Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1765

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-04-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
C/08/182255 / FA RK 16-281
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van family-life maar wel van private-life, zodat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot het vaststellen van de omgangsregeling. Het recht van de biologische vader tot toegang tot het kind kan een belangrijk onderdeel betreffen van de identiteit van de vader en daarmee van zijn private-life. Het weigeren van omgang betekent in dit geval inmenging in zijn recht op private-life.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/182255 / FA RK 16-281 (SL(O)

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 13 april 2016

inzake

[verzoeker 1] ,

verder ook de man of de vader te noemen,

wonende te [A] ,

thans wonende te [woonplaats 1] ,

verzoeker,

advocaat: mr. M.E.W. van Harskamp,

en

[belanghebbende] ,

verder ook de vrouw of de moeder te noemen,

wonende te [woonplaats 2] , [adres] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer.

Het procesverloop

Bij op 4 februari 2016 ter griffie ingekomen verzoekschrift met bijlagen heeft de man verzocht een omgangsregeling vast te stellen.

Op 1 maart 2016 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 2 maart 2016. Ter zitting zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. Van Harskamp en de vrouw, bijgestaan door mr. Eshuis-Nijmeijer. De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door mevrouw [X] . De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De vaststaande feiten

De ouders hebben een relatie gehad. Uit deze relatie is geboren:

[B] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , verder ook te noemen [B] .

Het ouderlijk gezag over [B] berust bij de vrouw.

De man heeft [B] niet erkend.

De standpunten van partijen

De man verzoekt de kinderrechter om een omgangsregeling vast te stellen tussen hem en [B] . De man stelt daartoe dat hij nog overweegt of hij een verzoek om vervangende toestemming tot erkenning bij de rechtbank zal indienen. De vrouw heeft tot nu toe geen toestemming willen verlenen. De man wil echter eerst de behandeling van het onderhavige verzoek afwachten, omdat hij [B] liever zou erkennen met toestemming van de vrouw. De man en de vrouw hebben een relatie gehad, welke kort voor de bevalling van de vrouw is verbroken. De vrouw heeft de man tijdens haar zwangerschap een paar keer bezocht in de gevangenis en na de geboorte van [B] heeft de man van de vrouw nog foto’s van [B] gekregen. Het contact tussen partijen is verbroken toen de vader van de vrouw, die met dit contact niet instemde, hierachter kwam. Toen de man toch probeerde om met de vrouw in contact te komen, deed zij aangifte van bedreiging en stalking. Reeds kort na de geboorte van [B] en wederom in oktober 2015 heeft de man getracht om in onderling overleg met de vrouw te komen tot een regeling voor omgang met [B] . De vrouw heeft telkens laten weten dat zij dit niet in het belang van [B] vindt. De man staat open voor een mediationtraject en voor een (in eerste instantie) begeleide omgangsregeling met behulp van project BOR. Hij zal ook meewerken aan een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna ook: de Raad) indien dit in het belang van [B] wordt geacht.

De vrouw stelt primair dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek. Hij heeft [B] niet erkend en er is geen sprake van een nauwe persoonlijke betrekking zoals bedoeld in artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man heeft tot op heden nimmer contact gehad met [B] . Hij heeft de vrouw na de geboorte van [B] veelvuldig bestookt met berichten en telefoontjes. Dit is gestopt nadat de vrouw aangifte heeft gedaan van stalking. De vrouw beaamt dat zij tot twee keer toe een brief van een advocaat van de man heeft ontvangen, strekkende tot het overeenkomen van een contactregeling tussen de man en [B] . De vrouw stelt dat dit niet in het belang is van [B] . Subsidiair, indien de man toch ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek, bepleit de vrouw dan ook dat het verzoek van de man moet worden afgewezen. De man heeft de vrouw gedurende hun relatie meerdere keren mishandeld. De vrouw is daarom bang voor de man. Dit gevoel wordt versterkt omdat de man meerdere malen gedetineerd is geweest en de vrouw heeft vernomen dat de man heeft vastgezeten voor onder meer geweldsmisdrijven. Hij wil in ieder geval geen openheid van zaken geven over de reden van zijn veroordeling. De vrouw vreest bovendien dat de man [B] na een omgangsmoment niet meer zal terugbrengen. Indien de kinderrechter de man ontvankelijk verklaart in zijn verzoek, dan verzoekt de vrouw, voordat er eventueel een omgangsregeling kan worden vastgesteld, dat de Raad onderzoekt of de vader wel in staat kan worden geacht om voor [B] te zorgen.

De beoordeling

De ontvankelijkheid

Ingevolge artikel 1:377a BW stelt de (kinder)rechter op verzoek van de ouders of een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

Met ‘ouders’ wordt in deze context bedoeld de juridische ouders, dus de moeder uit wie het kind is geboren en de ouder die dit kind heeft erkend.

Uit het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) volgt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven (‘private life’) en familie- en gezinsleven (‘family life’) en dat inmenging daarin van enig openbaar gezag slechts is toegestaan voor zover daarin bij de wet is voorzien en dit noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Tussen partijen staat vast dat de man de biologische ouder van [B] is. De man heeft [B] niet erkend.

De kinderrechter is van oordeel dat er geen sprake van is dat de man feitelijk in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot [B] en dat derhalve niet gesproken kan worden van ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM. Ter motivering overweegt de kinderrechter als volgt.

De relatie tussen de man en de vrouw is reeds voor de geboorte van [B] verbroken. De man heeft, zo stelt hij zelf en bevestigt de vrouw, ondanks zijn wens hiertoe nimmer contact gehad met [B] . [B] heeft van de vrouw nog niet gehoord wie zijn vader is.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), met name in de zaken Anayo/Duitsland (EHRM 21 december 2010, 20578/07) en Schneider/Duitsland (EHRM 15 september 2011, 17080/07) volgt evenwel dat nauwe banden (‘close relationships’) in het kader van artikel 8 EVRM in gevallen waarin het bestaan van ‘family life’ niet kan worden aangenomen, wel binnen de reikwijdte van het privéleven (‘private life’) van de man vallen en aldus eveneens onder de bescherming van artikel 8 EVRM vallen. Het recht van de biologische vader tot toegang tot het kind kan een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de vader en daarmee van zijn ‘private life’.

De beslissing om een biologische vader op voorhand te weigeren contact te hebben met zijn kind en hem derhalve niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, betekent in dat geval inmenging in zijn recht op ‘private life’. Ter beantwoording van de vraag of deze inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving, dient een inhoudelijke belangenafweging te worden gemaakt waarin alle betrokken belangen, waaronder het belang van het kind als voornaamste, dienen te worden meegewogen. Aan de ontvankelijkheid van de biologische vader in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dienen wel eisen te worden gesteld. Voor het slagen van een beroep op de bescherming van privéleven in de zin van artikel 8 EVRM is het enkele feit dat de man de biologische vader is niet voldoende. Er dient sprake te zijn van bijkomende feiten en omstandigheden die maken dat het contact met en de toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn privéleven.

Naar het oordeel van de kinderrechter kan in deze gesproken worden van bijkomende feiten en omstandigheden die, naast het feit dat de man de biologische vader van [B] is, maken dat het contact met en de toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de man en daarmee van zijn privéleven, zodat het niet-ontvankelijk verklaren van de man in zijn verzoek tot omgang met [B] in strijd komt met artikel 8 EVRM.

De ouders hebben een relatie gehad. Volgens de kinderrechter is komen vaststaan dat de man vanaf de geboorte van [B] steeds de serieuze en aantoonbare wens had om contact met [B] te krijgen. Zo heeft hij tot twee keer toe door middel van een advocaat getracht om in contact te komen met de vrouw, teneinde afspraken te maken voor een contact tussen de man en [B] .

De man heeft zich thans reeds gedurende twee jaren ingespannen om contact met [B] te bewerkstelligen. Het is de vrouw geweest die dit telkens heeft afgehouden omdat zij een contact van de man met [B] niet in zijn belang achtte. Pogingen van de man om in der minne tot afspraken te komen, zijn daarom vruchteloos gebleken. Daarop heeft de man zich genoodzaakt gevoeld om het onderhavige verzoek in te dienen. De kinderrechter acht het dan ook voldoende aannemelijk dat de wens van de man om [B] te leren kennen serieus is. Gelet daarop is de kinderrechter van oordeel dat de familierechtelijke verwantschapsband tussen de man en [B] een zodanig wezenlijk onderdeel vormt van zijn identiteit en daarmee van zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, dat de afwijzing van zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling op de enkele grond dat ‘family life’ ontbreekt, een schending van zijn recht op eerbiediging van zijn privéleven oplevert. De kinderrechter acht de man ontvankelijk in zijn verzoek.

De inhoudelijke beoordeling

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de man recht heeft om omgang met [B] te verzoeken. Dit betekent echter niet dat zonder meer een omgangsregeling tussen de man en [B] kan worden vastgesteld. De vrouw heeft zich verzet tegen de vaststelling van een omgangsregeling en daarbij een beroep gedaan op de ontzeggingsgronden als bedoeld in artikel 1:377a lid 3 BW. Voor de beantwoording van de vraag of zich een of meer van die ontzeggingsgronden voordoen, acht de kinderrechter zich op dit moment onvoldoende voorgelicht. Mevrouw [X] heeft tijdens de behandeling ter zitting namens de Raad geadviseerd en aangeboden om een onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een omgangsregeling tussen de man en [B] .

De kinderrechter zal overeenkomstig het door de Raad ter zitting gegeven advies, de beslissing op het verzoek van de man tot vaststelling van een omgangsregeling aanhouden. De kinderrechter acht het op dit moment nog niet wenselijk om partijen te verwijzen naar project BOR. [B] heeft immers nog geen statusvoorlichting gehad en weet derhalve niet van het bestaan van zijn vader. Hier zal de vrouw eerst voor moeten zorgen. Door de kinderrechter wordt aan de vrouw in overweging gegeven om in het belang van [B] , zodra hij dit gezien zijn leeftijd kan begrijpen, hem deze statusvoorlichting te geven. Het is raadzaam dat de vrouw daarbij deskundig advies inwint en zonodig hulp vraagt. Een kind heeft er in het algemeen belang bij te weten wie zijn vader en zijn moeder zijn.

De beslissing

De kinderrechter:

Verklaart de man ontvankelijk in zijn verzoek;

Verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming te Almelo een onderzoek in te stellen en aan de kinderrechter te rapporteren en te adviseren over de vraag of een omgangsregeling met de man al dan niet in strijd is met de zwaarwegende belangen van [B] ;

Verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Houdt iedere verdere beslissing op het verzoek aan;

Verwijst de zaak in afwachting van het rapport van de Raad voor dagbepaling naar de rol van 13 juli 2016.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Verdoold, in tegenwoordigheid van B. Vlietstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 april 2016.