Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1727

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
24-05-2016
Zaaknummer
ak_15 _ 2423
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet herziening export kinderbijslag; beëindiging export van kinderbijslag naar Turkije; beroep op discriminatieverboden en associatierecht slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/2423

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], te Rijssen, eiser,

en

[eiseres], te Antalya, eiseres,

gezamenlijk te noemen eisers,

gemachtigde: mr. R. Küçükünal,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder,

gemachtigde: K. van Ingen.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser vanaf het derde kwartaal van 2015 geen kinderbijslag meer toegekend voor zijn kinderen Ertan en Fehim.

Bij besluit van 7 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben twee kinderen, Ertan en Fehim.

Eiseres is op 1 oktober 2013 naar Turkije verhuisd. Eiser is in Nederland blijven wonen. De kinderen zijn met eiseres meegegaan naar Turkije.

Aangezien eiseres de eerste dag van het eerste kwartaal van 2014 niet in Nederland woonde of werkte heeft zij vanaf dat moment geen kinderbijslag meer ontvangen.

Eiser heeft in december 2013 kinderbijslag voor de kinderen aangevraagd en dit vanaf het eerste kwartaal van 2014 ontvangen.

Bij brief van 27 november 2014 heeft verweerder eiser laten weten dat de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf 1 januari 2015 zal veranderen en dat vanaf die datum geen recht meer op kinderbijslag bestaat als een kind in Argentinië, Belize, Chili, Ecuador, Egypte, Hong Kong, Jordanië, Macedonië, Monaco, Panama, Paraguay, Thailand, Turkije of Uruguay woont. In deze brief is tevens opgemerkt dat, voor klanten die al voor 1 januari 2015 kinderbijslag kregen, een overgangsregeling tot 1 juli 2015 geldt.

Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder ‘Procesverloop’.

2. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat de Wet herziening export kinderbijslag (Whek) per 1 januari 2015 in werking is getreden. Omdat eiser onder de door de Whek geboden overgangsregeling valt, heeft hij vanaf 1 juli 2015 geen recht meer op kinderbijslag.

3. De rechtbank overweegt als volgt.

3.1

Met ingang van 1 januari 2015 is de Whek in werking getreden (Stb. 2014, 346).

Met deze wet is onder meer artikel 7b van de AKW gewijzigd. Dit artikel luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Geen recht op kinderbijslag heeft de verzekerde ten behoeve van het kind, indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal niet in Nederland woont.

2 Het eerste lid is niet van toepassing indien dat kind op de eerste dag van een kalenderkwartaal woont in een land waarin ten behoeve van hem op grond van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PbEU L 166) recht op kinderbijslag bestaat.

(…).

3.2

Vaststaat dat Ertan en Fehim in Turkije wonen. Ter zitting is gebleken dat eiser zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit heeft.

3.3

Tussen partijen is niet in geschil dat eisers belast zijn met de opvoeding en verzorging van Ertan en Fehim.

3.4

Ter zitting heeft eiser de beroepsgrond, dat ten onrechte wordt gekort op de kinderbijslag omdat daarvoor wel premie is betaald, laten vallen.

3.5

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat artikel 7b van de AKW discriminatoir van karakter is en strijdig met diverse bepalingen in nationale en internationale wet- en regelgeving die zien op een verbod op discriminatie. Hierbij hebben zij gewezen op artikel 1 van de Grondwet, artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), artikel 9 van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Associatieovereenkomst), artikel 3, eerste lid, en artikel 6 van het Besluit 3/80 van de Associatieraad van 19 september 1980, betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen van de lidstaten der Europese Gemeenschappen op Turkse werknemers en hun gezinsleden (Besluit 3/80) en artikel 33 van het bilateraal verdrag inzake de sociale zekerheid met Turkije. In verband hiermee kan het bestreden besluit naar de mening van eisers geen stand houden.

3.6

De rechtbank overweegt allereerst dat niet kan worden beoordeeld of het bepaalde in artikel 7b van de AKW in strijd is met de door eisers genoemde bepaling van de Grondwet, nu de rechter ingevolge artikel 120 van de Grondwet niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten.

3.7

Met betrekking tot de aangehaalde bepalingen uit internationale regelingen – waarbij de rechtbank uitdrukkelijk in het midden laat op welke van deze bepalingen eisers al dan niet een direct beroep toekomt – overweegt de rechtbank dat de regeling neergelegd in artikel 7b van de AKW het recht op kinderbijslag niet direct relateert aan nationaliteit. Zoals ter zitting niet is weersproken door verweerder, wordt met deze regeling echter wel een indirect onderscheid naar nationaliteit gemaakt. Een indirect onderscheid naar nationaliteit is niet zonder meer verboden, maar kan worden gerechtvaardigd indien daarvoor een objectieve en redelijke grond bestaat. Het gemaakte onderscheid moet daarnaast geschikt zijn om het nagestreefde doel te verwezenlijken en het mag niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken. Voorts wordt overwogen dat de wetgever op het terrein van de sociale verzekering een zeer ruime beoordelingsvrijheid heeft bij de vaststelling of en in welke mate verschillen in overigens gelijksoortige situaties een verschil in behandeling rechtvaardigen. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van 1 april 2016 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; ECLI:NL:CRVB:2016:1229).

Uit de memorie van toelichting bij de Whek kan worden afgeleid dat bij deze wet als uitgangspunt geldt dat de uit belastingmiddelen gefinancierde kinderbijslag en het kind-gebonden budget in de eerste plaats bedoeld zijn voor een ondersteuning in het onderhoud van kinderen die in Nederland wonen. Voor zover voor het onderhoud van kinderen van staatswege ondersteuning moet worden geboden is dit niet de verantwoordelijkheid van het land waar de ouder woont, maar van het land waar de kosten voor het kind worden gemaakt. De woonplaats van het kind wordt met deze wet centraal gesteld en niet de woonplaats van de rechthebbende. Beoogd wordt de export van de kinderbijslag (en het kindgebonden budget) te beëindigen (TK 2011/12, 33 162, nr. 3, blz. 2). Dit doel moet naar het oordeel van de rechtbank aangemerkt worden als een legitiem doel. Voor zover sprake is van indirecte discriminatie naar nationaliteit, bestaat naar het oordeel van de rechtbank voor die ongelijke behandeling dan ook een objectieve en redelijke rechtvaardiging.

Daarnaast staat het gehanteerde middel in een redelijke verhouding tot het nagestreefde doel. Hierbij speelt mee dat de kinderbijslag betaald wordt uit de algemene middelen en dat het efficiënt inzetten van deze middelen in het algemeen belang is.

Het beroep van eisers op de verschillende discriminatieverboden slaagt, gelet op het vorenstaande, niet.

3.8

Eisers hebben zich verder op het standpunt gesteld dat geen nieuwe beperkende maatregelen ten aanzien van Turkse staatsburgers mogen worden ingevoerd door lidstaten van de Europese Unie. Hierbij is gewezen op het associatierecht van de Europese Unie met Turkije. Volgens eisers is het bestreden besluit hiermee in strijd.

De CRvB heeft in de uitspraak van 19 februari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:481) op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 14 januari 2015 (Demirci e.a., C-171/13) overwogen dat de betrokkenen met een dubbele nationaliteit zich niet, met een beroep op het Besluit 3/80, kunnen onttrekken aan het woonplaatsvereiste van de Toeslagenwet. Hierbij is onder meer het met de associatieregeling EEG-Turkije beoogde integratiedoel betrokken en de omstandigheid dat de Turkse werknemer die de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst verkrijgt, hiermee in beginsel het hoogste niveau van integratie in die lidstaat bereikt. Volgens het Hof rechtvaardigt niets dat een Turks staatsburger wiens juridische status noodzakelijkerwijs is gewijzigd op het ogenblik waarop hij de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen, door deze staat voor de uitkering van een prestatie als die van het hoofdgeding niet volledig als een eigen burger zou worden behandeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit evenzeer van toepassing op eiser, die naast de Turkse nationaliteit in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit en die door het bestreden besluit wordt geconfronteerd met dezelfde regels terzake het verkrijgen van kinderbijslag als anderen met een Nederlandse nationaliteit. Het beroep van eisers op het associatierecht en het verbod op nieuwe beperkende maatregelen faalt.

3.9

Eisers hebben voorts betoogd dat verweerder hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord.

Volgens vaste rechtspraak kan het bezwaar kennelijk ongegrond worden verklaard en kan om die reden van het horen worden afgezien, indien reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en over die conclusie redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat niet aan deze maatstaf is voldaan, zodat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door eisers niet uit te nodigen voor een hoorzitting. Deze schending van de hoorplicht kan naar het oordeel van de rechtbank echter met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd. Het bestreden besluit is gebaseerd op een dwingendrechtelijke wettelijke bepaling en niet is aannemelijk geworden dat eisers door het achterwege laten van de hoorzitting in de bezwaarfase zijn benadeeld.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en mr. W.R.H. Lutjes, leden, in aanwezigheid van mr. drs. H. Richart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.