Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1557

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
07-03-2016
Datum publicatie
03-05-2016
Zaaknummer
C/08/183145 / FA RK 16-475
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kinderrechter vertrouwt kind toe aan vader die niet met het gezag is belast, nu kind heeft aangegeven dat zij in veilige en vertrouwde omgeving wil blijven wonen en moeder geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team familierecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/183145 / FA RK 16-475

beschikking van de rechtbank Overijssel, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken d.d. 7 maart 2016

inzake

[verzoekster] ,

verder ook de vrouw te noemen,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,

verzoekster,

advocaat: mr. S.J.M. Masselink,

tegen

[belanghebbende] ,

verder ook de man te noemen,

wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,

belanghebbende,

advocaat: mr. L.J.A. Eshuis-Nijmeijer.

Het procesverloop

Op 23 februari 2016 is een verzoekschrift tot het verkrijgen van voorlopige voorzieningen ter griffie ingekomen.

Op 4 maart 2016 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie van deze rechtbank ingekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van 7 maart 2016. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw vergezeld door mr. Masselink en de man vergezeld door mr. Eshuis-Nijmeijer. De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [2001] ,

  • -

    [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [2004]

De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.


Op 29 januari 2016 is in de bodemprocedure, zaaknummer C/08/ 182022 FA RK 16-241, namens de man een verzoekschrift ingediend tot het verkrijgen van vervangende toestemming voor erkenning, toewijzing van het ouderlijk (mede)gezag en vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij hem. Op 30 maart 2016 hebben de kinderen de gelegenheid om hun mening aan de kinderrechter kenbaar te maken. De mondelinge behandeling van de bodemprocedure staat gepland op de zitting van
13 april 2016.

De standpunten van partijen
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat:

  • -

    de kinderen voorlopig aan de vrouw worden toevertrouwd en dat zij hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben;

  • -

    de vrouw een omgangsregeling heeft, inhoudende dat de kinderen de ene week bij de vrouw verblijven en de andere week bij de man verblijven.

Kosten rechtens.

Zij stelt dat de man zich gedurende de relatie van partijen nooit om de kinderen heeft bekommerd en zij toen de zorg voor de kinderen had. De samenwoning van de ouders is geëindigd; de vrouw heeft de woning, verlaten. De kinderen verblijven bij de man, maar zij worden niet door de man begrensd. De vrouw mag de kinderen van hem niet zien. De man handelt in strijd met de wet door de kinderen te onttrekken aan het ouderlijk gezag van de vrouw (art. 279 Sr).

De man voert verweer tegen het verzochte.
Hij stelt dat de kinderen te kennen hebben gegeven dat zij liever bij hem willen blijven wonen. De man betwist dat hij de kinderen in het conflict zou betrekken. Hij probeert de kinderen te stimuleren in de omgang met de vrouw, maar de kinderen hebben te kennen gegeven dat zij even geen contact met moeder wensen. Onlangs zijn de kinderen op zondag bij de vrouw geweest. De man heeft een tweewekelijkse weekendregeling voorgesteld, maar de vrouw kon daar niet mee instemmen, zij wenst een regeling waarbij de kinderen de ene week bij haar verblijven en de andere week bij vader. De man betwist dat hij de kinderen niet zou begrenzen. Hij handelt in hun belang.

De beoordeling van het verzoek en de motivering van de beslissing

  1. Tijdens de mondelinge behandeling op 7 maart 2016 hebben partijen, hun eerder ingenomen standpunten gehandhaafd. Vader heeft nog naar voren gebracht dat de woning van partijen voor hem is aangepast. Hij vindt het derhalve logisch dat hij in die woning blijft wonen. Moeder heeft naar voren gebracht dat zij de woning van partijen heeft verlaten, omdat vader nergens naartoe kon. Na een verblijf van enkele weken bij haar zus, kan moeder nu twee maanden in de woning van haar ouders verblijven. Deze is gelegen op loopafstand van de woning waar de ouders samen met de kinderen hebben gewoond. Zij is op zoek naar een huurwoning.

  2. De kinderrechter is van oordeel dat moeders verzoeken om de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan haar en om te bepalen dat zij hun hoofdverblijf bij haar zullen hebben, dienen te worden afgewezen. De kinderen verblijven thans in de voor hen vertrouwde woning bij vader, waar alles aanwezig is wat zij nodig hebben. In beginsel bepaalt de ouder met gezag, in dit geval moeder, de woonplek van de kinderen. Op dit moment is echter sprake van een situatie waarin de kinderen met vader in de woning verblijven, welke door moeder is verlaten. De kinderrechter heeft nog niet met [minderjarige 1] (en eventueel ook met [minderjarige 2] ) gesproken. Het minderjarigenverhoor is op latere datum bepaald in verband met vaders verzoek in de bodemprocedure om (ook) met gezag te worden belast en de hoofdverblijfplaats bij hem te bepalen. Uit een schriftelijke verklaring van [minderjarige 1] en uit wat ouders over de woonwens ter zitting hebben verklaard, blijkt dat de kinderen op dit moment in het voormalig ouderlijk huis wonen en daar willen blijven wonen. Dus bij vader. De kinderrechter acht het derhalve niet in hun belang om de kinderen uit die veilige en vertrouwde omgeving te halen en bij moeder in de woning van grootouders (mz) te laten verblijven.
    Ze kunnen daar slechts enkele weken verblijven en zouden dan met moeder weer moeten verhuizen naar een andere woning. Dat geeft onzekerheid voor de kinderen en gelet op de hectische situatie waarin zij zich thans bevinden, is dat niet wenselijk. De kinderen zijn op dit moment gebaat bij een voortgezet verblijf in de woning bij vader.

  3. De kinderrechter acht het van belang dat de kinderen een stabiel en regelmatig contact hebben met moeder. Gebleken is dat sinds moeder de woning heeft verlaten, inmiddels zo’n tien weken geleden, er geen dan wel sporadisch contact met de kinderen is geweest. Vader zegt dat als de kinderen naar moeder willen, hij dat goed vindt, maar de kinderen willen dat volgens hem niet. Hij wil de kinderen niet dwingen in het contact met moeder, omdat de kinderen dan ongelukkig worden en dat wil hij niet. De vader laat de kinderen te vrij in de keuze om wel of niet contact met moeder te hebben, terwijl vader juist de kinderen zou moeten stimuleren tot ruime omgang met moeder. Vader wil de kinderen niet dwingen als ze geen contact met moeder willen, maar het is zijn taak om de kinderen meer te stimuleren tot omgang. Kinderen met de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen ook wel eens niet naar school, maar dan moeten ze toch gaan. Het ligt op de weg van vader om een actieve(re) rol te spelen in het bewerkstelligen van contact tussen de kinderen en moeder.

  4. De kinderrechter deelt de visie van de Raad dat er een omgangsregeling moet komen, passend bij de situatie waarin moeder nog niet over eigen woonruimte beschikt maar wel dicht bij de kinderen verblijft in het huis van grootouders. Dit betekent dat een omgangsweekend op dit moment nog niet aan de orde is. In deze situatie is een frequenter en kortdurend contact meer op zijn plaats. De kinderen kunnen regelmatig ’s avonds bij moeder eten en in het weekend een dag bij moeder kunnen verblijven. Moeder en vader hebben ter zitting te kennen geven dat zij hiermee kunnen instemmen. Vader heeft daarbij wel opgemerkt dat [minderjarige 1] op zaterdag van 08.00 uur tot 17.00 een baantje als schoonmaker heeft bij [X] . Moeder heeft te kennen gegeven dat als vader een keer een weekendje weg wil met de kinderen, zij dat prima vindt. De kinderrechter zal een regeling vaststellen voor de duur van de bodemprocedure, waarbij de jongens een aantal keren ’s avonds mee-eten bij moeder, [minderjarige 2] op zaterdag bij moeder verblijft en [minderjarige 1] op zondag, een en ander zoals hieronder staat vermeld. De kinderrechter acht deze voorlopige regeling het meest in het belang van de kinderen. Mocht [minderjarige 1] onverhoopt andere afspraken met zijn moeder willen maken dan zal hij dat zelf met haar kunnen overleggen, gelet op zijn leeftijd. De kinderrechter gaat er vanuit dat vader zich zal inspannen om contact tussen de jongens en moeder te bewerkstelligen. Op korte termijn zal de kinderrechter met [minderjarige 1] en wellicht ook met [minderjarige 2] spreken over de verzoeken van vader en daarbij zal ook de omgangsregeling met moeder ter sprake komen.

De beslissing

De kinderrechter:

I. Bepaalt dat de kinderen voorlopig aan de man worden toevertrouwd.

II. Treft inzake het recht van de minderjarigen op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende voorlopige regeling:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op maandag van 17.30 uur tot 19.30 uur, op woensdag van 15.00 uur tot 19.30 uur en op vrijdag van 17.30 uur tot 19.30 uur bij moeder, bij wie zij dan zullen mee-eten. [minderjarige 2] verblijft op zaterdag van 09.00 uur tot 19.30 uur bij moeder en [minderjarige 1] verblijft op zondag bij moeder en hij maakt daarover zelf eventueel nadere afspraken met moeder.

II. Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H. Olthof, in tegenwoordigheid van H.-J. van der Woude als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2016.