Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1480

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
08.910038-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt een 32-jarige man vrij van mensenhandel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.910038-15 (P)

Datum vonnis: 26 april 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 25 februari 2016 en 12 april 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Vloedbeld en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. G. Bakker, advocaat te Groningen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met (een) ander(en) schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel jegens de minderjarige [slachtoffer] .

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, na wijziging tenlastelegging, dat:

hij in of omstreeks de periode van 6 t/m 12 mei 2014 en 17 t/m 20 mei 2014 te Groningen en/of te Stadskanaal en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een ander genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1996

- (telkens) heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 2°) terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt,

en/of

- (telkens) een ander, genaamd [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] 1996 ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°) terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt,

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde tegen betaling, (sub 8°), terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt,

immers heeft hij, verdachte, werkruimte en/of woonruimte in zijn woning aan de [adres 1] aan die [slachtoffer] en/of [betrokkene 1] ter beschikking gesteld en/of heeft hij, verdachte, die [betrokkene 1] voornoemd en/of die [slachtoffer] , gefaciliteerd met internet voor het maken en/of het plaatsen van (een) seksadvertentie(s) van die [slachtoffer] op een of meerdere sexsites en/of heeft hij, verdachte, die [slachtoffer] en/of [betrokkene 2] een of meermalen met zijn auto vervoerd naar haar/hun escortadres.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake het ten laste gelegde (zulks met uitzondering van het ter zake artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 5 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ten laste gelegde) te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

De officier van justitie heeft verder toewijzing gevorderd van de vordering van de benadeelde partij van € 1.500,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De bewijsoverwegingen

5.1

De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegd requisitoir, op het standpunt gesteld dat het ter zake artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 2 en 8 alsmede derde lid, aanhef sub 1 Sr ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van het ter zake artikel 273f, eerste lid, aanhef en sub 5 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ten laste gelegde heeft de officier van justitie vrijspraak gevorderd.

De raadsman van verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem ten laste gelegde integraal dient te worden vrijgesproken omdat dit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

5.2

De bewijsoverwegingen van de rechtbank

Art. 273f Sr, waarop de tenlastelegging is toegesneden, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
"1. Als schuldig aan mensenhandel wordt (…) gestraft:

(…)

2º. degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander (…), terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

(...)

5º. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (…) dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen (…), terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;

(…)

8º. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met of voor een derde tegen betaling (…) terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.”

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel als bedoeld in artikel 273f lid 1 respectievelijk sub 2, sub 5 en sub 8 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank duidt de verschillende cumulatief tenlastegelegde onderdelen hieronder respectievelijk aan als het ten 1e, ten 2e en ten 3e tenlastegelegde.

Ten aanzien van het ten 1e ten laste gelegde (artikel 273f lid 1 aanhef en sub 2 Sr):

Dit onderdeel ziet op de uitbuiting van minderjarigen, een specialis van mensenhandel zoals strafbaar gesteld in lid 1 onder 1º Sr. Er hoeft met betrekking tot dit sublid geen sprake te zijn van de in lid 1onder 1º Sr genoemde dwangmiddelen. De rechtbank ziet zich in het kader van het ten 1e ten laste gelegde daarom enkel gesteld voor de volgende vragen:

1. Heeft verdachte de in de tenlastelegging genoemde persoon geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen? (de zogenaamde handelingen);

2. Heeft verdachte gehandeld met het oogmerk van uitbuiting?

3. Heeft de in de tenlastelegging genoemde persoon de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt?

Ten aanzien van de onder 1 genoemde vraag overweegt de rechtbank als volgt.

huisvesten:

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte aangeefster [slachtoffer] heeft gehuisvest. Uit de bewijsmiddelen is namelijk gebleken dat verdachte op verzoek van zijn vriend [naam] aangeefster en medeverdachte [betrokkene 1] in de periode van 6 tot en met 12 mei 2014 en in de periode van 17 tot en met 20 mei 2014 in zijn woning aan de [adres 2] te [woonplaats 2] heeft laten verblijven.

Vervoeren:

Daarnaast is uit de bewijsmiddelen gebleken dat verdachte op 19 mei 2014 met zijn auto aangeefster en [betrokkene 2] heeft vervoerd naar een escortadres in [plaats] .

Voorts is gebleken dat aangeefster in de ten laste periode de 18-jarige leeftijd nog niet had bereikt.

Oogmerk van uitbuiting:

Ten aanzien van het ten 1e ten laste gelegde dient vervolgens te worden vastgesteld of ook vraag 2 in positieve zin kan worden beantwoord: heeft verdachte gehandeld met het oogmerk van uitbuiting? Hiervoor is vereist dat “het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat de ander door hem werd of zou kunnen worden uitgebuit.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de handelwijze van verdachte, te weten het huisvesten en vervoeren van aangeefster, niet dat hij noodzakelijkerwijs moet hebben beseft dat aangeefster door hem zou kunnen worden uitgebuit. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat verdachte wist dat aangeefster in de prostitutie zat en daarmee (zowel in zijn woning en op het adres in [plaats] ) geld verdiende.

De verklaring van aangeefster dat verdachte € 200,00 vroeg voor het gebruik van zijn woning wordt niet ondersteund door andere objectieve bewijsmiddelen. Verdachte ontkent dit en heeft verklaard dat hij voor het verblijf 15 á 20 gram wiet heeft ontvangen. Daargelaten het antwoord op de vraag of verdachte daadwerkelijk € 200,00 heeft gevraagd voor het gebruik van zijn woning, is niet gebleken dat verdachte wist dat dit geldbedrag uit prostitutiewerkzaamheden afkomstig was. Nu een dergelijk geldbedrag als reële vergoeding voor het gebruik van de woning kan worden aangemerkt, kan niet worden aangenomen dat sprake is van uitbuiting noch dat het oogmerk van verdachte op die uitbuiting was gericht.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voor het ten 1e tenlastegelegde niet kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk van uitbuiting. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de rechtbank verdachte daarom vrijspreken.

Ten aanzien van het ten 2e ten laste gelegde (artikel 273f lid 1 aanhef en sub 5 Sr):

Ook in lid 1 onder 5º van artikel 273f Sr ontbreekt de eis dat sprake moet zijn van dwangmiddelen, omdat dit onderdeel ziet op de bescherming van minderjarigen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen niet valt af te leiden dat verdachte handelingen heeft verricht die aangeefster ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen (sub 5, eerste gedeelte).

Evenmin is gebleken dat verdachte ten aanzien van aangeefster enige handeling heeft ondernomen waarvan hij weet of redelijkerwijs moest vermoeden dat aangeefster zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen (sub 5, tweede gedeelte).

Aldus komt de rechtbank tot een vrijspraak van het ten 2e tenlastegelegde.

Ten aanzien van het ten 3e ten laste gelegde (artikel 273f lid 1 aanheft en sub 8 Sr):

De rechtbank volgt het verweer van de raadsman dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van aangeefster. Voor zover verdachte € 200,00 per week zou ontvangen voor het verblijf van aangeefster in zijn woning geldt, zoals hiervoor reeds is overwogen, dat uit de bewijsmiddelen niet is gebleken dat verdachte wist dat dit geldbedrag door middel van prostitutiewerkzaamheden werd verkregen.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat aan het voor het ten 3e tenlastegelegde vereiste opzet niet is voldaan.

Gelet hierop zal de rechtbank verdachte ook van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

5.3

De conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan integraal zal vrijspreken.

6 De vordering van de benadeelde partij

De rechtbank zal de benadeelde partij [slachtoffer] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat verdachte van het feit ten gevolge waarvan die benadeelde partij schade zou hebben geleden, zal worden vrijgesproken.

7. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] in het geheel niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Edelenbos, voorzitter, mr. F. van der Maden en mr. R.A.M. Elbers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.R. Lageveen als griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.

Mr. R.A.M. Elbers voornoemd en mr. F. van der Maden voornoemd waren buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.