapt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

ALTHANS, voor zover voor het vorenstaande onder 1 geen veroordeling mocht of zou

kunnen volgen, NOG MEER SUBSIDIAIR, terzake dat

hij op of omstreeks 26 december 2015 te Markelo, gemeente Hof van Twente, tezaen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft/hebben mishandeld door die [slachtoffer 1] , (terwijl deze weerloos op de grond lag)meerdere malen, althans eenmaal, (met (veel) kracht) op/tegen/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd en/of het bovenlichaam te schoppen en/of te trappen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een verbrijzelde neus en/of een gebroken oogkas en/of gekneusde ribben (en/of een snee in het voorhoofd) ten gevolge heeft gehad;

en wat betreft parketnummer 08/770085-16:

1.

hij op of omstreeks 29 november 2015 te Enschede openlijk, te weten op of aan een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten Café [café] (gelegen aan de [adres] ), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

-het meermalen, althans eenmaal, (met kracht) geven van een kopstoot aan die [slachtoffer 2] en/of

-het meermalen, altans eenmaal, (met kracht) stompen/slaan op/in het gezicht, althans op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] al dan niet op de grond lag);

2.

hij op of omstreeks 06 december 2015 te Markelo, gemeente Hof van Twente, [slachtoffer 3] heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal met kracht in op het gezicht, althans op tegen het hoofd te stompen/slaan.

De rechtbank zal de onder de parketnummers 08/760284-16 en 08/770085-16 vermelde feiten hierna vermelden als respectievelijk de feiten 1, 2 en 3.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Als bijzondere voorwaarden dienen te worden opgelegd: toezicht door de Reclassering Nederland, een meldplicht, het deelnemen aan een ambulante behandeling, een drugs- en alcoholverbod, een verplichting tot het gebruik van Refusal en elektronisch toezicht.

Met betrekking tot de civiele vorderingen is de officier van justitie van oordeel dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] geheel kunnen worden toegewezen en dat de vordering van [slachtoffer 2] kan worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 800,-- met niet-ontvankelijkverklaring voor het resterende deel. Bij alle vorderingen dient de wettelijke rente te worden toegewezen, tevens dient telkens de schadevergoedingsmaatregel te worden opgelegd. Voor de vordering van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn de verdachten hoofdelijk aansprakelijk.

De officier van justitie persisteert bij de drie vorderingen tot tenuitvoerlegging.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of de tenlastegelegde feiten bewezenverklaard kunnen worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte de feiten heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die daarbij worden genoemd.

Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Wanneer hierna wordt verwezen naar de dossierpagina’s zijn dit de bladzijde uit het dossier van de regiopolitie Twente met als dossiernummers PL0600-2016093759 (blz. 1-372).

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

Wat betreft feit 1

Verdachte heeft erkend dat hij het slachtoffer éénmaal keihard tegen diens hoofd heeft geschopt. Hij heeft tegenover de politie verklaard dat er van hun groep één persoon niets gedaan heeft, te weten [vriendin medeverdachte 1] . Dat impliceert, aldus de officier van justitie, dat de overige personen uit die groep wel actief mee hebben gedaan. De getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij één persoon, de bestuurder van de Renault Laguna, niets heeft zien doen. Die bestuurder was [betrokkene] .

De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte [medeverdachte 2] tegen hem gezegd heeft dat hij, [medeverdachte 2] , trots was op de door hem gegeven high-kick.

Op zowel de linker- als de rechterschoen van [medeverdachte 2] zijn DNA-sporen aangetroffen van het slachtoffer.

Op basis van het bovenstaande is de officier van justitie van oordeel dat weliswaar vast staat dat ook [medeverdachte 2] het slachtoffer heeft geschopt, maar staat niet vast waar [medeverdachte 2] het slachtoffer heeft geraakt en of hij vóór of na de door [verdachte] gegeven schop het slachtoffer heeft geschopt. Nu dat niet vast staat gaat de officier van justitie ervan uit dat [medeverdachte 2] het slachtoffer heeft geschopt vóórdat [verdachte] heeft geschopt, en dat [medeverdachte 2] het slachtoffer tegen het lichaam heeft geschopt. Diens aandeel was derhalve niet gericht op de dood van het slachtoffer, ook niet als medepleger.

De officier van justitie concludeert ten aanzien van verdachte tot een bewezenverklaring van de poging doodslag en tot vrijspraak van het medeplegen.

Wat betreft de feiten 2 en 3

De officier van justitie is, gelet op de aangifte van de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en gelet op de bekennende verklaring van verdachte ter zitting, van oordeel dat ook die feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verklaard dat de feiten 1 primair, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden en dat verdachte die feiten erkent. De raadsman merkt ten aanzien van feit 1 op dat de getuigenverklaringen verschillen wat betreft het aantal schoppen en wat betreft het aantal schoppende personen.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

5.2.1

Met betrekking tot feit 1

Het incident van 26 december 2015 op de parkeerplaats van discotheek [discotheek] in Markelo is (telkens in de varianten medeplegen van respectievelijk poging doodslag, zware mishandeling, poging zware mishandeling en mishandeling, zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend) aan drie verdachten tenlastegelegd, te weten verdachte [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Naast deze drie personen bestond de groep nog uit [betrokkene] en [vriendin medeverdachte 1] (vriendin van [medeverdachte 1] ).

Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 2] die bewuste avond een zwart T-shirt met korte mouwen droeg. [medeverdachte 1] had een zwart T-shirt met lange mouwen aan en [verdachte] droeg een wit T-shirt.

De rechtbank stelt op basis van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de in de bijlage vermelde bewijsmiddelen de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Wanneer de discotheek [discotheek] die nacht gaat sluiten begeeft de groep met verdachte zich richting de parkeerplaats waar hun auto staat. Op die parkeerplaats moet [verdachte] nog urineren en hij doet dat dicht bij de auto van het latere slachtoffer [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] ziet hetgeen [verdachte] doet en maakt daar een opmerking over. Dat [slachtoffer 1] daarna [verdachte] heeft weggeduwd is niet komen vast te staan, maar wel dat [slachtoffer 1] direct agressief werd benaderd en met kracht tegen de grond werd gegooid door [medeverdachte 1] (de man met het zwarte T-shirt met lange mouw). Volgens [medeverdachte 1] viel [slachtoffer 1] recht voorover op de grond en kon hij zich op dat moment al niet meer opvangen. [medeverdachte 1] weet zeker dat [slachtoffer 1] op dat moment al buiten kennis was.

[slachtoffer 1] ligt vervolgens roerloos op de grond en wordt, aldus de getuige [getuige 1] , door drie personen met kracht tegen het bovenlichaam en tegen het hoofd geschopt. [getuige 1] herkent [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van foto’s als degenen die met kracht tegen het bovenlichaam van [slachtoffer 1] hebben geschopt. [getuige 1] heeft [verdachte] ter plaatse aangewezen als degene die keihard tegen het hoofd van [slachtoffer 1] schopte.

Getuige [getuige 2] heeft gezien dat [slachtoffer 1] op de grond lag en vervolgens van meerdere jongens harde schoppen tegen het hoofd kreeg. Het waren een soort van voetbalschoppen volgens [getuige 2] .

[verdachte] heeft bij de politie verklaard (pag. 139) dat hij de bewegingloos op de grond liggende [slachtoffer 1] zodanig tegen diens hoofd heeft geschopt dat hij, [verdachte] , de volgende dag nog pijn had aan zijn voet. Ook heeft hij verklaard (pag. 133) dat zijn kameraden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] betrokken waren bij de vechtenden.

[medeverdachte 2] heeft ter zitting verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij [slachtoffer 1] geschopt heeft. Tegenover de politie heeft [medeverdachte 2] verklaard dat [medeverdachte 1] de jongen (= [slachtoffer 1] ) bij de rug pakte en hem weggooide waardoor de jongen viel en dat hij op dat moment achter [medeverdachte 1] stond. Hij zag dat [slachtoffer 1] op de grond lag en “zijn kop goed kapot had”. “Je zag bloed en als je bloed ziet dan is het nooit goed”. Iedereen stapte daarop in de auto.

Daarnaast heeft [medeverdachte 2] in dat verhoor verklaard dat hij het waardeloos vindt dat [medeverdachte 1] in vrijheid is gesteld omdat “als je kijkt wat [medeverdachte 1] gedaan heeft en wat hij, [medeverdachte 2] , gedaan heeft, dan heeft [medeverdachte 1] veel meer gedaan”.

In het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 21 maart 2016, opgemaakt door de deskundige dr. J.H.A. Nagel blijkt dat op de buitenzijde neus en deel van de wreef van zowel de rechter- als de linkerschoen van [medeverdachte 2] een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is aangetroffen, te weten van het slachtoffer [slachtoffer 1] , van [medeverdachte 2] en van een onbekende persoon.

[betrokkene] heeft tegenover de politie verklaard (pag. 153) dat hij zag dat [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij [slachtoffer 1] stonden en dat hij zag dat [slachtoffer 1] op de grond viel. Toen de ruzie ongeveer 30 seconden bezig was, wilde hij de ruzie sussen, omdat hij wist dat [verdachte] knetterlijp wordt als hij boos wordt en dat hij bang is voor [verdachte] als deze echt boos is. Bij [medeverdachte 2] duurt het wel even voor deze lijp wordt, maar ook [medeverdachte 2] kon in het verleden echt lijp worden, maar doordat hij een enkelband droeg is hij rustiger geworden, aldus [betrokkene] . Vroeger hebben [verdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] ruzie gehad op de kermis in Neede en volgens [betrokkene] was dit de reden dat [medeverdachte 2] een enkelband had gekregen.

[medeverdachte 1] heeft op 27 december 2015 tegenover de politie verklaard (pag. 173-174) dat hij heeft gezien dat [verdachte] met geschoeide voet de jongen die languit op de grond lag met kracht tegen diens hoofd heeft geschopt. Van [medeverdachte 2] heeft hij gehoord dat hij ( [medeverdachte 2] ) er trots op was dat hij die vent een high kick had gegeven. Op 14 januari 2016 (blz. 178) heeft [medeverdachte 1] herhaald dat [medeverdachte 2] hem vertelde dat hij een high-kick had gegeven.

Als gevolg van de geweldplegingen heeft het slachtoffer [slachtoffer 1] het volgende letsel opgelopen: een breuk in de bovenwand van de linker oogkas, een breuk van het neusbot, een stervormige wond op het voorhoofd links en op de neusrug en een schaafwond op de rechter elleboog.

Gelet op hetgeen hierboven is beschreven en gelet op de inhoud van de in de bijlage vermelde bewijsmiddelen staat, naar het oordeel van de rechtbank, vast dat [medeverdachte 1] het slachtoffer [slachtoffer 1] met kracht op de grond heeft gegooid, dat [verdachte] het op de grond liggende en buiten bewustzijn verkerende slachtoffer [slachtoffer 1] keihard met diens geschoeide voet tegen het hoofd heeft geschopt, dat [medeverdachte 2] met zijn geschoeide voet eveneens tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geschopt en dat [medeverdachte 1] het slachtoffer tegen diens bovenlichaam heeft geschopt.

Met betrekking tot het (voorwaardelijk) opzet

De rechtbank overweegt met betrekking tot het (voorwaardelijk) opzet als volgt.

De forensisch arts drs. M. Evers heeft op de vraag wat kan worden gezegd over de omschrijving van de trappen (‘voetbaltrap’, ‘uittrap van een keeper’ en ‘zoals Christiano Ronaldo tegen een bal aan trapt’) in relatie tot het mogelijk intreden van de dood bij het trappen tegen het hoofd, geantwoord dat in zijn algemeenheid geldt: hoe meer geweld hoe groter de kans op letsel. Daarnaast kan het letsel afhangen van factoren als: stevigheid van de schedelbotten, waartegen botst het slachtoffer nog meer, bijvoorbeeld op de straatstenen. Als het hoofd door bijvoorbeeld een trap heen en weer knikkebolt, kan schade optreden aan de zenuwen, bloedingen in de hersenen met mogelijk de dood tot gevolg.

Gelet op de bovenvermelde verklaringen gaat de rechtbank ervan uit dat [slachtoffer 1] mogelijk reeds tijds het vallen, maar in elk geval vanaf het moment dat hij neerkwam en roerloos bleef liggen, buiten bewustzijn was. Gezien het feit dat [slachtoffer 1] op het moment van de trappen tegen zijn hoofd bewusteloos op de grond lag, met als gevolg dat zijn hoofd door de trappen heen en weer kon knikkebollen, acht de rechtbank de kans op schade aan de zenuwen en bloedingen in de hersenen zodanig dat sprake is van een aanmerkelijke kans op de dood.

De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat [verdachte] zich gedurende het gezamenlijk intrappen op de bewusteloze [slachtoffer 1] van deze aanmerkelijke kans bewust is geweest én dat hij deze kans op de dood heeft aanvaard, zodat er sprake is van voorwaardelijke opzet op de dood.

Met betrekking tot het medeplegen

De rechtbank overweegt met betrekking tot de vraag of sprake is van medeplegen het volgende.

Voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachten vereist. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3474) bepaald dat de rechter bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, rekening kan houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Het gaat er om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.

De rechtbank neemt – naast de hiervoor beschreven feitelijke gang van zaken – bij het antwoord op de vraag of sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten ook de volgende omstandigheden in ogenschouw.

- [verdachte] is reeds vele malen eerder door justitie veroordeeld ter zake van gewelds- en vermogensdelicten, doorgaans met [medeverdachte 2] als (een van) de mededader(s) en eenmaal voor een geweldsdelict met zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] als mededaders. Beiden zijn ook nu als verdachte zijn aangemerkt. Ter zake van dit laatstgenoemde feit bevindt verdachte zich nog in een proeftijd. Een maand vóór dit feit, te weten op 29 november 2015, is er een openlijke geweldpleging geweest waarbij [verdachte] , [medeverdachte 2] en [betrokkene] ook betrokken waren.

- Voorafgaand aan de geweldpleging op 26 december 2015 is, zo blijkt uit het relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pag. 107-108), in de discotheek slechts één groep vervelend geweest, te weten de groep [verdachte] , [medeverdachte 2] , [betrokkene] en [medeverdachte 1] .

- [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben verklaard dat zij elkaar versterken in hun agressief gedrag.

Gezien de geschiedenis van gezamenlijke geweldplegingen, de intensiteit van de samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten bij de geweldplegingen en de rol van [verdachte] bij de uitvoering van de onderhavige geweldpleging is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen van poging doodslag.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [verdachte] , tezamen en in vereniging met zijn beide medeverdachten, de tenlastegelegde poging tot doodslag heeft gepleegd.

5.2.2

Met betrekking tot feit 2

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen:

  1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering;

  2. Het proces-verbaal van aangifte van de E.H.H. [slachtoffer 2] (pag. 269-271).

5.2.3.

Met betrekking tot feit 3

Evenals de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat verdachte het onder feit 3 ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank zal daarom volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewijsmiddelen:

  1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 12 juni 2015, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering;

  2. Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , met het daarbij gevoegde bescheid, te weten de medische informatie van de tandarts Eijkelkamp van 7 december 2015 (pag. 328-331).

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij op 26 december 2015 te Markelo, gemeente Hof van Twente, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] (terwijl deze weerloos op de grond lag) met kracht tegen het hoofd geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op 29 november 2015 te Enschede openlijk, te weten in een voor het publiek toegankelijke ruimte, te weten Café [café] (gelegen aan de [adres] ), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit

- het meermalen geven van een kopstoot aan die [slachtoffer 2] en

- het meermalen met kracht stompen/slaan tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] (terwijl die [slachtoffer 2] al dan niet op de grond lag);

3. hij op 6 december 2015 te Markelo, gemeente Hof van Twente, [slachtoffer 3] heeft

mishandeld door die [slachtoffer 3] met kracht in het gezicht te stompen/slaan.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 287 (feit 1), 141 (feit 2) en 300 (feit 3) van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 primair het misdrijf: medeplegen van poging tot doodslag;

feit 2 het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

feit 3 het misdrijf: mishandeling.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8. De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte, die nog maar 21 jaar jong is, heeft zich, zonder enige redelijke aanleiding, op
29 november 2015 schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging, waardoor het slachtoffer blijvend een litteken in diens gezicht heeft bekomen. Slechts een week later heeft hij zonder enige redelijke aanleiding een persoon hard in diens gezicht geslagen, waardoor het slachtoffer fors tandletsel heeft opgelopen.

Weer enkele weken later heeft verdachte zich, wederom zonder enige redelijke aanleiding, met anderen schuldig gemaakt aan een nog ernstiger en agressiever delict door een buiten bewustzijn en roerloos op de grond liggend slachtoffer met zijn geschoeide voet keihard tegen diens hoofd te schoppen. De rechtbank rekent verdachte dit feit zeer ernstig aan en is daarbij van oordeel dat verdachte degene is geweest die daarbij het meest gewelddadig is opgetreden.

Verdachte is, ondanks zijn nog relatief jeugdige leeftijd, al vele malen met justitie in aanraking geweest. Het feit dat verdachte ten tijde van het plegen van onderhavige feiten nog in drie proeftijden liep, hebben hem er niet van kunnen weerhouden onderhavige feiten te plegen. Feiten die hij in een kort tijdsbestek heeft gepleegd, zeer kort na het eindigen van zijn elektronische detentie.

De waarschuwingen die telkens in die straffen zijn gelegen, met daarbij de opgelegde bijzondere voorwaarden om zijn crimineel gedrag in positieve zin te wijzigen, hebben hem er niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare en (zeer) ernstige agressieve feiten te plegen.

Verdachte trekt zich aldus niets aan van die rechterlijke waarschuwingen en hij blijft volharden in zijn crimineel gedrag.

Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte de feiten niet alleen pleegt met veelal dezelfde personen, maar ook telkens na het gebruik van aanmerkelijke hoeveelheden alcohol.

Over verdachte is gerapporteerd door de deskundigen B.T. Takkenkamp, psychiater, op
16 mei 2015 en door N. Hardoar, GZ-psycholoog op 1 mei 2016.

De psychiater beantwoordt, zakelijk weergegeven, de hem gestelde vragen als volgt.

Er is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de vorm van alcoholmisbruik. Er is daarbij sprake van een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven), met cluster B kenmerken. Hiervan was sprake ten tijde van het hem (onder 1) ten laste gelegde. Bij betrokkene werkte het alcoholmisbruik en de groepsdynamiek met gelijkgestemde vrienden fors versterkend op de onderliggende persoonlijkheidsstoornis wat leidde tot het hem ten laste gelegde geweldsdelict.

De stoornis lijkt in lichte mate ten grondslag aan het delict te liggen. Voor het alcoholmisbruik geldt naar de mening van de psychiater vanuit forensisch psychiatrisch oogpunt het principe van culpa in causa. Op grond van de hem bekende informatie en zijn onderzoek vindt de psychiater betrokkene licht verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van het hem ten laste gelegde.

De persoonlijkheidsstoornis wordt getriggerd door alcoholmisbruik en groepsgedrag

met gelijkgestemde vrienden. Er is sprake van een uitgebreide justitiële voorgeschiedenis waarin een zich herhalend patroon lijkt te ontstaan van grensoverschrijdend gedrag en het zich niet laten beïnvloeden door een alcoholverbod, contactverbod en justitiële sancties als jeugddetentie. Op grond van de hem bekende informatie en zijn onderzoek adviseert de psychiater betrokkene als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf verplichte ambulante psychotherapeutische behandeling op te leggen met daarbij verplicht Disulfiram gebruik onder toezicht.

De GZ-psycholoog beantwoordt, zakelijk weergegeven, de haar gestelde vragen als volgt.

Er is bij betrokkene sprake van beperkte cognitieve capaciteiten en een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anders omschreven), voortkomend uit een belaste voorgeschiedenis. Dit was ook zo ten tijde van het tenlastegelegde. Wanneer betrokkene op de avond van het onderhavige tenlastegelegde met zijn vrienden naar de disco gaat, heeft hij al alcohol gedronken. Tijdens het uitgaan drinkt hij nog de nodige alcohol. Wanneer de vriendengroep bij sluiting van de disco naar de auto loopt, moet betrokkene plassen. Dit doet hij voor de auto van het slachtoffer. Deze spreekt hem aan, omdat hij denkt dat betrokkene tegen zijn auto staat te plassen. Als betrokkene van het slachtoffer of één van zijn vrienden een duw krijgt, weet hij niet meer wat hij doet. Hij zegt zich nauwelijks te herinneren wat hij gedaan heeft, maar zegt wel heel zeker te weten dat hij niet vaker dan één keer geschopt heeft. Het is goed mogelijk dat door de onverwachte duw er bij betrokkene doordat hij zich bedreigd voelt veel opgekropte boosheid loskomt, vanuit de verdrongen herinneringen aan de mishandeling en het misbruik, waardoor hij buiten proportie hard uithaalt. Doordat zijn impulscontrole beperkt is, wat versterkt is door de alcohol, heeft hij hierover geen controle. Tevens wordt hij niet gehinderd door zijn niet voldoende ontwikkelde geweten. Dit geschiedde in enige mate.

Wanneer het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, adviseert de psycholoog op basis

hiervan om verdachte het tenlastegelegde enigszins verminderd toe te rekenen, omdat de

kenmerken van de persoonlijkheidsstoornis hierin hebben bijgedragen.

Het recidiverisico kan als hoog ingeschat worden, wanneer er geen behandeling plaatsvindt. De beperkte gewetensontwikkeling, impuls- en agressieregulatie, de beïnvloedbaarheid in omgang met delinquente leeftijdgenoten en alcoholgebruik, maken dit risico hoog.

Wanneer het tenlastegelegde bewezen wordt geacht, wordt geadviseerd om betrokkene volwassen reclasseringstoezicht op te leggen in combinatie met een alcoholverbod en elektronisch toezicht. Als voorwaarde bij een - eventueel deels - voorwaardelijke straf wordt individuele behandeling (psychotherapie) geadviseerd bij Aveleijn, zodat hij zelf meer zicht krijgt op zijn verleden en de nare ervaringen die hij heeft meegemaakt en de invloed die dit heeft gehad op zijn ontwikkeling.

Er is met mederapporteur in grote lijnen overeenstemming over de diagnostiek en het advies. De heer Takkenkamp adviseert in tegenstelling tot onderzoekster om verdachte een zuchtremmend middel voor te schrijven. Onderzoekster is van mening dat een alcoholverbod afdoende is, mits dit consequent gecontroleerd en gehandhaafd wordt, omdat er sprake is van alcoholmisbruik en geen alcoholafhankelijkheid.

De rapporten van de deskundigen zijn naar het oordeel van de rechtbank grondig onderbouwd, terwijl de conclusies volgen uit de bevindingen van de deskundigen. De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd. Zij maakt die conclusie tot de hare,

mede gelet op wat de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting omtrent de persoon van verdachte is gebleken.

Omtrent verdachte is ook gerapporteerd door de reclasseringswerker A.M.F. Smellink van de Reclassering Nederland op 23 maart 2016. Bij de vaststelling van na te melden straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op de inhoud van dit rapport.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel, ook gelet op de hoogte van de aan de mededaders opgelegde straffen, dat een straf als door de officier van justitie geëist, passend en geboden is.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben ieder voor zich een vordering als benadeelde partij ingediend.

Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen nu verdachtes beschermingsbewindvoerder niet ter zitting is opgeroepen, overweegt de rechtbank als volgt.

Het verweer van de raadsman kan op dit punt telkens gepasseerd worden, enerzijds reeds omdat verdachte rechtsbijstand geniet van een advocaat die diens civiele standpunten adequaat kan verwoorden, anderzijds omdat de mogelijke aansprakelijkheid van verdachte jegens de benadeelde partijen voortkomt uit onrechtmatige daad en niet ziet op een vordering uit overeenkomst. In die situatie is voor de beschermingsbewindvoerder geen rol weggelegd.

De rechtbank overweegt vervolgens met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen als volgt.

[slachtoffer 1] , wonende te [woonplaats] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 10.287,02 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    jas, trui, broek, telefoon: € 354,90

  • -

    eigen risico zorg + paracetamol: € 800,--

  • -

    reiskosten ziekenhuis: € 200,--

  • -

    immateriële schade € 7.500,--

  • -

    daggeld ziekenhuis, mantelzorg moeder, joggingbroeken, kussens € 1.432,12.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering deels ontvankelijk en is de vordering deels gegrond.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de stukken voldoende is komen vast te staan (pag. 62) dat de GSM van aangever [slachtoffer 1] door het feit is vernield.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn, als na te melden, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen voor een bedrag van € 8.974,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De verdachte is voor deze schadeposten naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het dossier duidelijk blijkt dat [slachtoffer 1] niet alleen door verdachte, maar ook door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] is geschopt.

De gestelde schade voor wat betreft mantelzorg moeder (ad € 1.312,15) betreft schade die door de moeder van de benadeelde partij is geleden en niet door de benadeelde partij zelf, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[slachtoffer 2] , wonende te [woonplaats] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.535,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    blouse onder bloed: € 35,--

  • -

    immateriële schade: € 1.500,--.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering deels ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom deels toewijzen voor een bedrag van € 535,--, bestaande uit een immateriële schadebedrag van € 500,-- en de materiële schadepost, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis. De verdachte is voor deze schadeposten naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het dossier duidelijk blijkt dat jegens [slachtoffer 2] geweld is uitgeoefend door verdachte en door [medeverdachte 2] .

Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om zijn stelling voor het meer gevorderde alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van het meer gevorderde niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan zijn vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

[slachtoffer 3] , wonende te [woonplaats] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 1.393,42. Deze schade bestaat, na aftrek van de door de zorgverzekeraar vergoede schade, uit de volgende posten:

  • -

    tandartskosten: € 173,09

  • -

    reiskosten naar slachtofferhulp € 20,33

  • -

    immateriële schade € 1.200,--.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk en is de vordering gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de

terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het onder 3 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De opgevoerde schadeposten zijn erkend en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 1.393,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De rechtbank zal, gelet op de inhoud van het door de benadeelde vóór de zitting overgelegd schrijven van de tandarts Eijkelkamp van 23 mei 2016, de schade bij wege van voorschot vaststellen, aangezien bij het slachtoffer nog geen sprake is van een tandheelkundige eindtoestand.

9.2

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij telkens de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht (mede) aansprakelijk is voor de schade die door de feiten 1, 2 en 3 zijn toegebracht.

10 De vorderingen tenuitvoerlegging

Parketnummer 05/21633/14:

De rechtbank overweegt dat de vordering van de officier van justitie van 8 maart 2016 betreffende een vonnis van de politierechter te Zutphen van 3 februari 2015, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden dient te worden afgewezen. Ter zitting is door de verdediging voldoende aannemelijk gemaakt dat het gerechtshof Leeuwarden/Arnhem reeds een vordering tot tenuitvoerlegging van die straf heeft toegewezen.

Parketnummers 05.821582/13 en 05/841566/13:

De rechtbank overweegt dat beide vorderingen van de officier van justitie, gedateerd 8 maart 2016, vatbaar zijn voor tenuitvoerlegging, aangezien verdachte zich tijdens de in de vonnissen vastgestelde proeftijden meermalen aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.

11 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 14h, 14i, 14j, 27, 45, 47 en 57 Sr.

12 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 primair, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1 primair het misdrijf: medeplegen van poging tot doodslag;
feit 2 het misdrijf: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

feit 3 het misdrijf: mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren, waarvan één (1) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte wordt verplicht om een ambulante behandeling bij Transfore, polikliniek De Tender te Deventer, of een soortgelijke instelling aan te gaan en af te ronden en dat hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte wordt verplicht om mee te werken aan begeleiding door Aveleijn, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

  • -

    draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoedingen

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 8.974,87 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
    26 december 2015, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 8.974,87 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 79 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 1] , voor een deel van € 1.312,15 niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 535,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf
    29 november 2015, voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 535,--ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 10 dagen zal worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

  • -

    bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer 2] , voor een deel van € 1.000,--

niet-ontvankelijk is in zijn vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 1.393,42 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf

6 december 2015;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 1.393,42 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 23 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerleggingen vonnis met parketnummer 05/821582/13, 05/841566/13 en 05/21633/14

parketnummer 05/821582/13: gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover

voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland van 15 april 2014, te weten van één (1) maand jeugddetentie;

parketnummer 05/841566/13: gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland van 11 februari 2014, te weten van honderdtwintig (120) dagen gevangenisstraf;

parketnummer 05/21633/14: wijst de vordering af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. H. Stam en mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van H.K.S. Feijer, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.

Bijlage bewijsmiddelen

Leeswijzer

Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de regiopolitie Oost-Nederland met nummer PL0600-2015582634 (blz. 1-372). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Wat betreft feit 1:

(1)

De verklaring van verdachte ter terechtzitting, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op zaterdagavond 25 december 2015 was ik bij discotheek [discotheek] aan de [adres] in Markelo. Ik was daar met mijn vrienden [verdachte] , [betrokkene] en [medeverdachte 1] . Ook de vriendin van [medeverdachte 1] , genaamd [vriendin medeverdachte 1] was bij ons. Ik droeg die avond een zwart T-shirt met korte mouw. Ik droeg die dag Nike’s met legerprint.

Ik weet dat er DNA materiaal van het slachtoffer op mijn beide schoenen is aangetroffen.

(2)

Het proces-verbaal verhoor van getuige [getuige 1] (pag. 82-88):

Ik begrijp dat u mij nog aanvullend wilt horen over de mishandeling die afgelopen zaterdag heeft plaatsgevonden op de parkeerplaats van [discotheek] in Markelo.

Nadat de dancing sloot zijn we naar de auto gelopen. Op een gegeven moment vertelde [naam] dat er bij de ingang van de parkeerplaats ruzie was. Hij vertelde dat er een groepje stond tegen 1 jongen. Ik zag ik dat er een jongen op de grond lag en dat hij werd geschopt door minimaal drie man. Ik heb niet gezien hoe die jongen op de grond terecht was

gekomen. Ik heb later van anderen gehoord dat hij was geslagen door de jongen met dat

witte shirt en meteen knock-out ging.

Toen ik daar heen rende zag ik dat een jongen met een zwart shirt schopte tegen het

lichaam van de jongen die op de grond lag.

De jongen die schopte had een zwart shirt met lange mouw aan. Hij schopte met kracht alsof hij in een voetbalwedstrijd een bal hard wilde wegschoppen. De jongen op de grond werd op zijn bovenlichaam geraakt en hij werd denk ik op zijn ribben geraakt. Dat ging echt hard. Die jongen op de grond lag stil op de grond en deed niks. Volgens mij was hij niet bij bewustzijn. Hij reageerde ook niet op die schop die hij kreeg. Die jongen met dat witte shirt schopte vervolgen keihard tegen het hoofd van de jongen die nog steeds stil op de grond lag. Ik zag dat het hoofd van die jongen naar achteren werd getrapt. Dat ging ook wel zo hard alsof er een voetbal keihard werd weggeschopt. De jongen werd echt vol in het gezicht geraakt. Tussen deze jongen met dat zwarte shirt met lange mouw en de jongen met dat witte shirt, stond nog een jongen met een zwarte T shirt met korte mouw. Deze jongen schopte hierop ook tegen de jongen die nog stil op de grond lag. Dat ging ook hard en met kracht. Ook nu reageerde de jongen op de grond niet.

(3)

Het proces-verbaal verhoor van de getuige [getuige 2] (pag. 99-102):

Op zaterdag 26 december 2015, omstreeks 03:00 uur, was ik aan de [weg]

te Markelo op de parkeerplaats recht tegenover [discotheek] . De afstand van mij ten opzichte van de plek waar de mishandeling heeft plaatsgevonden betrof ongeveer 20 meter. Ik had

goed zicht, niets hinderde mijn zicht, ik draag geen bril en ook geen lenzen.

Ik zag dat een (1) jongen op de grond lag, het slachtoffer. Ik zag dat hij meerdere

schoppen tegen zijn hoofd kreeg. Ik zag dat meerdere jongens dit deden. Ik zag dat er

zeker drie jongens om het slachtoffer heen stonden. Minimaal drie (3) schoppen tegen

zijn hoofd, kunnén er meer zijn. Het ging namelijk allemaal zo snel. Het waren

werkelijk waar harde schoppen.

Ik kan de jongens als volgt omschrijven die hebben geschopt.

Jongen 1:

- Wit t-shirt

- Kort donkerblond haar

- 1,78 m lang

- Stevig postuur

Jongen 2:

- Zwart t-shirt

- Donkere broek

- Donkerder haar dan jongen 1, wel blond en kort

- Langer dan jongen 1, 1,80 a 1,85 meter lang

- Stevig postuur

Dit waren de jongens met de grootste bek. Ik heb gezien dat beide jongens allebei hard hebben geschopt. Beide jongens hebben geschopt tegen het hoofd van het slachtoffer.

Over de derde jongen kan ik niet veel verklaren. Ik kan mij weinig herinneren over

hem. Ik heb mijn focus vooral op de andere twee jongens gehad. Ik heb hem wel zien

schoppen, maar niet waar hij het slachtoffer heeft geraakt.

Toen ik op ongeveer 5 meter afstand was zag ik dat alle drie jongens weg renden. Ik zag dat ze allemaal richting een auto rende. Ik zag dat ze ook alle drie in de auto gingen zitten.

(4)

Het proces-verbaal verhoor van verdachte [medeverdachte 2] (pag. 164-165):

Vraag: er zijn een aantal getuigen die verklaren dat op het moment dat de jongen op

de grond ligt hij driemaal getrapt is. Eenmaal door een jongen met een wit shirt.

Deze zou de jongen tegen het hoofd hebben getrapt, eenmaal door een jongen met een '

zwart shirt met lange mouwen tegen de borst en jij zou hierna de jongen ook tegen de

borst getrapt hebben. Hierna zou de jongen met het witte shirt nogmaals de jongen

tegen het hoofd getrapt hebben.

Antwoord: Het zou best kunnen dat ik dat wel gedaan heb, dat ik hem getrapt heb. Van [verdachte] zou het best kunnen dat hij natrapt. Hij houdt nooit op na 1 klap. Dat weet ik uit ervaring. Hij heeft namelijk zelf een keer een kameraad in elkaar geslagen en wist toen niet van ophouden.

(5)

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (pag. 127-130):

Op zondag, 27 december 2015, te 11.35 uur, werd door mij in het bureau van politie te

Goor nader gehoord, de getuige [getuige 1] , geboren te [geboorteplaats] op

[geboortedatum] en wonende [adres] te [woonplaats] .

Na de aanhouding zijn er foto's gemaakt van de verdachten en deze foto's zijn ons,

verbalisanten, voor het onderzoek ter beschikking gesteld.

Ik toonde hem daarop de foto die was gemaakt van de verdachte [betrokkene] , die daarop was

afgebeeld in een zwart shirt met lange mouw met een lichtgekleurde print aan de

voorzijde. Hij verklaarde daarbij dat hij deze jongen herkende als de bestuurder van

de auto en dat hij deze jongen niets had zien doen.

Hierna toonde ik hem de foto van de verdachte [medeverdachte 1] die daarop was afgebeeld met

een zwart shirt met lange mouw en hij verklaarde toen dat hij deze verdachte

herkende als de jongen die tegen het bovenlichaam van de op de grond liggende jongen

schopte en die hij in zijn verklaring omschrijft als de verdachte met het zwarte

shirt met lange mouw.

Ook toonde ik hem de foto van de verdachte [medeverdachte 2] die daarop staat afgebeeld met

een zwart T shirt met korte mouw. Hij verklaarde dat hij deze herkende als de

persoon die de op de grond liggende jongen keihard tegen het bovenlichaam schopte en

die hij in zijn verklaring omschrijft als de verdachte met het zwarte T shirt met

korte mouw.

Ook sprak hij in zijn verklaring over een verdachte in een wit shirt die de op de

grond liggende jongen twee keer keihard in het gezicht had geschopt. Hierover sprak

hij ook reeds in zijn ter plaatse opgenomen eerste verklaring en daarbij verwijst hij

naar de verdachte met een wit shirt die even daarvoor al was aangehouden en op dat

moment dan in de politieauto zit.

(6)

Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 21 maart 2016, opgemaakt door de deskundige dr. J.H.A. Nagel, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende:

op de buitenzijde van de neus en deel van de wreef van zowel de rechter- als de linkerschoen van verdachte [medeverdachte 2] is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen aangetroffen, te weten van het slachtoffer [slachtoffer 1] , van verdachte en van een onbekende persoon.