Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1663

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
13-05-2016
Datum publicatie
13-05-2016
Zaaknummer
08/760234-15 en 01-132709-14 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een volstrekt willekeurige en argeloze 78-jarige vrouw op gewelddadige wijze van haar tas beroofd. Bij deze brutale en lafhartige daad neemt de rechtbank onder meer in aanmerking het gemak waarmee dit feit door verdachte is gepleegd. Verdachte heeft kennelijk zijn eigen financiële gewin voorop laten staan en geen enkel oog gehad voor de mogelijke gevolgen voor het bejaarde slachtoffer.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die, gelet op verdachtes recidive, de ernstige gevolgen voor het slachtoffer en verdachtes proceshouding, hoger dient te zijn dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Als bijzondere voorwaarde stelt de rechtbank dat verdachte zich moet laten behandelen voor zijn stoornis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0151

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummers (P): 08/760234-15 en 01-132709-14 (tul)

Datum vonnis: 13 mei 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in de P.I. Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 april 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Tromp en van hetgeen door de verdachte en diens raadsvrouw mr. S. Groothuismink, advocaat te Enschede, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op gewelddadige wijze [slachtoffer] van haar tasje heeft beroofd, waarbij die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op of omstreeks 23 oktober 2015 te Enschede, op of aan de openbare weg,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas (met inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat verdachte onverhoeds en met kracht de handtas

van die [slachtoffer] van haar schouder heeft gerukt/getrokken waardoor die [slachtoffer] (hard) ten val is gekomen en/of ten gevolge waarvan zij zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten twee gebroken schouders (zijnde gecompliceerde breuken).

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van

2 jaren, met aftrek van het voorarrest en met als bijzonder voorwaarde, toezicht van de reclassering ook als dat enige vorm van begeleiding en/of ambulante behandeling inhoudt.

Ook vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 15.071,81 (zijnde het gevorderde bedrag van € 15.270,81 minus € 199,-- betreffende de inmiddels aan het slachtoffer geretourneerde handtas), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In de zaak onder parketnummer 01/132709-14 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 40 uren werkstraf gevorderd.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5. De beoordeling van het bewijs 1.

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van verschillende getuigenverklaringen en het proces-verbaal van bevindingen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw concludeert tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs. Volgens de raadsvrouw is ten onrechte nagelaten technisch onderzoek te doen. In het geval van een bewezenverklaring verzoekt de raadsvrouw subsidiair rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het oog daarop het jeugdstrafrecht toe te passen.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Aangever [slachtoffer] heeft, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

Op 23 oktober 2015, omstreeks 22.20 uur, ben ik op de Kuipersdijk in Enschede beroofd van mijn handtas. Hierbij ben ik ten val gekomen. Ten gevolge hiervan heb ik beide schouders gebroken. Ik zal aan deze gecompliceerde breuken geopereerd worden. Op het moment dat ik naar mijn auto liep, werd ik van achteren aangevallen en voelde ik een harde ruk aan mijn handtas. Ik ben toen voorover op straat gevallen. Ik zag dat een jonge knaap er vandoor ging met mijn handtas. Hij rende in de richting van de Beltstaat. Toen de jongen wegrende zag ik op een afstand van ongeveer drie meter van mij vandaan een portemonnee op staat liggen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.2

De getuige [getuige 1] heeft, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

Op 23 oktober 2015, omstreeks 22.25 uur ben ik getuige geweest van een beroving op de Kuipersdijk te Enschede. Ik zag een vrouw ons tegemoet komen. Ik zag dat achter haar, op enkele meters afstand, een man liep. Plotseling hoorde ik een harde gil achter ons. Ik keek om en zag dat de vrouw op de grond lag. Ik zag een man wegrennen in de richting van de Beltstraat. Ik zag dat het dezelfde man was die ons zojuist gepasseerd was en die achter de vrouw liep.3

Ik herkende de man aan zijn kleding, zijn donkere haar en zijn gezicht. Toen de man ons tegemoet kwam lopen dacht ik dat het een kennis van mij was en daarom keek ik beter naar hem. Ik zag toen dat het die kennis niet was. De tijd vanaf het moment dat hij ons voorbij liep en dat de vrouw op de grond lag was kort en er was niemand anders. Ik keek achterom en hij was de enige die daar wegrende. Toen de politie met een man terugkwam, herkende ik hem aan zijn jas, kleding en gezicht als de man die ons voorbij was gelopen.4

De getuige [getuige 2] heeft, zakelijk weergegeven, als volgt verklaard:

Ik ben getuige geweest van een beroving aan de Kuipersdijk te Enschede. Op 23 oktober 2015 omstreeks 22.20 uur, liep ik met mijn vriendin in de richting van het centrum. Ik zag een oudere vrouw ons tegemoet komen lopen. Ik zag een man kort achter deze vrouw lopen.5 Dat was dezelfde man die ik daarna bij de vrouw zag. Hij had hetzelfde gezicht en hetzelfde jasje. Ik zag dat hij iets van de vrouw af wilde pakken. Hij trok harder en zij werd meegesleurd en kwam ten val. Toen wij daar aankwamen lag er een portemonnee op de grond. Toen wij er in keken zagen wij een identiteitskaart. Hierop herkende ik de man die de vrouw had beroofd. De man die later werd aangehouden was dezelfde man als de man die de vrouw had beroofd. Ik herkende hem aan zijn gezicht en jasje toen de politie met hem voor ons langsliep. Ik weet zeker dat de aangehouden man de man van de beroving is. Toen de vrouw gilde, gebeurde dat achter mij op een afstand van naar schatting vier á vijf meter.6

Een proces-verbaal van aanhouding houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in:

Op 23 oktober 2015, omstreeks 22.22 uur reden wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , op de Kuipersdijk te Enschede. Toen wij de Spelbergweg gepasseerd waren zagen wij een oudere vrouw op de grond liggen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoorde dat een omstander naar mij schreeuwde: “Hij is die kant op”, of woorden van gelijke strekking, waarbij hij wees in de richting van de Beltstraat.

Wij, verbalisanten, hebben de achtervolging ingezet. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag in de bocht van de Borneostraat een tas liggen. Op een gegeven moment zag ik een aantal personen vanuit de Borneostraat de Beltstraat inlopen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hoorde dat door een van de personen werd gezegd: “Dit is hem”, of woorden van gelijke strekking. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat de omstanders hierbij wezen naar een persoon die later bleek te zijn verdachte [verdachte] . Ik, verbalisant [verbalisant 1] , pakte de verdachte vast en zei tegen hem dat hij was aangehouden. Wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , hoorden dat de verdachte zei: “Sorry, Sorry, het spijt mij”

Op 23 oktober 2015 omstreeks 22.24, hielden wij op de Beltstaat te Enschede als verdachte aan: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996.7

Een proces-verbaal van bevindingen houdt, zakelijk weergegeven, het volgende in:

Toen wij, verbalisanten, terug waren bij ons dienstvoertuig, kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1] , een portemonnee met een ID-kaart in de handen gedrukt. Ik hoorde dat deze nabij het slachtoffer was aangetroffen en dat de verdachte deze verloren was. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , zag dat het de ID-kaart van verdachte [verdachte] betrof.8

Een tweetal als bijlage bij het door [slachtoffer] ingediend voegingsformulier gevoegde bescheiden houden, in onderling verband en samenhang bezien, zakelijk weergegeven, het volgende in:

Op 24-10-2015 zagen wij [slachtoffer] , geb.dat: 18-10-1937.

Reden van komst: 112 melding: Pijnlijke schouder na val, na beroving.

Aanvullend onderzoek:

X-schouder bdz: Proximale mumerusfractuur bdz met dislocatie en betrokkenheid Tuberculum majus.

Met hoogachting,

A. Coenders, arts-assistent heelkunde

Namens: B.P Bertelink, chirurg-traumachirurg.9

Vanaf 28-10-2015 zagen wij in consult [slachtoffer] , geb.dat: 18-10-1937.

Conclusie:

78-jarige patiente met status na proximale humerusfractuur beiderzijds, rechts 3 part en links 4 part/communitief met dislocatie. Pijn en immobilisatie van de schouders beiderzijds.

Met hoogachting, mede namens O.J.P Roukes, dr. K.A.J. Kuijpers, physician assistant i.o., revalidatiearts.10

De rechtbank acht op basis van vorenstaande bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de handtas van het slachtoffer [slachtoffer] heeft weggenomen, ten gevolge waarvan mevrouw [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Gelet op de inhoud van die bewijsmiddelen sluit de rechtbank de mogelijkheid uit dat een ander dan verdachte het feit heeft gepleegd.

5.3

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 23 oktober 2015 te Enschede, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een handtas, toebehorende aan [slachtoffer] , welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen voornoemde [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat verdachte onverhoeds en met kracht de handtas van die [slachtoffer] van haar schouder heeft gerukt/getrokken waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en ten gevolge waarvan zij zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, te weten twee gebroken schouders (zijnde gecompliceerde breuken).

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij artikel 312 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1.

Toepassing meerderjarigen- of minderjarigenstrafrecht

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of bij het opleggen van de straf en/of maatregel, met toepassing van artikel 77s Sr, het minderjarigenstrafrecht dient te worden toegepast.

De forensisch psycholoog D. Breuker voert daartoe in de op 16 januari 2016 gedateerde rapportage aan dat met de wegingslijst adolescentenstrafrecht is gekeken naar de indicatiecriteria voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Van de twee clusters handelingsvaardigheden en pedagogische beïnvloeding, is alleen wat betreft de handelingsvaardigheden sprake van een indicatie voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Er worden daarnaast enige doch onvoldoende contra-indicaties gevonden voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Al met al wordt toepassing van het jeugdstrafrecht bij betrokkene wel geïndiceerd geacht, met dien verstande dat de behandeling en begeleiding die betrokkene nodig heeft, wel moet zijn ingegeven van een meer volwassen- dan pedagogische benadering.

De reclasseringswerker C.L. Dellwig heeft in de rapportage van 26 oktober 2015, zonder nadere onderbouwing, toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd, waarbij de reclasseringswerker opmerkt dat het advies is gebaseerd op een zeer beperkt onderzoek.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen toepassing van het jeugdstrafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat het meerderjarigenstrafrecht dient te worden toegepast,

waartoe zij het volgende overweegt.

De rechtbank kan van de in artikel 77s Sr gegeven mogelijkheid gebruik maken, indien verdachtes persoonlijkheid of de omstandigheden waaronder hij het feit heeft begaan, daarvoor grond geeft. Over de persoonlijkheid van verdachte heeft de rechtbank zich een oordeel gevormd op basis van de rapportage van forensisch psycholoog D. Breuker, de reclasseringsrapportage van C.L. Dellwig alsmede verdachtes houding ter terechtzitting. Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit bijna negentien jaren oud. Van feiten en omstandigheden die maken dat verdachte ten tijde van het delict op het niveau van een minderjarige functioneerde, is de rechtbank niet genoegzaam gebleken. De psycholoog heeft aangegeven dat de behandeling en begeleiding die verdachte nodig heeft, moet zijn ingegeven van een meer volwassen dan een pedagogische benadering. Ter zitting heeft verdachte aangegeven zich sowieso niet te zullen houden aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering. Blijkens een mailbericht van M. Stamsnijder van de jeugdreclassering d.d. 28 april 2016, heeft verdachte het feit gepleegd terwijl hij een toezicht en begeleiding had van de jeugdreclassering. Pogingen om met hem in contact te komen zijn volgens de reclasseringswerker mislukt en verdachte heeft zelf aangegeven absoluut geen prijs te stellen op het maken van een afspraak met de jeugdreclassering. Met betrekking tot de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd constateert de rechtbank dat verdachte op volwassen wijze een zeer ernstig feit heeft gepleegd dat hij, tegen beter in, hardnekkig blijft ontkennen en hij ter zitting heeft laten blijken geen enkele empathie of compassie te koesteren jegens het slachtoffer. Overigens is ter terechtzitting onvoldoende gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan toepassing van het meerderjarigenstrafrecht contra-geïndiceerd zou zijn. Op grond van vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat toepassing van artikel 77c Sr niet aan de orde is en aldus het meerderjarigenstrafrecht zal worden toegepast.

8.2

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Het dient verdachte ernstig te worden aangerekend dat hij een volstrekt willekeurige en argeloze 78-jarige vrouw, op gewelddadige wijze van haar tas heeft beroofd.

Bij deze brutale en lafhartige daad neemt de rechtbank onder meer in aanmerking het gemak waarmee dit feit door verdachte is gepleegd. Verdachte heeft kennelijk zijn eigen financiële gewin voorop laten staan en geen enkel oog gehad voor de mogelijke gevolgen voor het bejaarde slachtoffer. Blijkens de namens het slachtoffer ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring heeft het slachtoffer door toedoen van verdachte onder andere twee gecompliceerde breuken opgelopen en heeft zij ruim drie weken met veel pijn op de trauma-afdeling van het ziekenhuis gelegen, waarna zij is geconfronteerd met een moeizame revalidatie, inclusief een opname in het Roessingh. De vraag of zij volledig zal herstellen van hetgeen haar door verdachte is aangedaan, dient naar alle waarschijnlijkheid ontkennend te worden beantwoord. Eerder lijkt het erop dat zij voor de rest van haar leven ernstig benadeeld is geraakt in haar bewegingsmogelijkheden en levensvreugde. Daarnaast heeft het feit een ernstige inbreuk gemaakt op de geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het mag als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd dat feiten als deze een grove aantasting van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers inhouden. Bovendien brengen dergelijke feiten in de samenleving sterke gevoelens van onveiligheid en onrust mee. Verdachte wenst, gelet op zijn hardnekkige ontkenning tegen beter weten in, geen enkele verantwoordelijkheid te nemen voor zijn strafbaar gedrag, waarmee hij het verwerkingsproces voor het slachtoffer in belangrijke mate bemoeilijkt. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting laten blijken geen enkele compassie te hebben met het slachtoffer. Verdachte liep ten tijde van het plegen van dit feit nog in een proeftijd ter zake van een veroordeling voor een geweldsdelict. Hij geeft daarmee aan kennelijk niets te hebben geleerd van de in die eerdere veroordeling gelegen waarschuwing en geboden kans.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met een door D. Breuker, forensisch psycholoog opgemaakt rapport van 20 januari 2016. Uit dat rapport komt naar voren dat betrokkene een belast verleden heeft met een verwaarlozende opvoedsituatie en een hulpverlenings- en justitiële voorgeschiedenis. In het verleden zijn bij hem verschillende diagnoses gesteld, waaronder een oppositioneel opstandige gedragsstoornis, een antisociale gedragsstoornis, en een pervasieve ontwikkelingsstoornis NAO (PDD-NOS).

Uit het testonderzoek komen aanwijzingen naar voren voor een verstandelijke beperking op performaal niveau en voor verhoogde kwetsbaarheid met te weinig adequate afweer- en controlemogelijkheden. Het profiel kan een autistische problematiek dan wel een zeer zwak geïntegreerde persoonlijkheidsstructuur weerspiegelen met antisociale en narcistische tendensen.

Bij betrokkene kan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens worden vastgesteld in de zin van een autistische stoornis met inherent hieraan antisociaal gedrag. Er is tevens sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van performale zwakbegaafdheid. Ten tijde van het tenlastegelegde zijn de stoornis en beperking aanwezig geweest.

Op basis van de eigen klinische blik en risico-taxatie instrument HCR-20-3v wordt een hoge kans op geweldrecidive aanwezig geacht.

Door de gedragsdeskundige wordt, gelet op de ontkennende houding van verdachte, geen uitspraak gedaan over de toerekeningsvatbaarheid.

De rechtbank acht de conclusies in de rapportage voldoende onderbouwd en neemt deze over.

Ten gunste van verdachte zal de rechtbank rekening houden met de jonge leeftijd van verdachte.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die, gelet op verdachtes recidive, de ernstige gevolgen voor het slachtoffer en verdachtes proceshouding, hoger dient te zijn dan door de officier van justitie is gevorderd.

Hoewel verdachte afwijzend staat tegenover begeleiding en hulpverlening acht de rechtbank, met name gelet op de inhoud van de door D. Breuker opmaakte rapportage, een reclasseringstoezicht en een eventuele ambulante behandeling en begeleiding geïndiceerd. Vorenstaande is er met name op gericht dat verdachte er van wordt weerhouden zich in de toekomst andermaal aan strafbare feiten schuldig te maken.

9 De schade van benadeelden

9.1

De vordering van de benadeelde partij

Mevrouw [slachtoffer] , wonende te [woonplaats] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 15.270,81 (vijftienduizend en tweehonderd en zeventig euro en eenentachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de volgende posten:

  • -

    ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding € 1.568,00;

  • -

    kleding € 193,81;

  • -

    eigen risico zorgverzekering € 760,00;

  • -

    handtas € 199,00;

  • -

    T-shirt € 50,00;

  • -

    immateriële schade € 12.500,00.

Ook heeft de benadeelde partij gevraagd een schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw is van mening dat de benadeelde partij, wegens de ingewikkeldheid van de vordering, in haar vordering niet ontvankelijk dient te worden verklaard. In geval van toewijzing van de vordering verzoekt de raadsvrouw subsidiair, evenals de officier van justitie, afwijzing van de vordering voor zover die ziet op de inmiddels geretourneerde handtas, ten bedrage van

€ 199,-- , alsmede matiging van de immateriële schade. De raadsvrouw verzoekt de gevorderde schadevergoedingsmaatregel achterwege te laten aangezien enige draagkracht bij verdachte ontbreekt en niet te verwachten valt dat daarin in de toekomst verandering zal komen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in haar vordering ontvankelijk en is de vordering deels gegrond. Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan, dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde materiële schade is, met uitzondering van € 199,-- voor de inmiddels aan mevrouw T. Koos teruggegeven handtas, voldoende onderbouwd en aannemelijk. De opgevoerde immateriële schade wordt door de rechtbank naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en in goede justitie gewaardeerd op € 7.500,--. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 10.071,81, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

De gestelde immateriële schade is naar het oordeel van de rechtbank voor een gedeelte van

€ 5.000,-- niet voldoende onderbouwd. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar stelling voor dat deel alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting en een onaanvaardbare vertraging van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij ten aanzien van deze schadepost niet-ontvankelijk zal verklaren. De benadeelde partij kan haar vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter. De gevorderde € 199,-- voor de handtas wijst de rechtbank af nu ter terechtzitting is gebleken dat het slachtoffer haar handtas inmiddels heeft teruggekregen.

10 De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal hierbij de maatregel als bedoeld in art. 36f Sr opleggen, aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht. De blote stelling dat verdachte nu noch in de toekomst aan een betalingsverplichting zal kunnen voldoen, doet hieraan niet af.

11 De vordering tenuitvoerlegging

In de zaak met parketnummer 01/132709-14 heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van een werkstraf voor de duur van 40 uur, welke voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te ’s-Hertogenbosch op 24 september 2013.

De raadsvrouw deelt mee dat verdachte, in geval van een veroordeling, zich niet verzet tegen de tenuitvoerlegging van de werkstraf.

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige TUL-vordering dient te worden toegewezen.

12 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 27 Sr.

13 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal

gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden waarvan twaalf (12) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland, ook indien dat een ambulante behandeling bij een forensische polikliniek en/of een begeleiding vanuit een zorginstelling voor mensen met stoornissen en beperkingen inhoudt;

  • -

    draagt de reclasseringsinstelling op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , voornoemd van een bedrag van € 10.071,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2015;

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

  • -

    legt de maatregel op dat veroordeelde verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 10.071,81 ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de tijd van 85 dagen zal worden toegepast;

  • -

    bepaalt dat als veroordeelde heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als veroordeelde aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

tenuitvoerlegging vonnis met parketnummer

- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te ’s-Hertogenbosch d.d. 24 september 2014, te weten van 40 uren taakstraf;

Dit vonnis is gewezen door mr. F.C. Berg, voorzitter, mr. T. Avedissian en mr. A.M. Rikken, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie Oost-Nederland, district Twente met nummer BVH PL0600-2015518030 van 3 december 2015. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 25 oktober 2015, pagina’s 6 en 7.

3 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 24 oktober 2015, pagina 12.

4 Het proces-verbaal van de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2016, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 1] .

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 24 oktober 2015, pagina 16.

6 Het proces-verbaal van de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2016, inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2] .

7 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 24 oktober 2015, pagina 38 en 39.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 oktober 2015, pagina 9.

9 Een als bijlage 7 bij het door het slachtoffer ingediend voegingsformulierd.d. 13 april 2016 gevoegd bescheid

10 Een als bijlage 8 bij het door het slachtoffer ingediend voegingsformulierd.d. 13 april 2016 gevoegd bescheid