Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1457

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
09-05-2016
Zaaknummer
C/08/183842 / KG ZA 16-91
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Nakomen overeenkomst, afbreken onderhandelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/1322
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zwolle

zaaknummer / rolnummer: C/08/183842 / KG ZA 16-91

Vonnis in kort geding van 22 april 2016

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [plaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. E.A.M. Claassen te Zwolle,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Loor te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met de producties 1 tot en met 15

  • -

    de producties 1 tot en met 16 van [gedaagde]

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] drijft onder de naam SHE Fashion een eenmanszaak met twee damesmodewinkels in [plaats 1] en in [plaats 3] .

2.2.

[gedaagde] heeft in het kader van haar mode-opleiding gedurende twee jaren stage gelopen bij de vestiging van SHE Fashion te [plaats 3] . Na afronding van haar opleiding is [gedaagde] vanaf medio 2014 als oproepkracht bij SHE Fashion te [plaats 3] werkzaam geweest.

2.3.

Vanaf mei 2015 hebben partijen gesproken over de overname van de vestiging van SHE Fashion te [plaats 3] door [gedaagde] .

2.4.

In september 2015 heeft [gedaagde] contact opgenomen met de verhuurders van het winkelpand te [plaats 3] , de heer en mevrouw [A] . [gedaagde] heeft met hen afgesproken dat als zij de winkel overneemt, zij het pand onder dezelfde voorwaarden kan huren als [eiseres] .

2.5.

Op 20 november 2015 hebben partijen gesproken over de hoogte van de koopsom van de inventaris en de voorraad van de winkel. Naar aanleiding van dit gesprek heeft [eiseres] op 1 december 2016 de volgende mail naar [gedaagde] gestuurd:

“(…) Vorige week hebben wij ( [B] , je vader, [C] en [D] ) mondeling afgesproken dat per 31 december 2015 de complete inventaris (kassa, camera ‘s, lichtplan, elektrische apparaten en alles wat bij de winkel hoort van SHE fashion [plaats 3] ) voor 90.000 euro wordt overgenomen en de voorraad per 31 december tegen inkoopwaarde - 40% korting (behalve nieuwe collectie), dit is excl. btw.

Ook personeel werkzaam in [plaats 3] , [E] , [F] en [G] maken onderdeel uit van deze overname, wij zullen samen dit aan hen melden met tevens het verzoek om uren in te leveren (volgende week?) Wij hebben samen hier al een voorzetje van gemaakt, jij zou deze nog iets aanpassen (mocht ik je hier nog mee moeten helpen hoor ik het wel). Nieuwjaarsdag staat gepland om samen te balansen, zodat wij de voorraad in beeld hebben. Ook de huur wordt per 1 januari door jou overgenomen. Hier hebben jullie samen met fam. [A] al contact over gehad. Wij hebben inmiddels de huur per 31 december 2015 opgezegd. Afgelopen maandagochtend hebben wij de zaken doorgenomen, en afgesproken wie wat gaat regelen. Jij gaat nog KvK en BTW nummer aan te vragen (dit moeten wij doorgeven aan onze leveranciers). Ik zal voor jou informatie aanvragen over aanpassen logo op ramen en achter kassa, offerte aanvragen van papieren tassen, offerte aanvragen van kadobonnen, vragen hoe het kassasysteem overgezet kan worden en de pin naar jouw rekening overschrijven per 01-01-2016.”

2.6.

[gedaagde] reageert dezelfde dag als volgt:

“(…) We hebben inderdaad vorige week vrijdag mondeling afgesproken dat per 31 december

2015 als dat haalbaar is de complete inventaris over te nemen. Ik heb nog geen contact gehad met Fam. [A] over het huurcontract, ook snap ik niet waarom je al per 31 december je huur op hebt gezegd, want als de begroting niet positief is weet ik niet of de bank akkoord gaat en mij een lening gaat geven. We hebben maandagochtend inderdaad over gehad wie wat gaat regelen, ook heb ik het met mijn adviseur er over gehad om mijn KvK en BTW nummer aan te vragen, maar dat kan ik nog niet doen omdat ik niet weet hoe we het financieel gaan doen!”

2.7.

[gedaagde] heeft de Rabobank verzocht de overname van de winkel te financieren. In dit verband heeft een adviseur van de Rabobank [gedaagde] op 4 december 2015 verzocht om – onder meer – een (concept) overname-overeenkomst en historische jaarcijfers van de afgelopen 3 jaren van SHE Fashion over te leggen.

2.8.

Op 5 december 2015 heeft [gedaagde] [eiseres] gevraagd om de hiervoor genoemde stukken te verstrekken.

2.9.

[eiseres] heeft [gedaagde] op 9 december 2015 als volgt bericht:

“(…) Ik zit te wachten op een contractje van de notaris, zal morgen of overmorgen er wel zijn. De andere gegevens heb je al een keer eerder naar gevraagd, dat lukt niet omdat dit samen met [plaats 1] is. Ik heb je al veel (vertrouwelijke) gegevens gegeven, hier kan je adviseur wel mee uit de voeten.”

2.10.

[gedaagde] heeft in verband met haar financieringsverzoek een ondernemingsplan opgesteld. Daarin is opgenomen dat de winkel met drie personeelsleden zal worden overgenomen, maar dat de contracten van het personeel zullen moeten worden aangepast, omdat zij full-time in de winkel zal gaan staan.

2.11.

Op 21 december 2015 heeft [gedaagde] aan [eiseres] meegedeeld dat zij in afwachting is van een vervolggesprek bij de Rabobank. [gedaagde] heeft daarbij tevens aangegeven dat zij zich afvraagt of het niet verstandig is dat het personeel wordt ingelicht over het inleveren van uren.

2.12.

[eiseres] heeft dezelfde dag aan [gedaagde] bericht dat zij het inleveren van uren pas aan het personeel kenbaar kan maken als zij de overeenkomst getekend retour heeft. [gedaagde] heeft daarop als volgt gereageerd:

“(…) Ik kan de overeenkomst nog niet tekenen als ik nog geen gesprek met de bank heb gehad, ik moet eerst zekerheid van de bank hebben. En in de overeenkomst staat dat ik het per 1 januari over zou nemen, maar of dat nu nog haalbaar is, weet ik niet! Maar het kan volgens mij geen probleem zijn als je het personeel inlicht ook al zou het niet doorgaan.”

2.13.

[eiseres] heeft vervolgens de volgende e-mail aan [gedaagde] gestuurd:

“(…) Het wordt inderdaad wel tijd dat wij ons personeel gaan inlichten, maar ik ga mijn personeel het pas vertellen als wij 100% de zaken voor elkaar hebben, ik ga geen onrust kweken, dus nu graag de punten op de i (…).”

2.14.

Op 2 januari 2016 heeft de echtgenoot van [eiseres] een factuur voor de overname van de inventaris aan [gedaagde] overhandigd. Deze factuur heeft [gedaagde] onbetaald gelaten.

2.15.

Partijen hebben op 27 januari 2016 een tweetal kledingleveranciers bezocht in verband met de inkoop van nieuwe voorraden.

2.16.

Op 17 februari 2016 heeft [gedaagde] [eiseres] als volgt bericht:

“(…) Wij hebben besloten om ervan af te zien ook omdat je andere geïnteresseerden hebt. De bank heeft er geen goed beeld bij en ons gevoel is ook minder geworden daar door. Ze had ook nog contact met jullie opgezocht maar ze had geen reactie gekregen.(…)”

2.17.

Bij brief van 27 februari 2016 heeft de raadsman van [eiseres] [gedaagde] gesommeerd om mee te werken aan de ondertekening en uitvoering van de koopovereenkomst en subsidiair gesommeerd om door te onderhandelen tot een perfecte overeenkomst is bereikt.

2.18.

De accountmanager MKB, [H] , van de Rabobank heeft in zijn brief van 14 april 2016 het volgende uiteengezet:

“(…) Naar aanleiding van bovengenoemd gesprek met de familie [gedaagde] heb ik begin februari telefonisch contact gehad met de verkopende partij, de heer [eiseres] . Tijdens dit telefoongesprek heb ik op verzoek van de heer [eiseres] aangegeven welke stukken ontbraken voor het beoordelen van het lopende financieringsverzoek. De heer [eiseres] was in dit telefoongesprek terughoudend met het verstrekken van informatie. De benodigde stukken welke ontbraken betroffen (definitieve) jaarcijfers 2014 en 2015 van de vestiging in [plaats 3] en heb ik nadien niet ontvangen. (…)”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [gedaagde] zal veroordelen om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de ondertekening van de als bijlage 5 bij dagvaarding overgelegde koopovereenkomst tussen partijen, en vervolgens binnen twee weken na de ondertekening van voormelde overeenkomst die overeenkomst volledig en onvoorwaardelijk uit te voeren door, zoals tussen partijen is overeengekomen, mee te werken aan de inventarisatie en prijsbepaling van de voorraden in de winkel te [plaats 3] en vervolgens de in totaal verschuldigde koopsom voor alle activa volledig aan [eiseres] te betalen, onder gehoudenheid van [eiseres] om alle gekochte zaken in de staat waarin deze zich op dat moment bevinden aan [gedaagde] in eigendom over te dragen;

subsidiair:

II. [gedaagde] zal veroordelen om met [eiseres] , uiterlijk na twee dagen na de betekening van dit vonnis verder te onderhandelen, en wel zodanig dat [gedaagde] in de ruimste zin des woords zal meewerken aan overleg en onderhandelingen, ten einde aldus alsnog tot een definitieve overeenkomst, dan wel schadevergoeding te komen;

primair en subsidiair:

III. [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 5.000,00 per dag, althans een zodanig bedrag als de voorzieningenrechter in goede justitie rechtdoende zal menen dat behoort, tot een maximum van € 150.000,00 aan [eiseres] verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag dat niet, niet tijdig of niet volledig aan de veroordeling sub I dan wel sub II wordt voldaan;

IV. [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiseres] de volgens het gebruikelijke tarief te begroten bijdrage in de proceskosten te betalen.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat op 20 november 2015 een perfecte overeenkomst met betrekking tot de overname van de winkel tot stand is gekomen. Subisidiair stelt [eiseres] dat [gedaagde] de onderhandelingen ongeoorloofd heeft afgebroken.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In dit geding is het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vorderingen in voldoende mate aannemelijk geworden.

4.2.

Een vordering tot nakoming van een overeenkomst in kort geding kan slechts worden toegewezen indien boven redelijke twijfel is verheven dat tussen partijen een perfecte overeenkomst tot stand is gekomen en voorshands aangenomen moet worden dat ook de bodemrechter zal beslissen dat partijen over en weer hun daaruit voortvloeiende verplichtingen dienen na te komen.

4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gezien de e-mail van [gedaagde] van 1 december 2015, waarin zij aangeeft niet te begrijpen waarom [eiseres] de huur al heeft opgezegd zonder dat bekend is of de bank haar - [gedaagde] - wel een lening zal verstrekken, voldoende aannemelijk dat [gedaagde] het verkrijgen van een financiering van de bank als voorwaarde voor de overname van de winkel heeft gesteld. Dat [gedaagde] tijdens de bespreking op 20 november 2015 geen financieringsvoorbehoud zou hebben gemaakt, zoals [eiseres] stelt, is op geen enkele wijze onderbouwd. Voor de hand lig dat ook niet nu het gaat om overname van een bedrijf door een 23-jarige vrouw met een inkomen als oproepkracht in een modewinkel. Weliswaar heeft [eiseres] gesteld dat de vader van [gedaagde] in de bespreking van 20 november 2015 heeft toegezegd dat hij de koopsom zou betalen, maar deze heeft dat, desgevraagd, ter zitting ontkend. Hij zou toegezegd hebben eventueel garant te willen staan. Het feit dat [gedaagde] pas na 20 november 2015 de bank heeft verzocht haar een lening te verstrekken, is in dit verband ook van belang. Door [gedaagde] is onweersproken betoogd dat zij pas een financiering kon aanvragen op het moment dat de hoogte van de koopsom bekend was. Het verzoek van [gedaagde] om toezending van een schriftelijke overeenkomst, kan niet tot een ander oordeel leiden, daar [gedaagde] dit verzoek enkel heeft gedaan in verband met het bericht van de Rabobank dat zij ten behoeve van haar financieringsaanvraag een (concept) overname-overeenkomst diende over te leggen. Dat [gedaagde] op 27 januari 2016 samen met [eiseres] leveranciers heeft bezocht en zich bij die gelegenheid heeft voorgesteld als de nieuwe eigenaresse van de winkel, kan vorenstaande evenmin anders maken. Op dat moment was het immers nog de bedoeling dat [gedaagde] de winkel zou overnemen.

Tevens is aannemelijk dat [gedaagde] als voorwaarde heeft gesteld dat de personeelsbezetting op kosten van [eiseres] zou worden aangepast. Daarbij is in aanmerking genomen dat [gedaagde] , anders dan [eiseres] , full-time in de winkel zou gaan staan, waardoor het noodzakelijk was dat het personeel uren zou inleveren. Een en ander is door [gedaagde] voldoende onderbouwd met een beroep op de mailwisseling van 1 december 2015 en het met betrekking tot de arbeidscontracten gestelde in het ondernemingsplan.

4.4.

Niet in geschil is dat de Rabobank aan [gedaagde] kenbaar heeft gemaakt dat haar financieringsverzoek vanwege het ontbreken van de (definitieve) jaarcijfers 2014 en 2015 geen enkele kans van slagen had. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde dat [gedaagde] een financiering voor de overname zou kunnen krijgen. Weliswaar is door [eiseres] aangevoerd dat [gedaagde] een veel te hoge financiering heeft aangevraagd, maar dat is niet relevant, omdat de financiering niet om die reden is afgewezen. Ook de voorwaarde dat de personeelsbezetting zou moeten worden verminderd is niet vervuld, daar [eiseres] deze ongewijzigd heeft gelaten.

4.5.

Nu niet is voldaan aan de door [gedaagde] gestelde essentiële voorwaarden voor overname van de winkel, moet voorshands worden geoordeeld dat geen sprake is van een perfecte overeenkomst. De primaire vordering van [eiseres] , die strekt tot nakoming van de overeenkomst, ligt daarom voor afwijzing gereed.

4.6.

Ten aanzien van de vraag of het [gedaagde] vrijstond om de onderhandelingen eenzijdig af te breken wordt overwogen dat uitgangspunt is dat ieder van de onderhandelende partijen vrij is om de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met haar gerechtvaardigde belangen.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het [gedaagde] vrij stond om de onderhandelingen af te breken, omdat de door haar gestelde voorwaarden voor overname van de winkel (mede door toedoen van [eiseres] ) niet zijn vervuld. . Onder deze omstandigheden kan het terugtrekken uit de onderhandelingen niet als onaanvaardbaar worden beschouwd.

4.8.

Daarom zal ook de subsidiair gevorderde veroordeling tot voortzetting van de onderhandelingen worden afgewezen.

4.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 288,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.104,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.104,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.S. Lebens-de Mug en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.