Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1486

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
08-03-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
C/08/167595 / FA RK 15-246
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De kinderrechter veroordeelt de moeder tot nakoming omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom, nu zij zonder goede grond medewerking weigert te verlenen aan de omgang tussen de vader en het kind. De moeder maakt misbruik van gezag omdat zij met het kind met onbekende bestemming is vertrokken. De moeder wordt veroordeeld in de kosten van procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/167595 / FA RK 15-246

beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel d.d. 8 maart 2016

inzake

[verzoeker] ,

verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. M. Tijken te Oldenzaal,

en

[belanghebbende] ,

verder te noemen: de moeder,

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland dan wel daarbuiten,

belanghebbende,

advocaat: mr. S.J.M. Masselink te Almelo.

1 Het procesverloop

Op 4 februari 2015 is een verzoekschrift met bijlagen van de vader ter griffie ingekomen.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 mei 2015. Ter zitting is verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Tijken. De Raad voor de Kinderbescherming, verder ook de Raad te noemen, is vertegenwoordigd door de heer [X] . Jeugdbescherming Overijssel, verder ook de GI te noemen, is vertegenwoordigd door de heer [Z] . De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

Op 13 mei 2015 is aan de Raad verzocht om een onderzoek te verrichten en daarover te rapporteren en te adviseren.

Op 21 september 2015 is een rapport van de Raad ter griffie ingekomen.

Op 7 oktober 2015 is een verweerschrift met bijlagen ter griffie ingekomen.

Op 8 oktober 2015 heeft de moeder aanvullende stukken in het geding gebracht.

Op 29 oktober 2015 is een e-mailbericht van de GI ter griffie ingekomen.

Op 14 januari 2016 is een aanvullend verzoek van de vader ter griffie ingekomen.

Op 15 januari 2016 is een bericht van mr. Masselink ter griffie ingekomen.

Op 21 januari 2016 is een e-mailbericht van de GI ter griffie ingekomen.

Op 5 februari 2016 heeft de moeder aanvullende stukken in het geding gebracht.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 10 februari 2016. Ter zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door mr. Tijken en mr. Masselink, namens de moeder. De Raad is vertegenwoordigd door de heer [Q] . De standpunten zijn toegelicht. Van de behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De beschikking is bepaald op heden.

2 De feiten

De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is geboren het navolgende minderjarige kind:

[D] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] .

Bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 5 november 2014 is de vader, samen met de moeder, belast met het ouderlijk gezag over [D] en is een zorg- en contactregeling vastgesteld.

[D] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de moeder.

De ondertoezichtstelling van [D] is met ingang van 5 november 2015 afgesloten.

3 Het verzoek

De vader verzoekt de kinderrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. te bepalen dat [D] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader zal hebben;

  2. te bepalen dat de moeder het recht op omgang met [D] wordt ontzegd.

Bij aanvullend verzoek verzoekt de vader bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor het geval het primaire verzoek van de vader zal worden afgewezen, althans wanneer hij niet-ontvankelijk wordt verklaard:

  1. te bepalen dat de moeder dient mee te werken aan de omgangsregeling zoals is vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Overijssel van 5 november 2014, inhoudende dat hij voor een periode van drie maanden, te beginnen op de eerste zaterdag na de te wijzen beschikking, vier uur per veertien dagen contact heeft met [D] , vervolgens drie maanden zes uur per veertien dagen en daarna acht uur per veertien dagen;

  2. te bepalen dat voor de periode daaropvolgend de vader gerechtigd is [D] bij zich te ontvangen gedurende een weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur;

althans te bepalen dat de moeder dient mee te werken aan een door de kinderrechter vast te stellen omgangsregeling;

te bepalen dat de moeder de vader in januari en juli over de (schoolgang en de gezondheid van de) minderjarige zal informeren en een aantal recente foto’s van de minderjarige aan de vader zal sturen;

te bepalen dat de moeder voor iedere keer dat zij in strijd handelt met het onder a t/m d verzochte, aan de vader een dwangsom verbeurt van € 1000,- tot een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 15.000,-;

de vader te machtigen om de tenuitvoerlegging van de te wijzen beschikking te bewerkstelligen door gijzeling van de moeder gedurende twee dagen voor iedere dag dat zij in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen;

de vader te machtigen om met behulp van de sterke arm van politie en justitie de tenuitvoerlegging van de te wijzen beschikking te bewerkstelligen, indien de moeder in gebreke blijft om aan het bij beschikking bepaalde te voldoen;

althans een zodanige beschikking te wijzen als de rechtbank in het belang van de minderjarige acht;

een en ander (primair en subsidiair) met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure.

4 Het verweer

De moeder verzoekt de kinderrechter om de vader niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans het door de vader verzochte af te wijzen, met veroordeling van de vader in de proceskosten.

5 De beoordeling

Tussen partijen is in geschil de hoofdverblijfplaats van [D] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [D] .

Het wettelijk criterium

Ingevolge artikel 1:253a leden 1 en 2 BW in samenhang met artikel 1:377a en c BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;

b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;

d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.

Het oordeel

De vader verzoekt primair om de hoofdverblijfplaats van [D] te wijzigen in die zin dat hij zijn hoofdverblijfplaats bij de vader krijgt. De kinderrechter is van oordeel dat dit verzoek van vader nu niet in het belang van [D] kan worden geacht. Een wijziging van de hoofdverblijfplaats zou voor [D] betekenen dat hij (wederom) uit zijn vertrouwde omgeving wordt gehaald en hoewel de kinderrechter de zorgen van vader om het welzijn van [D] kan begrijpen, is niet gebleken of komen vast te staan dat de moeder nalatig is in de verzorging en opvoeding van [D] . De kinderrechter zal daarom dit verzoek van de vader afwijzen. Nu het verzoek van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats is afgewezen, behoeft het verzoek van vader met betrekking tot de ontzegging van de omgang tussen de moeder en [D] geen verdere behandeling.

Thans resteert nog het aanvullend verzoek van de vader. Bij de beoordeling van dit verzoek, dat strekt tot nakoming van een eerder in een beschikking van de rechtbank vastgestelde zorg- en contactregeling heeft als uitgangspunt te gelden dat deze regeling, zolang deze haar kracht niet heeft verloren, dient te worden nagekomen tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die de niet-nakoming dan wel de gedeeltelijke of gewijzigde nakoming rechtvaardigen.

De kinderrechter stelt vast dat op 5 november 2014 op verzoek van de vader door deze rechtbank een beschikking is gegeven, inhoudende, voor zover thans van belang, dat vader samen met de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over [D] en dat vader gedurende de eerste drie maanden vier uur per veertien dagen contact zal hebben met [D] , vervolgens drie maanden zes uur per veertien dagen en daarna acht uur per veertien dagen, toen nog onder begeleiding van de gezinsvoogd. Inmiddels is de ondertoezichtstelling van [D] opgeheven. Tegen eerdergenoemde beschikking is door de moeder geen hoger beroep ingesteld. Ook heeft de moeder zelf geen verzoek bij de rechtbank ingediend tot wijziging van de vastgestelde zorg- en contactregeling. De kinderrechter is van oordeel dat vooralsnog niet genoegzaam is gebleken van bijzondere omstandigheden die niet nakoming dan wel gewijzigde nakoming van de beschikking van

5 november 2014 rechtvaardigen. De door moeder aangedragen redenen voor niet-nakoming zijn onvoldoende onderbouwd dan wel niet voldoende komen vast te staan. Het had op haar weg gelegen om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de kinderrechter van

5 november 2014, dan wel zelf een verzoekschrift in te dienen, strekkende tot wijziging van de in deze beschikking vastgestelde zorg- en contactregeling.

Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen is besproken, leidt de kinderrechter af dat de moeder het heeft laten afweten. Zij is met een voor de vader onbekende bestemming vertrokken en heeft [D] meegenomen. Hiermee onthoudt zij de vader van de bij beschikking vastgestelde contactmomenten met [D] . Moeder heeft ook geen medewerking aan een door de kinderrechter in deze zaak verzocht onderzoek door de Raad verleend. De door moeder in haar verweerschrift gestelde standpunten zijn derhalve niet door de Raad bevestigd.

De kinderrechter kan thans, ruim negen maanden na de eerste behandeling ter zitting, niet anders concluderen dan dat moeder zonder goede grond weigert haar medewerking te verlenen aan omgang tussen [D] en zijn vader. Moeder is niet in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van 5 november 2014 en ze heeft geen rekest ingediend strekkende tot wijziging van voornoemde omgangsregeling.

Ze pleegt daarmee eigenrichting en maakt misbruik van haar ouderlijk gezag door omgang in de weg te staan. Het verzoek tot nakoming van de omgangsregeling komt de kinderrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en dient dan ook te worden toegewezen, met dien verstande dat vader in het aanvullend verzoek subsidiair, voor het geval zijn verzoek tot het bepalen van de hoofdverblijfplaats bij hem zou worden afgewezen, heeft verzocht de omgang te hervatten met een opbouw zoals hiervoor onder 3 sub b omschreven.

Vader heeft nakoming van de omgangsregeling en de informatieverplichting verzocht op straffe van verbeurte van een dwangsom. Ook dat verzoek behoort te worden toegewezen. Naar het oordeel van de kinderrechter dient er een prikkel voor de moeder te komen om de beschikking van 5 november 2014 en de informatieverplichting na te komen. De kinderrechter ziet geen reden om de dwangsom te matigen. Hij zal de door de vader verzochte dwangsom daarom toewijzen.

De proceskosten

Uitgangspunt is dat wanneer partijen een relatie hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren minderjarige betreft, de kinderrechter bepaalt dat elk van de ouders de eigen kosten draagt. Partijen hebben over en weer verzocht tot veroordeling van de andere partij in de proceskosten. De kinderrechter overweegt als volgt. Voor een veroordeling van de vader in de kosten van deze procedure ziet de kinderrechter geen aanleiding. De vader heeft om hem moverende redenen gemeend zijn verzoek te moeten indienen, mede gelet op het feit dat hij reeds lange tijd geen omgang heeft gehad met [D] . Het is zijn goed recht om hierover een beslissing te verlangen van de kinderrechter. Het is de kinderrechter niet gebleken dat de vader als een chicanerende dan wel querulerende procespartij moet worden aangemerkt. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de moeder te veroordelen in de proceskosten. Zij heeft een bij beschikking vastgestelde contactregeling tussen de vader en [D] bewust naast zich neergelegd door zich met [D] te vestigen op een voor de vader onbekende bestemming. De moeder heeft vervolgens in het geheel niet gereageerd op initiatieven van de vader om buiten een gerechtelijke procedure te trachten het contact met [D] weer tot stand te brengen. Evenmin heeft zij meegewerkt aan een door de kinderrechter in deze zaak verzocht onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. De kinderrechter is van oordeel dat deze opstelling van de moeder onredelijk is geweest. Door haar opstelling restte de vader niets anders dan een verzoekschrift in te dienen bij de rechtbank, met alle kosten van dien.

6 De beslissing

De kinderrechter:

1. Veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorg- en contactregeling die is vastgesteld bij beschikking van 5 november 2014, zulks met de opbouw als hiervoor onder 3 sub b overwogen, dit op straffe van verbeurte een dwangsom van € 1.000,- voor elke keer dat zij de zorg- en contactregeling niet nakomt, met een maximum van € 15.000,-;

2. Legt aan de moeder de verplichting op om telkens in de maanden januari en juli van ieder jaar schriftelijk te informeren over de ontwikkelingen van [D] op het gebied van – onder mogelijk meer – gezondheid, schoolprestaties, vrijetijdsbesteding en sociaal leven,

daaronder begrepen het toezenden van recente foto’s en afschriften van schoolrapporten van [D] , eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,- voor elke keer dat zij die verplichting niet nakomt, met een maximum van

€ 15.000,-;

3. Veroordeelt de moeder in de kosten van deze procedure, welke kosten aan de zijde van de vader worden begroot op € 285,00 wegens verschuldigd griffierecht en € 1.356,00 wegens (forfaitaire) kosten van zijn advocaat wegens het vervaardigen van het verzoekschrift en de aanwezigheid ter zitting op 13 mei 2015 en 10 februari 2016, mitsdien in totaal

€ 1.641,00;

4. Verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. Wijst af het meer of anders verzochte, in het bijzonder het verzoek om de hoofdverblijfplaats van [D] bij de vader te bepalen.

Deze beschikking is gegeven te Almelo door mr. J.H. Olthof en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2016 in tegenwoordigheid van B. Vlietstra, griffier.

.