Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1479

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
05/860081-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door na te laten de curator van de benodigde gegevens en informatie te voorzien. Door toedoen van verdachte werd de curator niet in staat gesteld enig inzicht te krijgen in de financiële gang van zaken binnen de gefailleerde ondernemingen van verdachte en werd het de curator onmogelijk gemaakt het faillissement naar behoren af te wikkelen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast krijgt hij ook een beroepsverbod opgelegd voor de duur van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1233
INS-Updates.nl 2016-0197
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer: 05/860081-13

Datum vonnis: 26 april 2016

Vonnis op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 in [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] , [adres] .

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 12 mei 2015 (regiezitting) en 12 april 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. P. de Jong en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. R.C. Vermeer, advocaat te Rhenen, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: zich heeft schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door geen administratie van de besloten vennootschappen waarvan hij bestuurder was over te leggen;

feit 2: als bestuurder van een rechtspersoon die failliet was verklaard, geweigerd heeft ten kantore van de curator te verschijnen;

feit 3: zich heeft schuldig gemaakt aan faillissementsfraude door goederen aan de boedel van de B.V. waarvan hij bestuurder, was te onttrekken.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 16 april 2009

tot en met 15 juni 2012 in de gemeente(n) Nijverdal en/of Eindhoven en/of

Rotterdam, althans in Nederland, als de feitelijke bestuurder van de [stichting]

en/of (daarmee) van een of meer rechtsperso(o)n(en), te weten

- de besloten vennootschap [bedrijf 1] , welke besloten vennootschap op

27 oktober 2009 door de Rechtbank te ‘s Hertogenbosch in staat van

faillissement was verklaard, en/of

- de besloten vennootschap [bedrijf 2] , welke besloten

vennootschap op 9 maart 2010 door de Rechtbank te Groningen in staat van

faillissement was verklaard, en/of

- de besloten vennootschap [bedrijf 3] , welke besloten vennootschap

op 4 mei 2010 door de Rechtbank te ‘s Hertogenbosch in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeiser(s) van die

besloten vennootschap(pen), (telkens) niet heeft voldaan aan de op hem, verdachte, rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste

lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15a, eerste lid en/of artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en/of het bewaren en/of te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 mei 2010

tot en met 15 juni 2012 in de gemeente(n) Eindhoven en/of ‘s Hertogenbosch

en/of Borne, als degene die op 27 oktober 2010 door de arrondissementsrechtbank

te ‘s Hertogenbosch ( [bedrijf 1] ) en/of op 9 maart 2010 door de arrondissementsrechtbank te Groningen ( [bedrijf 2] ) en/of op 4 mei 2010 door de arrondissementsrechtbank te ‘s Hertogenbosch ( [bedrijf 3] ) in staat van faillissement was verklaard, terwijl hij, verdachte, (telkens) in verband met voornoemd(e) faillissement(en) wettelijk door R.A.M.L. van Oeijen, curator te Eindhoven, was opgeroepen tot het geven van inlichtingen, (telkens) zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en/of heeft hij, verdachte (telkens) geweigerd de vereiste inlichtingen (volledig) te geven,

immers heeft hij, verdachte, niet voldaan aan het verzoek tot uitlevering van de volledige administratie en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers en/of heeft hij, verdachte, meerdere malen geen gehoor gegeven aan uitnodigingen om ten kantore van voornoemde curator te verschijnen;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 april 2009 tot en met 15 juni 2012 in de gemeente(n) Nijverdal en/of Eindhoven en/of Rotterdam en/of Groningen, althans in Nederland, terwijl verdachte als bestuurder van

- de besloten vennootschap [bedrijf 1] , welke besloten vennootschap op

27 oktober 2009 door de Rechtbank te ‘s Hertogenbosch in staat van

faillissement was verklaard, en/of

- de besloten vennootschap [bedrijf 2] , welke besloten vennootschap op

9 maart 2010 door de Rechtbank te Groningen in staat van faillissement was verklaard,

en/of

- de besloten vennootschap [bedrijf 3] , welke besloten vennootschap

op 4 mei 2010 door de Rechtbank te ‘s Hertogenbosch in staat van

faillissement was verklaard,

ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s) lasten heeft verdicht en/of (telkens) baten niet heeft verantwoord en/of (telkens) enig goed aan de boedel heeft onttrokken,

immers heeft hij, verdachte, toen aldaar (telkens) - een bedrag van 446.499,88 euro en/of

- een bedrag van 5.222,40 euro en/of - een of meer bakkerijmachine(s) ter waarde van (in totaal) 89.250 euro en/of een vrachtauto ter waarde van 13.387,50 niet verantwoord en/of aan de boedel onttrokken, althans (telkens) (een) ba(a)t(en) niet verantwoord en/of (telkens) enig geld en/of enig goed aan de boedel onttrokken en/of (telkens) voornoemd(e) geldbedrag(en) en/of de opbrengst van de verkoop van voornoemde vrachtauto niet verantwoord en/of niet op de rekening van de boedel gestort, althans (telkens) verzwegen voor zijn curator.

3 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten wordt veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en ontzetting van de uitoefening van het beroep van feitelijk bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van twee jaren.

4 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 16 april 2009 tot en met 15 juni 2012 in Nederland als de feitelijke bestuurder van de [stichting] en daarmee van de besloten vennootschap [bedrijf 3] , welke besloten vennootschap op 4 mei 2010 door de Rechtbank te

‘s Hertogenbosch in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van die besloten vennootschap, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het ingevolge artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15a, eerste lid en/of artikel 15i van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en/of artikel 5, eerste lid van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te voorschijn brengen van de boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers in dat/die artikel(en) bedoeld;

2.

hij in de periode van 4 mei 2010 tot en met 15 juni 2012 in de gemeenten Eindhoven en

’s Hertogenbosch en Borne, als bestuurder van een rechtspersoon, te weten [bedrijf 3] , welke rechtspersoon op 4 mei 2010 door de arrondissementsrechtbank te

‘s Hertogenbosch in staat van faillissement was verklaard, terwijl hij in verband met voornoemd faillissement wettelijk door R.A.M.L. van Oeijen, curator te Eindhoven, was opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden opzettelijk is weggebleven en/of heeft geweigerd de vereiste inlichtingen volledig te geven, immers heeft hij niet voldaan aan het verzoek tot uitlevering van de volledige administratie en de daarop betrekking hebbende gegevensdragers en heeft hij meermalen geen gehoor gegeven aan uitnodigingen om ten kantore van voornoemde curator te verschijnen;

3.

hij in de periode van 15 april 2009 tot en met 15 juni 2012 in Nederland, als bestuurder van

de besloten vennootschap [bedrijf 3] , welke besloten vennootschap op 4 mei 2010 door de Rechtbank te ‘s Hertogenbosch in staat van faillissement was verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers,

- een bedrag van 433.112,38 euro (zijnde het tenlastegelegde bedrag van 446.499,88 euro minus het bedrag van de waarde van de vrachtauto, te weten 13.387,50 euro) en

- een bedrag van 5.222,40 euro en

- bakkerijmachines ter waarde van in totaal 89.250,-- euro en

- een vrachtauto ter waarde van 13.387,50 euro,

niet heeft verantwoord en aan de boedel heeft onttrokken.

In geval van hoger beroep zullen de gebruikte bewijsmiddelen worden opgenomen in een aanvulling op dit vonnis. De in die bewijsmiddelen voorkomende feiten en omstandigheden zijn redengevend voor deze beslissing. De inhoud van de bewijsmiddelen is telkens alleen gebruikt voor het bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, zodat de rechtbank hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij de artikelen 194 en 343 Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld;

feit 2

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard en die wettelijk is opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijven, hetzij weigeren de vereiste inlichtingen te geven;

feit 3

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed niet verantwoorden en aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

8 De op te leggen straf of maatregel

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een rechtspersoon schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk door na te laten de curator van de benodigde gegevens en informatie te voorzien en door, ten nadele van de schuldeisers van de [bedrijf 3] , goederen en/of geld, bestemd voor saneringsdoeleinden van deze vennootschap, aan de boedel te onttrekken. Daarvan is een deel in de privésfeer van verdachte gebracht en een deel aangewend om, zonder een daartoe bestaande verplichting, schulden te voldoen van andere schuldeisers dan die van de [bedrijf 3] . Door toedoen van verdachte werd de curator niet in staat gesteld enig inzicht te krijgen in de financiële gang van zaken binnen de gefailleerde ondernemingen van verdachte en werd het de curator onmogelijk gemaakt het faillissement naar behoren af te wikkelen.

Verdachte is als ervaren ondernemer in het verleden meermalen bij faillissementen betrokken geweest en was dus bekend met de op hem rustende verplichtingen aangaande een faillissement. Daar komt bij dat hij nauwelijks inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen. Ter zitting heeft verdachte zich gepresenteerd als een ondernemer die de administratie goed op orde had, de curator van voldoende informatie heeft voorzien en voornamelijk goede bedoelingen had met de uit de boedel onttrokken goederen en geldbedragen. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee zijn kwalijke rol in het gebeuren volledig miskent en een externaliserende houding aanneemt met betrekking tot hem onder feit en 1 en feit 2 genoemde verplichtingen.

Met betrekking tot de aan verdachte op te leggen straf is de rechtbank van oordeel dat een geheel voorwaardelijke vrijheidsstraf en een taakstraf, zoals gevorderd door de officier van justitie, niet in verhouding staat tot de ernst en omvang van de door verdachte gepleegde feiten. De hoogte van het benadelingsbedrag bedraagt in totaal ruim € 550.000,--.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS),vermelden bij een benadelingsbedrag van € 250.000,-- tot € 500.000,--, een gevangenisstraf van twaalf tot achttien maanden onvoorwaardelijk. Naar het oordeel van de rechtbank zijn ter terechtzitting geen, dan wel onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan in belangrijke mate van genoemde oriëntatiepunten zou moeten worden afgeweken. Aldus is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een straf dient te worden opgelegd die hoger is dan door de officier van justitie gevorderd. Hoewel naar het oordeel van de rechtbank van een onredelijke termijnoverschrijding geen sprake is en de zaak met de nodige voortvarendheid is afgedaan, zal de rechtbank ten voordele van verdachte rekening houden met het tijdsverloop tussen het moment waarop [bedrijf 3] failliet is verklaard en de uiteindelijke inhoudelijke behandeling van de zaak ter terechtzitting.

Verder zal de rechtbank de duur van de straf enigszins matigen nu verdachte niet eerder ter zake feiten als de onderhavige is veroordeeld.

Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat, gelet op de aard, ernst en omvang van de bewezenverklaarde feiten, zoals hiervoor overwogen, aan verdachte een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur dient te worden opgelegd. De rechtbank zal verder, naast een ontzetting van de uitoefening van het beroep van feitelijk bestuurder van een rechtspersoon, een deel van de op te leggen straf voorwaardelijk doen zijn, ook om verdachte ervan te weerhouden zich andermaal aan feiten als de onderhavige schuldig te maken.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 28, 57 en 349 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke korting van de rechten der schuldeiser van de rechtspersoon, niet voldoen aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek of artikel 5, eerste lid, van de Wet op de formeel buitenlandse vennootschappen in samenhang met artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld;

feit 2

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon die in staat van faillissement is verklaard en die wettelijk is opgeroepen tot het geven van inlichtingen, hetzij zonder geldige reden opzettelijk wegblijven, hetzij weigeren de vereiste inlichtingen te geven;

feit 3

het misdrijf: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon, enig goed niet verantwoorden en aan de boedel onttrekken, meermalen gepleegd;

verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijk deel van straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- ontzet veroordeelde van de uitoefening van het beroep van feitelijk bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Stoové, voorzitter, mr. F.H.W. Teekman en

mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van P.G.M. Klaassen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2016.