Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1923

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
11-05-2016
Datum publicatie
01-06-2016
Zaaknummer
C/08/175582 / HA ZA 15-444
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. Verknochtheid schuld.

Naar het oordeel van de rechtbank moet als uitgangspunt worden genomen dat de geldsom die de zoon bij zijn ouders heeft geleend, slechts betrekking had of heeft gehad op het voldoen aan verplichtingen die aan zijn zijde zijn ontstaan door de echtscheiding.

Uit de inhoud van de geldleningsovereenkomst blijkt dat de ouders nadrukkelijk geld aan hun eigen zoon hebben willen lenen, niet primair mede ten behoeve van gedaagde als zijn formele echtgenote, maar nu juist om hem in staat te stellen de procedure te voeren en op correcte wijze met gedaagde af te rekenen.

De rechtbank is van oordeel dat zich in dit bijzondere geval voordoet de verknochtheid van de schuld aan de zoon, zodat de schuld niet in de gemeenschap valt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2016-0153

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer : C/08/175582 / HA ZA 15-444

Vonnis van 11 mei 2016

in de zaak van

1 [eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiseres],

wonende te [woonplaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen [eiser] ,

advocaat: mr. M.J. Willemsen te Breda,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen [gedaagde] ,

advocaat: mr. J.A.A.M. Rupert te Haaksbergen.

1 Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de navolgende gedingstukken:

• inleidende dagvaarding van [eiser] met producties

• conclusie van antwoord met producties

• comparitievonnis van 25 november 2015

• akte overlegging producties door [eiser] van 8 maart 2016

• proces-verbaal van de comparitie van partijen van 8 maart 2016

Na afloop van de comparitie is bepaald dat vonnis zal worden gewezen. Het vonnis wordt per heden uitgesproken.

2 Vaststaande feiten

2.1

De zoon van [eiser] is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [gedaagde] . De zoon en [gedaagde] zijn feitelijk uit elkaar gegaan per 23 september 2010. De echtscheiding tussen beiden is uitgesproken per 21 september 2011, waarna de echtscheidingsbeschikking op 25 oktober 2011 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Tot op heden heeft nog geen formele boedelverdeling plaatsgevonden.

2.2

Op 27 november 2010 is tussen eisers, als ouders, en hun zoon een contract houdende een onderhandse lening ondertekend, waarvan de volledige inhoud luidt als volgt:

De kredietgever:

[eiser] en/of [eiseres] (…)

De kredietnemer:

[X] (…)

1. Doel van de lening.

De lening is bedoeld om de kredietnemer zijn koophuis te kunnen laten behouden ondanks de kosten van een lopende echtscheiding. Zoals uitkoop van de ex-echtgenote en advocaatkosten.

2. Hoofdsom

De kredietgever stelt aan de kredietnemer ter beschikking een bedrag van € 50.000, zegge vijftig duizend Euro, hierna te noemen de Hoofdsom. Het krediet komt ter beschikking door bijboekingen op rekening [xxxx] van de kredietnemer aangehouden bij de Rabobank te IJsselstein.

De hoofdsom zal in delen (naar behoefte van kredietnemer) worden overgemaakt, te beginnen eind november 2010 met het restant (als laatste termijn) zodra de helft van overwaarde van het huis van kredietnemer aan zijn ex-echtgenote wordt betaald.

3. Rente

De rente bedraagt 6 procent per jaar en wordt jaarlijks begin januari betaald, te beginnen in januari 2012.

4. Looptijd

De aflossing van de hoofdsom gebeurt met betalingen van € 1000, zegge duizend Euro, per maand. De betaling dient plaats te vinden per eerste van de maand, voor het eerst zodra [Y] , zoon van de kredietnemer) 21 jaar wordt en de kinderalimentatie is gestopt. De terugbetaling wordt opgeschort zolang er studiekosten voor de kinderen van kredietnemer groter dan € 500 per maand worden gemaakt.

5. Opzegging/Opeisbaarheid

Alle uit hoofde van de lening verschuldigde bedragen kunnen met onmiddellijke ingang worden opgeëist en de lening opgezegd zonder opgave van redenen.

2.3

Op 24 december 2013 is tussen de zoon en [gedaagde] in hoger beroep een beschikking gegeven door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin onder meer is overwogen:

5.13

In hoger beroep heeft de man de schuld aan zijn ouders nader onderbouwd (…) en hij becijfert deze schuld op de peildatum 25 oktober 2011 op € 65.483,93 inclusief rente. De man heeft hieraan geen conclusies verbonden (hij heeft zijn verzoek in hoger beroep niet geconcretiseerd of vermeerderd), zodat het hof hierop geen acht kan en zal slaan.

Als beslissing heeft het hof onder meer overwogen:

bepaalt dat partijen ieder voor de helft voor hun rekening dienen te nemen de schuld aan de ouders van de man op de peildatum 25 oktober 2011.

2.4

Ervan uitgaande dat de aan de zoon verstrekte geldlening onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap, heeft [eiser] bij brief van 21 januari 2015 aan [gedaagde] de lening opgezegd.

3 Standpunten van partijen

3.1

[eiser] is van oordeel dat de geldlening aan de zoon ook [gedaagde] regardeert, nu immers de geldlening is verstrekt tijdens het formele huwelijk van partijen en de betreffende schuld derhalve onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap. Waar het gerechtshof bij voornoemde beschikking heeft vastgesteld dat [gedaagde] de helft van de schuld voor haar rekening moet nemen, de schuld per de door het hof vastgestelde peildatum van 25 oktober 2011 berekend moest worden op € 65.483,93 en de geldlening aan [gedaagde] is opgezegd, is [gedaagde] in hoofdsom verschuldigd de helft van laatstgenoemd bedrag, zijnde euro 32.741,98. [eiser] vordert dan ook de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van dit bedrag, te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten, contractuele rente en proceskosten.

3.2

[gedaagde] betwist de verschuldigdheid gemotiveerd. Zij wijst erop dat de geldlening aan de zoon is verstrekt op een moment dat partijen feitelijk al geen gemeenschappelijke huishouding meer voerden. [gedaagde] woonde toen reeds in [plaats 1] en zij is bij het verstrekken van de geldlening aan de zoon in het geheel niet betrokken geweest. Het gerechtshof heeft niets bepaald over de omvang van de schuld aan de ouders van de zoon.
[gedaagde] betwist de juistheid van de berekening van de schuld, zoals die zou moeten blijken uit een door de zoon gemaakte opstelling, die als productie 3 aan de dagvaarding is gehecht. Bovendien betwist [gedaagde] dat de volledige som van € 50.000,- aan de zoon is verstrekt, al was het maar omdat aan [gedaagde] niet de overwaarde van de voormalige echtelijke woning is betaald, zodat de situatie als omschreven in de laatste volzin van artikel 2 van het leningscontract zich nog niet heeft voorgedaan.

3.3

[gedaagde] betwist voorts dat de leningsovereenkomst rechtsgeldig aan haar is opgezegd en dientengevolge betaling bij haar wordt opgeëist, nu artikel 4 van de leningsovereenkomst bepaalt dat aflossing pas vanaf het jaar 2030 noodzakelijk is. Opzegging heeft uitsluitend aan haar plaatsgevonden en kennelijk niet aan de zoon.

3.4

Zowel uit de tekst van de leningsovereenkomst als uit het overzicht dat als productie 3 bij dagvaarding is overgelegd, blijkt dat het leningsbedrag exclusief aan de zoon is verstrekt, juist om de kosten van de echtscheidingsprocedure en de betaling van de overwaarde van de woning aan [gedaagde] te financieren. Uit het als productie 3 overgelegde overzicht blijkt dan ook dat de zoon forse bedragen uit hoofde van advocaatkosten opvoert, zomede de kosten van de door hem gekochte auto en vele door hem gepinde bedragen. Ook wordt een bedrag opgevoerd voor de aankoop van een vouwwagen, die partijen evenwel hebben gekregen van de ouders van de zoon. [gedaagde] oordeelt dat zij niet gehouden kan zijn om de kosten van de echtscheidingsprocedure van de zoon mee te financieren en de advocaat van de zoon mee te betalen.

4 De beoordeling

4.1

[eiser] baseert de vordering op [gedaagde] onder meer op de beslissing van het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden van 24 december 2013, waarbij het gerechtshof heeft bepaald dat de zoon en [gedaagde] ieder voor de helft voor hun rekening moeten nemen de schuld aan de ouders van de zoon. [eiser] zelf is geen partij geweest bij de beslissing van
het hof, zodat hij niet rechtstreeks aanspraken op [gedaagde] aan die beslissing kan ontlenen. Bovendien lijkt het erop dat [eiser] miskent dat het gerechtshof geen oordeel heeft gegeven over de vraag of er een gemeenschappelijke schuld van de zoon en [gedaagde] aan de ouders bestond en zo ja, hoe hoog die schuld dan is. Het hof heeft zelfs nadrukkelijk overwogen geen acht te slaan op de berekening van de zoon, waaruit zou moeten volgen dat de schuld aan de ouders het bedrag van € 65.483,93 omvat.

4.2

Vast staat dat de geldleningsovereenkomst tussen zoon en [eiser] dateert van
27 november 2010, derhalve een datum waarop zoon en [gedaagde] nog formeel in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Zoon en [gedaagde] woonden op dat moment al niet meer samen. [gedaagde] woonde in [plaats 1] en de zoon in de voormalige echtelijke woning te [plaats 2] . Zowel uit hetgeen het gerechtshof met betrekking tot de schuld aan de ouders heeft bepaald, als uit het feit dat [eiser] de helft van de door hem gestelde omvang van de schuld op [gedaagde] wil verhalen, kan worden afgeleid dat aan de vordering ten grondslag ligt hetgeen werd bepaald in artikel 1:102 BW (oud), zijnde dat na ontbinding van de huwelijksgemeenschap de andere echtgenoot dan degene die de schuld is aangegaan voor de helft van de gemeenschapsschuld aansprakelijk is. Nu het huwelijk van zoon en [gedaagde] is ontbonden voor 1 januari 2012, zijn de bepalingen zoals die luidden voor de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen (Wet van 18 april 2011, staatsblad 2011, 205), van toepassing. Uitgangspunt is dan ook dat een schuldeiser (zoals in dit geval de ouders) hun vordering kunnen verhalen op zowel het gemeenschapsvermogen als het privé vermogen van de echtgenoot, die de schuld aanging. Na de ontbinding van de gemeenschap komt daar op grond van artikel 1:102 BW (oud) nog bij dat iedere echtgenoot voor 50% hoofdelijk aansprakelijk is voor de betaling van de gemeenschapsschulden die door de andere echtgenoot zijn aangegaan.

4.3

[gedaagde] betwist dat zij, ondanks het hiervoor kort samengevat wettelijke uitgangspunt, voor de onderhavige schuld aan de ouders aansprakelijk is, afgezien van de vraag hoe hoog die schuld de facto zal blijken te zijn. Zij stelt immers dat de schuld door de zoon is aangegaan, toen partijen al niet meer samenwoonden en zij in het geheel niet betrokken is geweest bij het aangaan van de schuld. Bovendien is de schuld nu juist aangegaan om de zoon in staat te stellen de kosten van de echtscheidingsprocedure te dragen en haar de overwaarde van de voormalige echtelijke woning te betalen. Dit verweer van [gedaagde] komt erop neer dat zij zich beroept op verknochtheid van de schuld aan de zoon.

4.4

In artikel 1:94 lid 1 BW is (nog steeds) bepaald dat vanaf het ogenblik van de voltrekking van het huwelijk sprake is van gemeenschap van goederen. Waar het gaat om de schulden, wordt in lid 5 van dit artikel benadrukt dat uitgangspunt is dat alle schulden van iedere echtgenoot in de gemeenschap vallen. Lid 3 van het artikel bepaalt evenwel in afwijking daarvan, dat goederen en schulden die aan een der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover die verknochtheid zich daartegen niet verzet. De wetswijzigingen per 1 januari 2012 hebben geen wijziging in het leerstuk van de verknochtheid aangebracht. Beoordeeld moet derhalve worden of de onderhavige door de zoon aangegane schuld bij zijn ouders, als een verknochte schuld moet worden aangemerkt.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank moet als uitgangspunt worden genomen dat de geldsom die de zoon bij zijn ouders heeft geleend, slechts betrekking had of heeft gehad op het voldoen aan verplichtingen die aan zijn zijde zijn ontstaan door de echtscheiding. Bij [eiser] was dit bekend op het moment dat het geldbedrag aan de zoon werd geleend. Hij wist dat de zoon kennelijk liquiditeiten nodig had om de kosten van de echtscheidingsprocedure te dragen en om [gedaagde] de overwaarde van de voormalige echtelijke woning te kunnen betalen. Uit de inhoud van de geldleningsovereenkomst blijkt dat de ouders nadrukkelijk geld aan hun eigen zoon hebben willen lenen, niet primair mede ten behoeve van [gedaagde] als zijn formele echtgenote, maar nu juist om hem in staat te stellen de procedure te voeren en op correcte wijze met [gedaagde] af te rekenen. De vraag of een schuld verknocht is aan een der echtgenoten en daardoor niet in de gemeenschap valt, kan slechts in bijzondere gevallen bevestigend worden beantwoord. Die beantwoording is in verband met het hiervoor reeds gestelde over de werking van artikel 1:102 BW immers direct van invloed op de positie van derden. In dit geval zijn de ouders echter aan te merken als direct betrokken derden, die wisten met welk doel zij geld aan hun zoon leenden en vanzelfsprekend wisten van de echtscheiding op het moment dat zij het geld uitleenden.

4.6

De rechtbank oordeelt dan ook dat zich in dit bijzondere geval voordoet de verknochtheid van de schuld aan de zoon, zodat de schuld niet in de gemeenschap valt. De rechtbank acht daartoe de navolgende feiten reden gevend:

• Zoon en ouders hebben in lid 1 van de geldleningsovereenkomst nadrukkelijk het doel van de lening omschreven. De bedoeling was om de zoon zijn koophuis te kunnen laten behouden, ondanks (de kosten van) een lopende echtscheiding. Nadrukkelijk is zelfs genoemd dat de lening zou kunnen worden aangewend voor uitkoop van [gedaagde] en voor het betalen van zijn advocaatkosten.

• Krachtens lid 2 van de overeenkomst zou het geldbedrag in termijnen worden betaald, waarvan het restant zodra de helft van de overwaarde van het huis van de zoon aan
[gedaagde] (zou worden) betaald.

• Blijkens lid 4 van de overeenkomst is de aflossingsverplichting in beginsel verplaatst naar de (verre) toekomst. Betaling in maandtermijnen zou pas behoeven aan te vangen, zodra de (klein) zoon [Y] 21 jaar wordt en de kinderalimentatie is gestopt. En zelfs dan wordt terugbetaling opgeschort zolang er studiekosten voor de kinderen van de zoon zijn, die groter zijn dan € 500,- per maand. Met name dit artikel 4 is geheel toegeschreven op de zoon en beoogt kennelijk hem pas te houden aan terugbetaling indien en zodra hij geen kinderalimentatie meer behoeft te betalen en er geen sprake meer is van al te grote studiekosten.

• [gedaagde] wordt niet met zoveel woorden in de overeenkomst genoemd. Onweersproken is dat zij niet bij het aangaan van de geldlening betrokken is geweest, daarmee niet heeft ingestemd of op andere wijze toestemming heeft gegeven.

4.7

Ongeacht het antwoord op de vraag in hoeverre de zoon in de verhouding tot [gedaagde] de gevolgen van de geldlening zou moeten dragen, zou toewijzing van de vordering van [eiser] impliceren dat [gedaagde] in feite de echtscheidingskosten van de zoon en de haar wellicht toekomende overwaarde van de voormalige echtelijke woning tenminste voor 50% zelf zou moeten voorschieten. Nu evenwel de schuld een aan de zoon verknochte schuld is en dan ook niet in de gemeenschap valt, terwijl [eiser] dat bij het verstrekken van de geldlening wist of kon weten, doet die situatie zich niet voor. [gedaagde] is derhalve, naar de rechtbank concludeert, niet gehouden om de helft van het geldleningsbedrag en de helft van de aan haar in rekening gebrachte rente te dragen. Van het door [eiser] gevorderde bedrag is derhalve reeds een som van (€ 50.000,- + € 1.756,69 : 2) € 25.878,35 niet voor toewijzing vatbaar.

4.8

[eiser] vordert meer dan het in het geldleningscontract genoemde bedrag in hoofdsom van € 50.000,-. Verminderd met de tevens gevorderde rente over laatstgenoemde hoofdsom berekent [eiser] immers dat hij dan nog steeds per saldo heeft te vorderen een bedrag van

€ 13.727,24, waarvan derhalve 50% omvat een bedrag van € 6.863,62. De bedragen zouden moeten volgen uit een overzicht dat als productie 3 aan de dagvaarding is gehecht. [gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van een geldlening aan de zoon voor de terugbetaling waarvan zij mede aansprakelijk is. Uit de staffel die als productie 3 is overgelegd, kan de rechtbank niet afleiden dat het daarbij zou gaan om bedragen die ten titel van geldlening zijn verstrekt. De staffel kent vele kleine gepinde geldbedragen, rept over vakantiegeld, kerstuitgaven en autohuur en vermeldt een bedrag ten behoeve van de aankoop van een vouwwagen. Enig verband met een geldlening ontbreekt. De rechtbank stelt vast dat de vordering voor het meerdere dan ook in zoverre iedere onderbouwing ontbeert en dat door [eiser] dan ook niet danwel onvoldoende is voldaan aan zijn stelplicht. Dit leidt tot het oordeel dat de vordering van [eiser] dan ook niet voor toewijzing vatbaar is. De vordering wordt derhalve afgewezen terwijl [eiser] als in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moet dragen.

De beslissing

De rechtbank:

I. Wijst af de vorderingen van [eiser] .

II. Veroordeelt [eiser] tot betaling aan [gedaagde] van de kosten van deze procedure welke kosten aan haar zijde worden begroot op € 78,- aan verschotten en € 1.158,- aan kosten van de advocaat.

III. Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. G.G. Vermeulen en is op 11 mei 2016 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.