Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1714

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
18-05-2016
Zaaknummer
Awb 15/1200
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) vanwege weigering CIN-nummer aan verweerder te verstrekken; verwijtbaar schenden inlichtingenplicht; beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 15/1200

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eisers] te Enschede, eisers,

gemachtigde: mr. S. el Mahassani,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

gemachtigde: mr. A. van der Weerd.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) van eisers ingetrokken met ingang van 20 januari 2015.

Bij besluit van 30 april 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2016.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben een uitkering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor gehuwden met een AIO-uitkering ontvangen. Verweerder heeft een controle van buitenlands verblijf en vermogen uitgevoerd. Hieromtrent is gerapporteerd op 16 oktober 2014. Verweerder heeft eisers verzocht het nummer van hun Cartes d’Identité Nationale (CIN) te verstrekken. Eisers hebben in reactie hierop aangegeven niet aan dit verzoek te willen voldoen. Op een hernieuwd verzoek om verstrekking van de CIN hebben eiseres niet gereageerd. Vervolgens heeft verweerder het besluit genomen, zoals vermeld in de rubriek “Procesverloop”.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het recht op AIO-uitkering niet kan worden vastgesteld, omdat niet de gevraagde gegevens zijn verstrekt. Het CIN-nummer is nodig om bij (vervolg)onderzoek in Marokko betrouwbare gegevens te verkrijgen. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien de AIO-uitkering van eisers in te trekken.

3. Eisers stellen dat verweerder op een wijze gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 53a van de Participatiewet (Pw) zonder dat daartoe een concrete en objectieve aanleiding bestaat. Eisers stellen voorts dat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht, omdat een CIN-nummer niet nodig is om het recht op een AIO-uitkering vast te stellen of om in Marokko onderzoek te doen.

Het opvragen van het CIN is in strijd met artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Verweerder heeft in het kader van een project besloten tot een onderzoek naar bezittingen van AIO-gerechtigden in het buitenland. Daarbij is overwogen dat, anders dan op basis van de door de aanvragers versterkte informatie, het bestuursorgaan nauwelijks mogelijkheden heeft om buiten de aanvrager en andere reguliere bronnen om, informatie te verkrijgen over mogelijke bezittingen in het buitenland. Op grond van onderzoek en ervaring bestaat het vermoeden dat door veel allochtone uitkeringsgerechtigden in de diverse landen van herkomst in onroerend zaken wordt geïnvesteerd. Ten behoeve van het onderzoek is een “risicoprofiel” opgesteld. Daarbij is gelet op herkomst van de gerechtigde en langdurig verblijf in het buitenland.

4.2

Met dit risicoprofiel wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen AIO-gerechtigden en worden deze verschillend behandeld. De overgrote meerderheid van de AIO-gerechtigden is niet onderworpen aan een onderzoek naar vermogen in het buitenland. Een bepaalde kleine groep personen is onderworpen aan een niet-regulier onderzoek. In het geval van eisers was daartoe aanleiding vanwege hun herkomst en langdurig verblijf in het land van herkomst. De vraag is of dit gehanteerde onderscheid in het onderhavige geval objectief gerechtvaardigd is.

4.3.

Ingevolge artikel 53a van de Pw is verweerder bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van versterkte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de bijstand. Een bijzondere aanleiding voor het starten van een rechtmatigheidsonderzoek is niet nodig. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de CRvB van 31 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7881. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun stelling dat een vervolgonderzoek slechts gerechtvaardigd is als er concrete, objectiveerbare redenen zijn tot twijfel aan de juistheid van de door hen gedane opgaven.

4.4

Uit de uitspraak van de CRvB van 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1229, volgt dat bij de inzet van de algemene onderzoeksbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 53a van de Pw het toepassen van risicoprofielen geoorloofd is. Met de uitvoering van de bijstandswetgeving zijn immers aanzienlijke publieke middelen gemoeid. Om te bereiken dat die middelen op de juiste wijze worden besteed en dat misbruik wordt voorkomen, en aldus te bewerkstelligen dat het maatschappelijk draagvlak voor de uitvoering in stand blijft, is controle, en nadien indien nodig handhaving, van groot belang. De kosten van controle kunnen, uitgedrukt in menskracht en geld, zeer hoog zijn, niet alleen voor het bestuursorgaan, bijvoorbeeld in gevallen als deze met onderzoeken in het buitenland, maar ook voor degenen, die met de controle worden geconfronteerd. Het bijstandverlenend orgaan kan daarom in de uitoefening van de algemene onderzoeksbevoegdheid in beginsel niet de ruimte worden ontzegd om redenen van efficiëntie en effectiviteit gerichte vormen van onderzoek te beperken tot bepaalde groepen AIO-gerechtigden waar, gelet op de kenmerken van die groep en de vorm van onderzoek, een grotere kans bestaat dat het onderzoek bijdraagt aan de juiste uitvoering van de wetgeving.

4.5

Met de door verweerder gehanteerde doelgroep en het op grond daarvan verrichten van onderzoek in het buitenland, heeft verweerder niet gehandeld in strijd met het verbod op ongerechtvaardigde discriminatie. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat sprake is geweest van een steekproef, waarbij de geselecteerde personen vragenformulieren hebben ontvangen, waarin is gevraagd naar verblijf in het buitenland. Op basis van de antwoorden is een -nadere- selectie gemaakt en hebben medewerkers van verweerder bij personen in deze selectie een huisbezoek afgelegd, waarbij verder navraag en onderzoek is gedaan naar het langdurige verblijf in het buitenland. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft opnieuw een selectie plaatsgevonden en heeft verweerder gevraagd naar een CIN-nummer van personen, die bij deze selectie -nog nader- zijn geselecteerd. Verweerder heeft overigens verklaard dat ook onderzoek is gedaan naar bezittingen in het buitenland van AIO-gerechtigden met een andere achtergrond, zoals een Turkse of Surinaamse achtergrond.

4.6

Gelet op het vorenstaande, was verweerder bevoegd om naar aanleiding van de gegevens voortkomend uit de controle nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de aan eisers verleende AIO-aanvulling. In dit kader heeft verweerder eisers kunnen vragen hun CIN-nummer te verstrekken ten behoeve van nader onderzoek naar bezittingen in Marokko.

4.7.

De rechtbank is van oordeel dat de inbreuk in het privéleven van eisers, als bedoeld in artikel 8 EVRM, door het opvragen van het CIN gerechtvaardigd is, nu daartoe een grondslag is gelegen in artikel 53a van de PW en het slechts een beperkte inbreuk is. Vanwege het unieke karakter levert het CIN meer betrouwbare gegevens op dan onderzoek op andere wijze, bijvoorbeeld op basis van alleen de naam van betrokkene, waarbij het risico bestaat van persoonsverwisselingen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het middel hiermee in een redelijke verhouding tot het beoogde doel. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat onderzoek in Marokko uitsluitend kan plaatsvinden na instelling van een ad hoc-commissie als genoemd in artikel 30a van het Administratief Akkoord met betrekking tot de wijze van toepassing van het op 14 februari 1972 te Rabat ondertekende Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake sociale zekerheid. Uit deze bepaling blijkt slechts dat een dergelijke ad hoc-commissie kan worden ingesteld om het onderzoek naar het recht op uitkering of de rechtmatigheid van gedane betalingen te faciliteren. De vooronderstelling van eisers dat het CIN-nummer voor andere doeleinden zal worden gebruikt dan enkel voor het beoogde onderzoek, volgt de rechtbank niet. Artikel 53a van de Pw beperkt verweerder immers tot het opvragen van gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan. Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder zich hieraan niet zal houden.

Het vorenstaande maakt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van schending van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

4.8

Nu eisers hebben geweigerd het betreffende CIN-nummer aan verweerder te verstrekken, hebben zij de op hen rustende inlichtingenplicht verwijtbaar geschonden. Verweerder was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 54 van de Pw de AIO-uitkering van eisers in te trekken met ingang van 20 januari 2015. In hetgeen eisers hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman, voorzitter, en mr. A. Oosterveld en

mr. H.R. Schimmel, leden, in aanwezigheid van mr. F. Ernens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.