Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1562

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
10-02-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
C/08/181611 / FA RK 16-134
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter belast de vader die in detentie zit alleen met het gezag over de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/181611 / FA RK 16-134

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 10 februari 2016

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de vader,

thans verblijvende te [A] ,

verzoeker,

advocaat: mr. R. Kaya te Enschede,

en

[belanghebbende] ,

verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. K. ter Mors te Almelo.

Voorts wordt door de kinderrechter als belanghebbende aangemerkt:

Jeugdbescherming Overijssel,

de gecertificeerde instelling,

verder te noemen de GI of JBOv.

1 Het procesverloop

Op 21 januari 2016 is een verzoekschrift met bijlagen van de vader ter griffie ingekomen.

Op 25 januari 2016 is een e-mailbericht van mr. Ter Mors ter griffie ingekomen.

Op 26 januari 2016 heeft de vader aanvullende stukken in het geding gebracht.

De minderjarige [B] heeft haar mening aan de kinderrechter kenbaar gemaakt bij een op

29 januari 2016 ingekomen brief.

Op 2 februari 2016 is een e-mailbericht van de GI, met als bijlage een bericht van de moeder, ter griffie ingekomen.

De minderjarigen [C] en [D] zijn op 3 februari 2016 door de kinderrechter gehoord. Van dit verhoor is een apart proces-verbaal opgemaakt. [D] heeft na afloop van het gesprek met de kinderrechter een brief van [D] overgelegd, met daarin een brief van [E] .

De zaak is, gelijktijdig met het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling, bij deze rechtbank ingeschreven onder zaaknummer

C/08/180443 / JE RK 15-2076, behandeld ter zitting van 10 februari 2016.

Ter zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Kaya, mr. Ter Mors namens de moeder, en mevrouw [F] , verder ook de stiefmoeder te noemen.

De Raad voor de Kinderbescherming is vertegenwoordigd door de heer [G] . De GI is vertegenwoordigd door mevrouw [I] en mevrouw [J] . De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad, uit welke relatie zijn geboren de navolgende minderjarige kinderen:

[C] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

[B] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] ,

[D] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 3] ,

[E] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 4] .

De minderjarigen [C] , [D] en [E] zijn door de vader erkend. De moeder oefent alleen het gezag uit over de minderjarigen [C] , [D] en [E] . De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige [B] .

De minderjarigen [C] , [D] en [E] wonen op het adres van de vader en de stiefmoeder.

De minderjarige [B] woont bij de moeder.

Bij beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 6 februari 2015 is de ondertoezichtstelling van [C] , [B] , [D] en [E] verlengd tot 14 februari 2016. Bij dezelfde beschikking heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegouder 24-uurs verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3 Het verzoek

De vader verzoekt de kinderrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de vader alleen het ouderlijke gezag zal uitoefenen over de minderjarige kinderen.

4 Het verweer

De moeder verzoekt de kinderrechter het door de vader verzochte af te wijzen.

5 De standpunten

De vader stelt dat de moeder door haar persoonlijke problemen (verslaving) niet in staat is om de kinderen op te voeden en te verzorgen. De GI deelt deze mening en zij heeft de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te doen naar de noodzaak van een gezagsbeëindigende maatregel met betrekking tot moeder voor alle vier de kinderen.

[B] woont bij moeder. De andere drie kinderen worden sedert enkele jaren door vader en stiefmoeder verzorgd en opgevoed; eerst in [woonplaats 2] en later in [woonplaats 3] . Sinds vader gedetineerd is neemt stiefmoeder [F] feitelijk de opvoeding en verzorging alleen voor haar rekening. Het gezin is in afwachting van vaders terugkeer uit detentie. Vader noch stiefmoeder is formeel bevoegd om belangrijke beslissingen te nemen over de kinderen terwijl de moeder resoluut haar medewerking weigert aan het nemen van beslissingen die in het belang zijn van [C] , [D] en [E] . Zo werkt de moeder niet mee aan de inschrijving van de kinderen op een school in de buurt van het huis van stiefmoeder en vader en weigert zij haar toestemming te geven voor een verblijf van de kinderen bij de vader en de stiefmoeder thuis. Zij laat haar eigen belangen prevaleren boven de belangen van de kinderen. Eerdere pogingen om de vader in onderling overleg door een griffiersinschrijving mede met het gezag over [C] , [D] en [E] te belasten, zijn gestrand door administratieve fouten, terwijl de moeder hiervoor destijds wel haar toestemming heeft gegeven.

De moeder kan nu niet meer instemmen met het verzoek van de vader. Vader heeft met toestemming van de moeder meerdere kansen gehad om een gedeeld ouderlijk gezag te laten vastleggen maar het geld dat hij van moeder kreeg om dit te regelen, is opgegaan aan andere zaken. De moeder vindt niet dat een gedetineerde vader in staat kan worden geacht om het gezag over zijn kinderen uit te oefenen. Volgens de moeder kampt de vader naast verslavingsproblematiek ook met een anti-sociale persoonlijkheidsstoornis en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. De moeder ziet liever dat het gezag over de kinderen na beëindiging van haar eigen gezag wordt overgedragen aan de GI. Ze hoopt dat de kinderen hierdoor meer rust zullen krijgen.

De GI vindt dat gezag voor vader niet in het belang van de kinderen kan worden geacht zolang vader nog gedetineerd zit. De kinderen verblijven bij de stiefmoeder, over welke situatie de GI zich ernstige zorgen maakt. De GI heeft de Raad verzocht te onderzoeken of een gezagsbeëindigende maatregel met betrekking tot moeder noodzakelijk is en het heeft de voorkeur om het advies van de Raad naar aanleiding van dit onderzoek en de beslissing in hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om [D] en [E] in een gezinshuis af te wachten alvorens een beslissing te nemen op het verzoek van de vader. De GI wil dat het gezag (de voogdij) bij een neutrale derde komt te liggen zodat de kinderen niet klem of verloren raken tussen hun ouders.

[C] en [D] hebben in hun gesprek met de kinderrechter laten weten dat zij graag zouden zien dat hun vader wordt belast met het ouderlijk gezag. Ze hebben het erg naar hun zin bij de stiefmoeder en er is al geruime tijd geen contact meer met moeder. Hier hebben [C] en [D] ook geen behoefte aan. De zorgen die door moeder en de GI worden geuit over hun verblijf bij de stiefmoeder, worden door [C] en [D] weersproken. Het gaat goed met hen op school en op ander gebied. Zij ondervinden praktische problemen van het feit dat [F] (en vader) geen zeggenschap hebben en dat moeder en de GI hen niet helpen.

[B] heeft in haar brief aan de kinderrechter laten weten dat zij het liefste zou zien dat haar ouders gezamenlijk belast blijven met het gezag over haar. Als dat niet kan, dan wil ze dat haar vader het gezag krijgt. Ze wil niet dat de GI de voogdij krijgt. Ook [E] schrijft dat ze wil dat haar vader het gezag krijgt.

6 De beoordeling

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling ter zitting zijn verzoek om alleen met het ouderlijk gezag over [B] te worden belast, ingetrokken. Met betrekking tot [B] betkent dat dat ouders gezamenlijk met het gezag over haar belast blijven. De kinderrechter dient derhalve te beslissen op het verzoek van de vader om hem alleen met het gezag over [C] , [D] en [E] te belasten.

Het wettelijk criterium

De moeder is alleen belast met het gezag over [C] , [D] en [E] . Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, wordt het verzoek om de tot het gezag bevoegde ouder, bedoeld in het eerste lid, alleen met het gezag te belasten ingevolge het derde lid van voormeld artikel slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt.

Het oordeel

De kinderrechter stelt voorop dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is in het algemeen vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, dan wel ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Het gaat dan onder meer om beslissingen over medische behandelingen, schoolkeuze en het aanvragen van een paspoort, maar niet om beslissingen over de dagelijkse opvoeding. Het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders brengt evenwel niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het ouderlijk gezag aan één van de ouders moet (blijven) worden toegekend. Dit kan anders zijn indien de bestaande communicatieproblemen zodanig ernstig zijn dat er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders wanneer zij het ouderlijk gezag gezamenlijk gaan uitoefenen, zonder dat te verwachten is dat in die problemen binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. In dat geval kan de conclusie gerechtvaardigd zijn dat aan één van de ouders alleen het ouderlijk gezag over het kind toekomt dan wel blijft toekomen.

De kinderrechter acht zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een onderzoek te gelasten.

Het belang van de minderjarige is de maatstaf aan de hand waarvan het verzoek om gezagswijziging op de voet van artikel 1:253c, derde lid BW moet worden beoordeeld. De kinderrechter dient – in het licht van hetgeen in het belang van de minderjarige wenselijk is – de mogelijkheden die ieder van de ouders aan de minderjarige biedt of kan bieden af te wegen en aan de hand daarvan te beoordelen wie van de ouders het best met het gezag kan worden belast, waarbij tevens rekening zal moeten worden gehouden met mogelijke nadelen die voor de minderjarige verbonden kunnen zijn aan het enkele feit van een verandering van het gezag en een daarmee verband houdende wijziging van de verzorgingssituatie.

De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling ter zitting is, mede op grond van de stukken die de GI heeft ingediend naar aanleiding van haar verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [C] , [B] , [D] en [E] , gebleken dat de moeder door de GI niet in staat wordt geacht om het gezag over haar kinderen uit te voeren. De GI heeft de Raad daarom inmiddels verzocht om te onderzoeken of een gezagsbeëindigende maatregel aan de orde is.

Moeder erkent haar problematiek maar kan, net als de GI, niet achter het verzoek van vader staan. De kinderrechter stelt vast dat er reeds langere tijd geen sprake meer is van een gezagsverhouding tussen moeder en [C] , [D] en [E] . Die hebben geen contact meer met hun moeder en hebben daar om voor hun moverende redenen ook geen behoefte aan. Daarentegen zijn ze erg gek met hun vader en wonen zij met veel plezier bij hun stiefmoeder. Verzoeken van de GI tot uithuisplaatsing van [D] en [E] in een gezinshuis zijn eerder afgewezen omdat [D] bij herhaling heeft verklaard niet in een gezinshuis te willen wonen en bij stiefmoeder [F] , [C] (en nu ook de daar verblijvende) [E] te willen blijven. De GI gedoogt al geruime tijd het verblijf van [C] bij stiefmoeder, zonder voor dat verblijf een machtiging op adres bij [F] te verzoeken, terwijl moeder gehoor heeft gegeven aan de wens van [E] om ook bij stiefmoeder [F] te gaan wonen toen de machtiging voor uithuisplaatsing van [D] was afgewezen en [D] weer terugging naar stiefmoeder. Feitelijk gedoogt moeder, inmiddels samen met de GI, het verblijf van [E] bij [F] . Ook voor haar is geen machtiging op adres verzocht.

De kinderrechter acht de thuissituatie van stiefmoeder geschikt voor de kinderen. De GI heeft tegen de beslissing waarin machtiging voor een gezinshuis met betrekking tot [D] is afgewezen, hoger beroep ingesteld, maar er heeft nog geen behandeling plaatsgevonden en er is derhalve ook nog geen uitspraak gedaan. [C] , [D] en [E] wonen al geruime tijd, weliswaar dus zonder instemming van moeder en de GI, bij [F] . Naar het zich laat aanzien, zal ook vader zich binnen afzienbare tijd bij zijn gezin voegen. Desgevraagd hebben de kinderen aan de kinderrechter laten weten dat zij achter het verzoek van hun vader staan.

Naar het oordeel van de kinderrechter is het in het belang van de kinderen dat vader wordt belast met het ouderlijk gezag. Dit gezag zou eerder al met instemming van moeder tot stand zijn gekomen, ware het niet dat dit door fouten in het ambtelijk systeem of om andere redenen tot op heden niet is gelukt. Moeder had in het verleden kennelijk geen bezwaar tegen (mede)gezag van vader. Vader heeft het ouderlijk gezag wel nodig om belangrijke beslissingen te kunnen nemen voor zijn kinderen. Ouderlijk gezag voor vader doet recht aan de feitelijke situatie dat [C] , [D] en [E] al geruime tijd onder de hoede zijn van vader en stiefmoeder. De kinderrechter acht vader in staat om de belangen van zijn kinderen te behartigen. Het verzoek van de vader om te worden belast met het ouderlijk gezag over [C] , [D] en [E] zal daarom worden toegewezen. Die beslissing brengt met zich dat vader bepaalt waar de woonplek van [C] , [D] en [E] is, te weten bij zijn partner, stiefmoeder [F] .

Bij afzonderlijke beschikking van heden is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [C] , [D] en [E] afgewezen. Voor [B] is deze met een jaar verlengd.

De proceskosten

Omdat de vader en de moeder een relatie hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren minderjarigen betreft, zal de kinderrechter bepalen dat elk van de ouders de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De kinderrechter:

1. Belast de vader, [verzoeker] , geboren te [geboorteplaats 4] op [geboortedatum 5] met ingang van heden in de plaats van moeder met het eenhoofdig ouderlijk gezag over:

[C] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] ,

[D] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 3] ,

[E] , geboren te [geboorteplaats 3] op [geboortedatum 4] ;

2. Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3. Compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016 in tegenwoordigheid van B. Vlietstra, griffier.