Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:179

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-01-2016
Datum publicatie
25-01-2016
Zaaknummer
C/08/180545 / KG ZA 15-417
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:3606, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag op bankrekeningen en afwijzing vordering ex 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/180545 / KG ZA 15-417

Vonnis in kort geding van 19 januari 2016

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 2],

gevestigd te [woonplaats 2] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DOUBLE D B.V.,

gevestigd te Hengelo,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLYMPIC GYM B.V.,

gevestigd te Hengelo,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLYMPIC GYM TUBBERGEN B.V.,

gevestigd te Tubbergen,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OLYMPIC GYM ENSCHEDE B.V,

gevestigd te Enschede,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

K1 ENSCHEDE B.V.,

gevestigd te Hengelo (O),

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 8],

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisers,

advocaat mr. J.M. Wagenaar te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J. Meuleman te Amsterdam.

Eiser sub 1 zal worden aangeduid als [eiser 1] , eisers sub 1 tot en met 8 zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eiser 1] c.s. en gedaagde zal worden aangeduid als De Bank.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 15

  • -

    de producties 16 en 17 aan de zijde van [eiser 1] c.s.

  • -

    de producties 1 tot en met 15 en 17 tot en met 21 aan de zijde van de Bank

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser 1] c.s.

  • -

    de pleitnota van de Bank.

1.2.

Het vonnis wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

De Bank heeft bij kredietovereenkomst van maart 2005 een krediet (hierna: de privé kredietfaciliteit) aan [eiser 1] verstrekt van in totaal € 928.532,--, bestaande uit:

- een 10-jarige lening A van € 450.000,-- (pro resto)

- een 10-jarige lening B van € 100.000,-- (pro resto)

- een 25-jarige lening van € 248.532,-- (pro resto)

- een 10-jarige lening C van € 130.000,--.

2.2.

In maart 2006 heeft de Bank aan [eiser 1] een rekeningcourantkrediet (hierna: de privé-RC) van € 50.000,-- ter beschikking gesteld.

2.3.

De Bank heeft bij kredietovereenkomst van 11 april 2011 een krediet (hierna: de zakelijke kredietfaciliteit) van € 1.951.019,-- verstrekt aan onder meer de eisers sub 1 tot en met 6 en 8, verder te noemen [eiser 2] c.s., de vennootschappen die beheerst worden door [eiser 1] , bestaande uit:

  • -

    een rekening-courant krediet van € 135.000,--

  • -

    een 25-jarige EURIBOR lening van € 1.058.955,-- (pro resto)

  • -

    een 10-jarige EURIBOR lening I van € 600.000,-- (pro resto)

  • -

    een 10-jarige EURIBOR lening II van € 157.064,-- (pro resto).

2.4.

Op advies van de Bank is [eiser 2] in 2006 als onderdeel van de zakelijke kredietfaciliteit een renteswap aangegaan. Met ingang van 1 oktober 2010 is [eiser 2] een nieuwe renteswap aangegaan, die afliep op 1 januari 2016.

2.5.

Tot zekerheid van al hetgeen de Bank te enigertijd, uit welken hoofde dan ook, van [eiser 1] en [eiser 2] c.s. te vorderen zou hebben, heeft de Bank:

voor de privé-kredietfaciliteit en de privé-RC:

- een eerste recht van hypotheek op het registergoed aan de [adres 1] te [plaats 1]

- een tweede recht van hypotheek op de registergoederen (het woonhuis van [eiser 1] en zijn echtgenote) aan de [adres 2] te [plaats 2] , (het eerste recht van hypotheek van € 750.000,-- is verleend ten gunste van de ING Bank N.V.)

en voor de zakelijke kredietfaciliteit:

- het eerste recht van hypotheek op de registergoederen aan de [adres 3] te [plaats 1] ,

- een borgstelling van [eiser 1] ad € 100.000,--, gedekt door het eerste recht van hypotheek op het registergoed aan de [adres 1] te [plaats 1]

- het eerste recht van hypotheek op de registergoederen aan de [adres 4] te [plaats 3]

- het eerste pandrecht op de voorraden, inventaris en vorderingen op derden van [eiser 2] c.s.

- een pandrecht op de vorderingen uit hoofde van de huurovereenkomsten van [eiser 1] .

2.6.

Op 9 mei 2014 zijn partijen een reductieregeling overeengekomen, die - voor zover hier van belang - luidt:

‘Kredietregeling

In aanvulling op de kredietovereenkomst d.d. 08 maart 2006 inzake de heer [eiser 1] zal op basis van het aangeleverde aflossingsschema de komende periode de volgende rekening courant limieten worden gehandhaafd:

- April 2014 EUR 91.500,=

- Mei 2014 EUR 88.700,=

- Juni 2014 EUR 85.700,=

- Juli 2014 EUR 82.700,=

- Augustus 2014 EUR 75.200,=

- September 2014 EUR 67.700,=

- Oktober 2014 EUR 60.200,=

- November 2014 EUR 52.700,=

- December 2014 EUR 45.200,=

- Januari 2015 EUR 40.000,=

- Vanaf februari 2015 zal de rekening courant met EUR 3.000,= per maand reduceren tot nihil.

In aanvulling op de kredietovereenkomst d.d. 11 april 2011 inzake [eiser 2] zal op basis van het aangeleverde aflossingsschema de komende periode de volgende rekening courant limieten worden gehandhaafd:

Vanaf juni 2014 zal de rekening courant met EUR 5.000,= per maand reduceren tot nihil’.

2.7.

De Bank heeft [eiser 1] bij brief van 27 oktober 2014 gewaarschuwd voor het expireren van de twee 10-jarige leningen A en B uit het privé-krediet per 1 januari 2015. De 10-jarige lening C uit het privékrediet is geheel afgelost.

2.8.

Partijen zijn vervolgens in gesprek gegaan over herfinanciering van zowel de zakelijke als de privé financiering. De Bank stelde als voorwaarde voor de continuering van de 10-jarige leningen onder het privé-krediet:

- dat er een cross default bepaling zou worden opgenomen tussen de privé-kredieten en alle zakelijke kredieten

- dat [eiser 1] zich hoofdelijk zou verbinden voor zowel de door de Bank aan [eiser 1] in privé verstrekte kredieten, als de zakelijke (aan [eiser 2] c.s.) verstrekte kredieten.

2.9.

Partijen zijn het niet eens geworden over de voorwaarden voor herfinanciering.

2.10.

Bij brieven van 4 februari 2015 heeft de Bank de aan [eiser 1] en [eiser 2] verstrekte rekening-courantkredieten opgezegd en hen gesommeerd die kredieten uiterlijk 20 februari 2015 terug te betalen.

2.11.

Bij brief van 19 februari 2015 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de gronden voor de opzegging - waaronder het niet, niet tijdig of niet volledig verstrekken van informatie waarom de Bank had verzocht - betwist en deze als onrechtmatig bestempeld. In de brief wordt tevens gevraagd om informatie waaronder:

- het dossier ten aanzien van de renteswap, waaronder het cliëntprofiel

- jaaroverzichten van alle rentebetalingen onder de kredietfaciliteit en de renteswap

- jaaroverzichten van de ontwikkelingen van de marktwaarde van de renteswap

- de meest recente opgaven van het uitstaande bedrag onder de kredietfaciliteit en de marktwaarde van de renteswap

- onderbouwing van de toegepaste verhoging van renteopslag

- de analyse ten aanzien van de zekerheidspositie in combinatie met de voorwaarden inzake het voorstel herfinanciering.

2.12.

Omdat [eiser 1] en [eiser 2] niet aan die sommatie, zoals verwoord onder 2.10. hebben voldaan, heeft de Bank bij brieven van 23 februari 2015 de aan [eiser 1] en [eiser 2] verstrekte leningen opgezegd en hen gesommeerd de bedragen van die leningen uiterlijk 9 maart 2015 aan de Bank te voldoen. Aan deze sommatie is niet voldaan.

2.13.

In maart of april 2015 heeft de Bank haar pandrecht met betrekking tot de huurinkomsten van het pand aan de [adres 1] te [plaats 1] openbaar gemaakt. [eiser 1] loopt sindsdien de cashflow mis.

2.14.

Partijen verwijten elkaar over en weer dat zij nalaten stukken en/of informatie aan te leveren waarom specifiek is gevraagd.

2.15.

Op 5 oktober 2015 heeft de Bank ten laste van [eiser 1] conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen bij SNS Bank N.V., Rabobank Centraal Twente, ING Bank N.V., Rabobank Twente Oost en Rabobank Noord en West Twente.

2.16.

Op 2 november 2015 heeft de Bank ten laste van [eiser 2] c.s. conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen bij Rabobank Twente Oost, SNS Bank N.V. Rabobank Centraal Twente, Rabobank Noord en West Twente, Van Lanschot Bankiers N.V. en ING Bank N.V.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] c.s. vorderen samengevat - op straffe van verbeurte van afzonderlijke dwangsommen, gesteld op de niet nakoming van de afzonderlijke vorderingen:

- de opheffing van alle ten laste van [eiser 1] en [eiser 2] c.s. op hun bankrekeningen gelegde conservatoire beslagen

  • -

    de Bank te verbieden over te gaan tot het leggen van nieuwe (conservatoire) beslagen

  • -

    de Bank te veroordelen om de openbaarmaking van het pandrecht op de huurinkomsten ongedaan te maken

  • -

    de Bank te veroordelen tot afgifte aan [eiser 1] en/of [eiser 2] c.s. van de onder punt 51 van de dagvaarding opgenomen bescheiden, dan wel de bescheiden die de rechtbank redelijk acht.

Daarnaast vorderen [eiser 1] c.s. veroordeling van de Bank in de kosten van deze procedure, waaronder de (daadwerkelijke / redelijke) kosten van rechtsbijstand.

3.2.

De Bank voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het door [eiser 1] c.s. gestelde spoedeisend belang voort uit de aard van het gevorderde.

De conservatoire beslagen en het pandrecht

4.2.

Volgens art. 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, NJ 1997/481). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hier aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

Ondeugdelijkheid ingeroepen recht

4.3

De voorzieningenrechter begrijpt dat [eiser 1] c.s. aan hun vordering tot opheffing van de op de bankrekeningen gelegde beslagen ten grondslag leggen dat de vorderingen waarvoor de beslagen zijn gelegd, ondeugdelijk zijn. De opzegging van de kredietfaciliteiten is volgens [eiser 1] c.s. buitenproportioneel en onrechtmatig.

4.4.

[eiser 1] c.s. stellen dat, conform de voorwaarden van de kredietovereenkomst van maart 2005, de twee 10-jarige leningen A en B van de privékredietfaciliteit doorgerold dienden te worden. Bij de tussen partijen daarover gevoerde onderhandelingen stelde de Bank volgens [eiser 1] c.s. onredelijke voorwaarden, die [eiser 1] niet heeft geaccepteerd. Daarop heeft de Bank alle leningen opgeëist en deze in de privé-RC geboekt, waardoor er een ongeoorloofde debetstand op de privé-RC is ontstaan. De bank heeft aldus zelf een opzeggingsgrond gecreëerd, zo stellen [eiser 1] c.s.

4.5.

Deze opzegging heeft vervolgens in de visie van [eiser 1] c.s. de trigger gevormd voor het opzeggen van de zakelijke kredietfaciliteit. [eiser 1] c.s. betwisten dat sprake is van een overstand op de zakelijke-RC. De Bank stelt volgens [eiser 1] c.s. in de opzeggingsbrief dat de stand op de zakelijke RC € 68.938,72 was. [eiser 1] wijst erop dat de oorspronkelijke limiet op de zakelijke RC € 135.000 was, waarbij in de zakelijke kredietfaciliteit tussen partijen was overeengekomen dat deze zou worden teruggebracht tot € 100.000. Er was, aldus [eiser 1] c.s., ten tijde van de opzegging dus nog een kredietruimte van € 31.061,28. De Bank doet in de visie van [eiser 1] ten onrechte voorkomen dat er tussen partijen een nieuwe overeenkomst zou bestaan ten aanzien van de limiet op de zakelijke-RC. Volgens [eiser 1] c.s. was slechts sprake van een voornemen van [eiser 2] c.s. om de kredietlimiet op de Zakelijke RC binnen een redelijke termijn, namelijk voor eind 2015 te reduceren.

4.6.

Gelet op het door het bank in het geding gebrachte e-mail-bericht van 9 mei 2014, waarin een kredietregeling is opgetekend, zoals verwoord onder 2.6., die door [eiser 1] is ondertekend, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een tussen partijen gesloten reductieovereenkomst en niet slechts van een voornemen tot reduceren van het limiet van [eiser 2] c.s.

4.7.

Daar waar [eiser 1] c.s. ervan uitgaan dat ten tijde van het opzeggen van de zakelijke kredietfaciliteit sprake was van een kredietlimiet van € 100.000,--, en dus van kredietruimte, hanteren zij naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een foutief uitgangspunt. Zoals de Bank terecht opmerkt is de reductieovereenkomst van 9 mei 2014 gemaakt in aanvulling op de kredietovereenkomst van 11 april 2011, waarin is bepaald dat het krediet met € 5.000,-- per maand zal worden verlaagd tot € 100.000,--, voor het eerst op 1 mei 2011. Dit impliceert dat dit verlaagde kredietplafond is bereikt op 1 november 2011 en dat dit de kredietlimiet is die conform de reductieovereenkomst van 9 mei 2014 maandelijks met € 5.000,-- tot nihil wordt gereduceerd. Hieruit volgt dat 9 maanden later, toen op 4 februari 2015 de zakelijke kredietfaciliteit door de Bank werd opgezegd, de kredietlimiet € 45.000 minder, dus nog € 55.000,-- bedroeg. Hoewel partijen van mening verschillen over de exacte stand van de zakelijke-RC ten tijde van de opzegging, is in beide gevallen sprake van een overstand op de zakelijke-RC.

4.8.

Door de Bank is onbetwist gesteld dat de overstanden in beginsel voor de Bank een opzeggingsgrond vormen en dat door de opzeggingen het totaal van onder de kredietfaciliteiten openstaande bedragen geheel opeisbaar wordt. De overige door [eiser 1] c.s. aangevoerde argumenten op grond waarvan de opzegging van de kredietfaciliteiten onrechtmatig zou zijn, worden door de Bank gemotiveerd betwist. De vraag wie gelijk heeft, kan in het kader van dit kort geding, dat zich niet leent voor een diepgravend onderzoek naar de juistheid van de over en weer ingenomen stellingen, niet worden beantwoord. Bij deze stand van zaken, kan niet worden geconcludeerd dat [eiser 1] c.s. summierlijk hebben doen blijken van de ondeugdelijkheid van de vordering die de Bank op hen stelt te hebben, zodat hierin geen grond voor opheffing van het beslag kan worden gevonden.

Beslag onnodig

4.9.

[eiser 1] c.s. stellen tevens dat het beslag onnodig is, omdat zij voldoende verhaal bieden. De totale betwiste vordering van de Bank bedraagt volgens [eiser 1] c.s. € 2.401.196,34, maar beloopt volgens de Bank € 2.478.335,12. Wie gelijk heeft kan in dit kort geding in het midden blijven, maar zal in een bodemprocedure aan de orde dienen te komen. Volgens [eiser 1] c.s. bedraagt de totale taxatiewaarde van alle inventaris

€ 3.353,000. De executiewaarde daarvan bedraagt € 670.600,--. De gecorrigeerde onderhandse verkoopwaarde van het onroerende goed (ex het parkeerterrein [adres 3] en overwaarde privé woning) bedraagt volgens [eiser 1] op basis van een door Thoma Post Makelaars op 30 november 2015 uitgevoerde taxatie c.s. € 3.161,750,--. De executiewaarde daarvan is € 2.213.000,--. Aangezien de totale onderhandse verkoopwaarde van de zakelijke zekerheden circa € 6.514.750,-- bedraagt, is er in de ogen van [eiser 1] c.s. sprake van een riante overdekking van circa € 4.113.554,--.

4.10.

Anders dan [eiser 1] c.s. stellen, is voor de vraag of een bank tot kredietopzegging mag overgaan bepalend wat de executiewaarde van de zekerheden is. Deze executiewaarde wordt thans door makelaars en banken aangeduid als de marktwaarde onder bijzondere omstandigheden. Gemakshalve zal hier nog de term executiewaarde worden gehanteerd. Volgens de Bank bedragen de executiewaardes van de registergoederen aan de [adres 2] te [plaats 2] , [adres 3] / [adres 1] te [plaats 1] en de [adres 4] te [plaats 3] in totaal € 1.600.000,--. Zij baseert zich daarbij op taxatierapporten van eind 2014, die volgens [eiser 1] c.s. te oud zijn om daaraan nog waarde te kunnen toekennen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen deze rapporten echter in het kader van deze kort gedingprocedure wel ter indicatie van de waarde van het onroerend goed dienen. De Bank heeft op haar beurt vraagtekens gezet bij de door Thoma Post Makelaars eind 2015 toegekende taxatiewaardes, omdat de taxaties in opdracht van [eiser 1] c.s. zijn uitgevoerd ten behoeve van een eventuele herfinanciering. Daardoor zouden de taxatiewaardes wellicht hoger zijn uitgevallen. Zoals de bank terecht heeft opgemerkt is ook de door Thoma Post getaxeerde executiewaarde van de registergoederen niet voldoende om de vordering van de Bank te voldoen.

4.11.

Ook over de waarde die aan de inventaris - die met name uit fitnessapparatuur bestaat - moet worden toegekend, bestaat tussen partijen verschil van mening. [eiser 1] c.s. gaan uit van een executiewaarde van € 670.600,--, terwijl de Bank een dekkingswaarde van € 173.000,-- hanteert. De achterliggende gedachte bij de Bank is dat het uitgangspunt voor de berekening van het door [eiser 1] c.s. berekende bedrag is geweest de vervangingswaarde van de inventaris, terwijl dat bij het uitwinnen van het pandrecht van de Bank geen reëel uitganspunt is. Dit komt de voorzieningenrechter niet onlogisch voor. Daarnaast is door de Bank, ter onderbouwing van haar stelling dat zij betwijfelt of de inventaris bij openbare verkoop wel € 670.6000,-- zal opbrengen, onbetwist gesteld dat de markt voor tweedehands fitnessapparatuur is verzadigd.

4.12.

Gelet op het vorenstaande zijn [eiser 1] c.s. er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat het beslag onnodig is gelegd omdat er voldoende zekerheden zijn verstrekt. Ook hierin kan thans geen grond voor opheffing van het beslag worden gevonden.

Belangenafweging

4.13.

Het is evident dat de gelegde beslagen en het openbaar maken van het pandrecht op de huurinkomsten voor [eiser 1] c.s. grote gevolgen hebben voor de exploiteren van de ondernemingen, aangezien de inkomsten alleen, dan wel nagenoeg volledig, op de beslagen bankrekeningen binnenkwamen. Alhoewel ter zitting onbetwist door de Bank is gesteld dat [eiser 1] c.s. inmiddels een deel van de geldstroom omleiden, acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat [eiser 1] c.s. moeite hebben om aan hun betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, nu zij niet meer over de zakelijke en privé-RC kunnen beschikken. Dat [eiser 1] c.s. belang hebben bij het opheffen van de beslagen en het ongedaan maken van de openbaarmaking van het pandrecht op de huurpenningen, staat buiten kijf. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wegen de belangen van de Bank bij het handhaven van de beslagen echter zwaarder dan de belangen van [eiser 1] c.s. bij opheffing van die beslagen. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [eiser 1] c.s. een door hen zelf geïnitieerde reductieovereenkomst niet nakomen, waardoor er ook op de zakelijke-RC een overstand is ontstaan. Dit lijkt, ondanks de winst die [eiser 1] c.s. in 2014 en 2015 op groepsniveau stellen te hebben gemaakt, te duiden op het bestaan van financiële problemen.

4.14.

Dit alles brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de beslagen, ook vanwege de aard van het conservatoir beslag, vooralsnog worden gehandhaafd.

4.15.

In de omstandigheid dat [eiser 1] c.s. niet hebben bestreden dat zij geldstromen omleiden, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het door de Bank openbaar maken van haar pandrecht op de huurpenningen niet onrechtmatig te achten. De gevorderde ongedaanmaking van het openbaarmaking van het pandrecht zal – zo al mogelijk – dan ook worden afgewezen.

Het verzoek tot bescheiden

4.16.

Ingevolge artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan hij die daarbij belang heeft inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze bescheiden onder zich heeft.

4.17.

Op grond van voornoemd wetsartikel vorderen [eiser 1] en [eiser 2] c.s. de Bank te veroordelen tot afgifte aan hen van de volgende bescheiden, informatie en/of stukken:

a. De Oorspronkelijke Renteswap overeenkomst / bevestiging van 2006.

b. Het cliëntprofiel inzake de Oorspronkelijke Renteswap van 2006.

c. Het onderzoek van ABN AMRO naar de geschiktheid voor de onderneming voorafgaand aan (1) de Oorspronkelijke Renteswap 2006 en (2) de Nieuwe Renteswap.

d. Het passend advies en/of advies inzake alternatieve renteopties met betrekking tot de

Zakelijke Kredietfaciliteit voorafgaand aan (1) de Oorspronkelijke Renteswap en (2) de

Nieuwe Renteswap.

e. Het in niet voor misverstand vatbare bewoordingen waarschuwen voor de kenmerken en

risico’s van de swap voorafgaand aan (1) de Oorspronkelijke Renteswap en (2) de Nieuwe

Renteswap.

f. Bewijs inzake het vergewissen dat de cliënt een en ander (risico’s) ook daadwerkelijk heeft begrepen voorafgaand aan (1) de Oorspronkelijke Renteswap en (2) de Nieuwe Renteswap.

g. Opgave van (eventueel) door de bank doorgevoerde renteopslag verhogingen inzake (1) de Privé Kredietfaciliteit en (2) de Zakelijke Kredietfaciliteit.

h. Opgave van de negatieve marktwaarde van de Oorspronkelijke Renteswap ten tijde van het aangaan van de Nieuwe Renteswap.

i. Bewijs hoe de negatieve marktwaarde van de Oorspronkelijke Renteswap is afgewikkeld

en/of betaald en/of verwerkt in de Nieuwe Renteswap.

j. Opgave van de huidige negatieve marktwaarde van de Nieuwe Renteswap, dan wel de

negatieve marktwaarde daarvan op datum settlement.

k. Gespecificeerde opgave van alle rente en kosten die in rekening zijn gebracht onder de

Oorspronkelijke Renteswap en/of de Nieuwe Renteswap.

1. Gespecificeerde opgave van alle rente, rentetarieven en kosten die in rekening zijn gebracht onder de Privé Kredietfaciliteit en de Zakelijke Kredietfaciliteit, waaronder eventuele boetes inzake de opzegging daarvan.

m. De mededeling (brief) van ABN AMRO inzake het openbaar maken van het pandrecht

huurinkomsten aan de relevante wederpartij(en).

4.17.

Ter zitting hebben [eiser 1] c.s. de vordering tot afgifte van de onder m. genoemde mededeling/brief laten vallen, zodat deze geen bespreking behoeft.

4.18.

Aan de vordering van de overige bescheiden / informatie leggen [eiser 1] c.s. ten grondslag dat [eiser 1] en [eiser 2] c.s een contractuele rechtsverhouding met de Bank hebben onder respectievelijk de privé kredietfaciliteit, de zakelijke kredietfaciliteit en de swapovereenkomsten. De Bank heeft beide kredietfaciliteiten volledig opgeëist, de Bank heeft het pandrecht op de huurinkomsten openbaar gemaakt en in twee rondes beslag gelegd op alle bankrekeningen van [eiser 1] en [eiser 2] c.s. en heeft laatstgenoemde gedagvaard in een bodemprocedure daaromtrent. Derhalve stellen [eiser 1] c.s. thans een urgent belang te hebben om de bescheiden te ontvangen, om zo hun rechtspositie ten opzichte van en de schade jegens de bank te bepalen. Zonder die bescheiden worden zij naar hun zeggen onredelijke beperkt en/of benadeeld in hun rechtspositie en belangen. De Bank beschikt volgens [eiser 1] c.s. over deze bescheiden, althans, zou daarover moeten beschikken, mede op grond van haar contractuele en wettelijke administratieplicht en zorgplicht. De Bank heeft geen redelijk belang om deze stukken achter te houden, aldus [eiser 1] c.s.

4.19.

De Bank voert verweer en stelt met betrekking tot het onder l. gevorderde dat de rentetarieven blijken uit de kredietovereenkomsten en de in rekening gebrachte rente, die conform de overeengekomen rentetarieven is. De rente blijkt uit de telkens aan [eiser 1] c.s. verzonden en door hem ook ontvangen rekeningafschriften, die ook via internetbankieren te raadplegen zijn. Boeterentes zijn nimmer in rekening gebracht, zodat daarvan geen stukken zijn te verstrekken. De Bank heeft in december 2015 aangeboden [eiser 1] c.s. tegen vergoeding van de daarmee gemoeide kosten, kopieën van alle rekeningafschriften te zenden, maar op dat aanbod zijn [eiser 1] c.s. niet ingegaan.

4.20.

[eiser 1] c.s. hebben ter zitting te kennen gegeven dat de rentetarieven, evenals de rentepercentages niet in de afschriften staan die zijn ingebracht. Op de afschriften staat enkel vermeld wat er per maand of kwartaal is afgeboekt aan rentekosten. Daarbij is van de zijde van [eiser 1] c.s. nog opgemerkt dat met internetbankieren slechts de gegevens tot van maximaal 1,5 jaar geleden geraadpleegd kunnen worden.

4.21.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Bank aannemelijk gemaakt dat de informatie die [eiser 1] c.s. van de Bank vorderen, door [eiser 1] c.s. zijn te herleiden uit het samenstel van de kredietovereenkomsten en de bankafschriften, die [eiser 1] destijds ter beschikking zijn gesteld en die thans (deels) nog steeds online beschikbaar zijn. Als [eiser 1] c.s. niet meer over al die gegevens beschikken of kunnen beschikken, kom dat voor hun rekening en risico. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het door [eiser 1] c.s. niet betwiste aanbod van de Bank om de bankafschriften tegen vergoeding van de kosten aan [eiser 1] c.s. ter beschikking te stellen, redelijk. Nu de Bank dit aanbod ter zitting heeft herhaald, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het onder l. gevorderde af te wijzen.

4.22.

Met betrekking tot de onder a – k gevorderde stukken, heeft de Bank zich op het standpunt gesteld dat deze allen betrekking hebben op de renteswap van 2006 en 2010. Alle gevraagde stukken die betrekking hebben op de renteswap van 2010 en de brief van

10 januari 2006, dat het enige stuk is dat de Bank met betrekking tot het rentederivaat van 2006 heeft kunnen vinden, heeft de Bank naar haar zeggen reeds op 20 maart 2015 – en daarna op verzoek nog twee keer - aan de advocaat van [eiser 1] c.s. toegezonden. Stukken waarover de Bank niet beschikt kan zij ook niet afgeven, aldus de Bank. Dat geldt eveneens voor het onder g gevorderde: omdat de Bank geen renteopslagverhogingen heeft doorgevoerd, bestaan daarvan ook geen stukken die kunnen worden verstrekt.

4.23.

De voorzieningenrechter volgt de Bank in haar verweer dat wat er niet is, ook niet kan worden afgegeven. De beantwoording van de vraag of de Bank, mede op grond van haar contractuele en wettelijke administratieplicht en zorgplicht over deze bescheiden had moeten beschikken, en indien dit het geval is, wat de consequenties zijn van het daarover niet langer beschikken, gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Het onder a – k gevorderde zal dan ook reeds hierom worden afgewezen. Derhalve kan in het midden blijven of aan de overige voorwaarden zoals neergelegd in artikel 843a Rv is voldaan.

4.24.

[eiser 1] c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Bank worden begroot op:

- griffierecht € 619,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.435,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser 1] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van de Bank tot op heden begroot op € 1.435,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.G. Vermeulen en in het openbaar uitgesproken op

19 januari 2016.1

1 type: coll: