Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOVE:2016:1332

Instantie
Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak
19-04-2016
Datum publicatie
19-04-2016
Zaaknummer
08.770292-15 (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als directeur van een maatschappelijke zorginstelling en hulpverlener een aan zijn zorg toevertrouwde cliënt misbruikt door hem te masseren en zich door zijn cliënt af te laten trekken terwijl hij hetzelfde deed bij zijn cliënt. Door zijn handelen heeft de man op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 306 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Als bijzondere voorwaarden stelt de rechtbank onder andere een meldplicht en een behandelverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 08.770292-15 (P)

Datum vonnis: 19 april 2016

Vonnis (promis) op tegenspraak van de rechtbank Overijssel, meervoudige kamer voor strafzaken, rechtdoende in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

wonende in [woonplaats] ,

nu verblijvende in P.I. Almelo, Huis van Bewaring Karelskamp te Almelo.

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

5 april 2016. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.Y. Huang en van wat door de verdachte en zijn raadsman

mr. K. ter Mors, advocaat te Almelo, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg c.q. maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met een cliënt die aan zijn zorg was toevertrouwd.

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte (na wijziging van de tenlastelegging d.d.

5 april 2016) dat:

Hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot 5 oktober 2015 te Witharen, gemeente Ommen, terwijl hij werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door (meermalen, althans éénmaal,) de penis van die [slachtoffer] te betasten en/of aan te raken en/of af te trekken en/of de hand van die [slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis te brengen en/of zich vervolgens door die [slachtoffer] te laten aftrekken en/of de rug van die [slachtoffer] te strelen;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de veroordeling van verdachte gevorderd nu de officier van justitie dit feit wettig en overtuigend bewezen acht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] wel heeft gemasseerd maar zijn geslachtsdeel niet heeft aangeraakt.

5 De beoordeling

Deze paragraaf bevat het oordeel van de rechtbank over de vraag of het tenlastegelegde feit bewezenverklaard kan worden of dat daarvan moet worden vrijgesproken. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, steunt de beslissing dat verdachte het feit heeft begaan op de inhoud van bewijsmiddelen die als bijlage aan het vonnis zijn gehecht en daarvan op die wijze deel uitmaken. Deze bewijsmiddelen bevatten dan de redengevende feiten en omstandigheden op grond waarvan de rechtbank de overtuiging heeft gekregen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

5.1

De overwegingen van de rechtbank

Op maandag 16 november 2015 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van het plegen van ontucht door verdachte, die zijn begeleider en tevens directeur van [stichting] was. Verdachte beheerde het PGB van aangever en was volgens aangever zijn zorgverlener.

Aangever heeft verklaard dat hij een verstandelijke beperking heeft en in november 2014 in contact is gekomen met de [stichting] en vervolgens is gaan wonen in een woongroep van de stichting.

Vanwege problemen op de groep zou het beter voor hem zijn als hij bij verdachte kwam wonen. Begin februari 2015 is aangever vervolgens bij verdachte gaan wonen.

Aangever heeft verklaard dat hij op een avond - tijdens het zogeheten proefslapen - naar bed is gegaan, toen verdachte de slaapkamer binnenkwam, gekleed in een blauwe badjas en naar later bleek, geen kleding daaronder. Volgens aangever pakte verdachte aangever van achteren beet en gooide hem op bed. Vervolgens werd zijn kleding uitgetrokken en werd aangever door verdachte afgetrokken waarbij aangever verdachte af moest trekken. Beiden zijn volgens aangever klaargekomen. Aangever heeft verder verklaard dat hij onder andere een telefoon van verdachte heeft gekregen

Uit een schriftelijk stuk, te weten een rapport “capaciteiten onderzoek” door [stichting] , valt op te maken dat aangever een licht verstandelijke beperking heeft en daardoor grote moeite heeft om zich staande te houden in de maatschappij. Hij heeft moeite bij het vinden van een nuttige daginvulling en kan niet zelfstandig zijn huishouden en financiën op orde krijgen. Daarnaast kan hij de consequenties van zijn handelen niet overzien.

Getuige [getuige 1] , destijds werkzaam als assistent-coördinator van de [stichting] , heeft verklaard dat aangever haar heeft verteld dat verdachte hem op bed zou hebben gegooid en aan hem zou hebben gezeten. Aangever had volgens getuige daarbij tranen in zijn ogen en legde daarna zijn hoofd op tafel.

Getuige [getuige 2] , als dominee werkzaam in het [pastoraat] in [plaats] , heeft verklaard dat [getuige 1] hem had gebeld. Zij vertelde hem dat [slachtoffer] haar zojuist had verteld dat hij door verdachte was verkracht. Na het gesprek met [getuige 1] heeft getuige [slachtoffer] gesproken. [slachtoffer] vertelde hem dat hij op zijn slaapkamer was om naar bed te gaan en bezig was zich uit te kleden toen verdachte zijn kamer binnenkwam en hem op het bed gooide. Daarna had verdachte hem gedwongen tot seksuele handelingen. Aangever vertelde hem dat het ging om wederzijds aftrekken.

Getuige [getuige 3] , destijds ook werkzaam bij de [stichting] , heeft bij de politie verklaard dat verdachte de directeur is van de stichting maar gelijktijdig ook de hulpverlener was van aangever.

Op vrijdag 11 december 2015 zijn de telefoons van verdachte getapt.

Uit een getapt gesprek van verdachte met [getuige 4] is het volgende gerelateerd:

(..)

[verdachte] : Ja, gewoon omdat ik hem eh wat ik jou verteld heb gewoon wat gemasseerd heb. Over zijn kont gemasseerd heb tussen de benen goed en dan komt natuurlijk een beetje door die pik, maar toen keerde hij om, Ja?

(..)

[verdachte] : Nee, dat zal me heel erg gek zijn. Kijk, ik had het alleen niet moeten doen dat was beter geweest. Ja, maar beschuldiging voor verkrachting.. Nee, dat is in mijn ogen wel heel iets anders. Dit was gewoon een onschuldige massage en toen keerde die om, ik kan beter zeggen dat het voor mij een verkrachting was.

[getuige 4] : Ja.

[verdachte] : Dat ik verkrachting, want ik heb dat niet gewild. PATS, in één keer hij erboven op en ehh en ehh begon die aan mij effen te hijsen, nou, dan ben ik verkracht.

[getuige 4] : Ja, tuurlijk.

[verdachte] : Ja.

[getuige 4] : Heb je hem ook afgetrokken?

[verdachte] : Hem? Een beetje toen later toen begon die aan mij, andersom en toen probeerde ik zijn pik natuurlijk te krijgen, snap je? Ik denk, wacht eens even, ik krijg jou wel, gek. (..)

De politie heeft verdachte met bovengenoemd tapgesprek geconfronteerd. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het klopt wat er staat maar dat verdachte door aangever is gedwongen deze handeling te verrichten. Aangever zou manipulatief zijn. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het incident een blauwe badjas droeg.

De rechtbank is van oordeel dat het namens verdachte bepleite standpunt dat hij het ten laste gelegde feit niet heeft gepleegd wordt weersproken door de bewijsmiddelen.

De rechtbank hecht in het bijzonder betekenis aan de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , zoals zij die tegenover de politie hebben afgelegd, die de consistentie van de verklaringen van aangever nader ondersteunen. De authenticiteit van de aangifte wordt volgens de rechtbank verder ondersteund door de door getuige [getuige 1] omschreven gemoedstoestand van aangever toen hij het gebeurde bij haar meldde. Aangever was volgens

[getuige 1] boos, had tranen in zijn ogen en legde op een gegeven moment zijn hoofd op tafel. Daarnaast komen de verklaringen van verdachte op relevante punten, zoals plaats van handeling (de slaapkamer van aangever) en kleding (verdachte droeg een blauwe badjas) overeen met de verklaring van aangever.

Verdachte heeft na confrontatie met het tapgesprek tussen verdachte en getuige [getuige 4] waarin hij heeft gezegd dat hij aangever “een beetje heeft afgetrokken”, verklaard dat het zo was gegaan zoals hem werd voorgehouden maar dat hij door aangever werd gedwongen.

In het dossier zijn echter geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat verdachte gedwongen zou zijn tot de betreffende handelingen. De rechtbank wijst in dit verband op het feit dat verdachte zelf in het tapgesprek op 11 december 2015 heeft verklaard dat ”er niets van dreiging bij zat” en dat het “op een ontspannen basis was”.

Het verweer dat aangever verdachte tot de ontuchtige handelingen zou hebben gedwongen, wordt daarom verworpen.

De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

5.2

De conclusie

De rechtbank is door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen tot de overtuiging gekomen, dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij in de periode van 1 januari 2015 tot 5 oktober 2015 te Witharen, gemeente Ommen, terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer] , die zich als cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, door de penis van die [slachtoffer] te betasten en/of aan te raken en/of af te trekken en/of de hand van die [slachtoffer] om zijn, verdachtes, penis te brengen en/of zich vervolgens door die [slachtoffer] te laten aftrekken en/of de rug van die [slachtoffer] te strelen.

De rechtbank heeft de eventueel in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

6 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld bij het artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp/zorg heeft toevertrouwd.

7 De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

8 De op te leggen straf of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zake van het tenlastegelegde gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 5jaren met aftrek van de periode die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de volgende bijzondere voorwaarden worden opgelegd: een meldplicht en het volgen van een ambulante behandeling bij de Tender te Deventer. Daarnaast heeft zij gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod om werkzaam te zijn in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg voor de duur van 5 jaren wordt opgelegd.

Tot slot heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen een gevangenisstraf bepleit voor de duur van de periode die zijn cliënt in hechtenis heeft doorgebracht, eventueel gecombineerd met een werkstraf. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat zijn cliënt first offender is en heeft gezegd niet mee te zullen werken aan een behandeling.

8.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van psycholoog, J.P.M. van der Leeuw, d.d. 16 maart 2016.

Uit het rapport valt op te maken dat testpsychologisch onderzoek wijst op een narcistische persoonlijkheidstoerusting van verdachte gezien zijn onverstoorbaarheid en de sterke neiging om eigen gebreken en onwelgevalligheden nagenoeg volledig te ontkennen en te overdekken met een tamelijk glorieus zelfbeeld.

Daarnaast wijst onderzoek op een introverte aanleg. Verdachte loochent deze aanleg en bestempelt zichzelf eerder als een sociale man die erg uitstaat naar de ander. Deze, in oorsprong wat meer in zichzelf gekeerde houding, leidt tezamen met de bevinding dat betrokkene affectarm communiceert en het testpsychologisch gegeven dat hij belevingen en feiten veelal van elkaar moet loskoppelen, wellicht omdat hij gevoelens niet adequaat kan hanteren en het feit dat hij als een “vreemde snuiter” imponeert, tot de conclusie dat er sprake is van schizoïde persoonlijkheidstrekken.

Het onderzoek laat zien dat verdachte is toegerust met een zwakke intelligentie en een narcistisch-schizoïde dynamiek. Dit kan ertoe leiden dat verdachte op egocentrische wijze zijn gang gaat, de gevolgen van zijn gedrag voor de ander niet goed kan inschatten, eigenbelang voorop stelt en vanuit onrealistische grootheidsideeën en zelfoverschatting zich ontfermt over zwakkere broeders waarvan hij geen tegenspraak of kritiek duldt. Verdachte werpt zich op als helper en redder van de zwakkere maar deze ander kan ook gebruikt worden om verdachte te voorzien in lof en bevestiging die hij beide nodig heeft om zijn kwetsbare zelfgevoel op te krikken. Dit kan het amicale gedrag van verdachte ten aanzien van zijn pupil verklaren waarbij verdachte zich, gezien de mogelijke ontkenning van zijn homoseksuele seksuele neigingen, gemakkelijk op het hellend vlak van erotische toenadering kan begeven, waarvan het ten laste gelegde een eindproduct is. Op deze wijze beschouwd is te taxeren dat betrokkene niet in volledige vrijheid over zijn wil heeft kunnen beschikken en overeenkomstig heeft kunnen handelen en is hij derhalve ten aanzien van het ten laste gelegde verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Het recidiverisico is in te schatten als zeer groot, aldus de onderzoeker.

Verdachte vindt, overeenkomstig de aard van zijn problematiek, dat er met hem niets aan de hand is en dat om die reden een behandeling niet noodzakelijk is. Er is sprake van een “onrealistisch ideaalbeeld”.

Elke vorm van zelfkritiek ontbreekt en het vermoeden c.q. de onderzoeksbevinding is dat er sprake is van een zeer krachtige narcistische pantsering die elke bewustwording van eigen falen en tekorten moet verbloemen. Dat kan er gemakkelijk toe leiden dat verdachte doorgaat en en weer verder kan gaan met zijn bezigheden op het terrein van de zorg voor mentaal gehandicapten.

De onderzoeker geeft de rechtbank in overweging betrokkene binnen het kader van een bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel te verplichten tot bovengenoemde behandeling.

Gezien het zeer hoge recidiverisico geeft de onderzoeker de rechtbank ook in overweging om genoemde behandeling aan betrokkene op te leggen binnen het kader van de maatregel TBS met voorwaarden.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering Nederland, d.d. 20 maart 2016, opgemaakt door mw. M. Schuur, waaruit valt op te maken dat Reclassering Nederland zich bij het advies van de psycholoog aansluit.

De rechtbank neemt de conclusies betreffende de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte op de daarvoor in voornoemde rapportage bijeengebrachte gronden over en maakt die tot de hare.

Verdachte heeft als directeur van een maatschappelijke zorginstelling en hulpverlener een aan zijn zorg toevertrouwde cliënt misbruikt door hem te masseren en zich door zijn cliënt af te laten trekken terwijl hij hetzelfde deed bij zijn cliënt.

Verdachte heeft bij zijn handelen louter en alleen oog gehad voor zijn eigen directe behoeftebevrediging en heeft zich op generlei wijze bekommerd om de gevoelens van het zwakbegaafde slachtoffer en de gevolgen van zijn handelen voor zijn (seksuele) ontwikkeling.

Door zijn handelen heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat dergelijke feiten grote schade kunnen toebrengen aan de ontwikkeling van jonge kwetsbare volwassenen. Dat het feit grote impact op het slachtoffer heeft gehad volgt ook uit zijn relaas.

Verdachte heeft het vertrouwen dat zijn cliënt in zijn hulpverlener had mogen stellen en de veiligheid die hij van hem mocht verwachten op ernstige wijze beschaamd en veronachtzaamd.

Het hoeft geen betoog dat feiten als de onderhavige in de samenleving gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen.

Gezien de omstandigheid dat verdachte een first offender is zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis.

Gelet op de grote kans op herhaling zal de rechtbank daarnaast een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld, zoals geadviseerd door de reclassering, een meldplicht en een behandelverplichting. De rechtbank acht het daarnaast nog opleggen van een beroepsverbod, gezien het bewezenverklaarde, buitenproportioneel, zodat zij daarvan zal afzien.

9 De schade van benadeelden

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de psychische schade zich moeilijk laat vatten in een bedrag. Ze stelt voor dat de rechtbank de vordering toewijst tot een bedrag van € 2.500,- en dat de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk wordt verklaard..

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering nu deze onvoldoende is onderbouwd.

9.1

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] , wonende te [woonplaats slachtoffer] , heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert, na toelichting ter terechtzitting d.d. 5 april 2016, veroordeling van de verdachte tot betaling van in totaal € 25.000,- (vijfentwintigduizend], te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Deze schade bestaat uit de posten psychische schade en EMDR-therapie.

Dit is gevorderd als “voorschot”. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot schadevergoeding van slechts een deel van de geleden schade. De benadeelde partij behoudt zich kennelijk het recht voor een ander deel van de schade buiten het strafgeding van verdachte te vorderen.

Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat de verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan het slachtoffer. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het bepalen van de exacte omvang van deze schade niet eenvoudig is en een onevenredige belasting van het onderhavige strafgeding zal opleveren. De rechtbank ziet aanleiding om het gevorderde toe te wijzen tot een bedrag van € 1.500,00 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor het overige. De benadeelde partij kan in zoverre de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot betaling van de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt of zal maken voor rechtsbijstand en de executie van dit vonnis.

10 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d en 27 Sr.

11 De beslissing

De rechtbank:

vrijspraak/bewezenverklaring

  • -

    verklaart bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

  • -

    verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

  • -

    verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
    werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp/zorg heeft toevertrouwd.

  • -

    verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

  • -

    veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 306 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren;

  • -

    bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:
    - omdat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
    - omdat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of omdat de veroordeelde geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden;

- omdat de veroordeelde geen medewerking aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, Sr heeft verleend, medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat de veroordeelde tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich op eerste uitnodiging van de reclassering Nederland, locatie Zwolle, aldaar zal melden en zich vervolgens zal blijven melden zo frequent als de reclassering dat gedurende de proeftijd nodig acht;

  • -

    dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde zich moet laten behandelen bij de kliniek “De Tender” te Deventer in verband met zijn problemen;

  • -

    draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

  • -

    bepaalt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de

voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

schadevergoeding

- bepaalt dat de benadeelde partij: [slachtoffer] , wonende te [woonplaats slachtoffer] , voor een deel van

€ 23.500,- niet-ontvankelijk is in haar vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

  • -

    veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 1.500,- (vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2015);

  • -

    veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.

opheffing bevel voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Taalman, voorzitter, mr. L.J.C. Hangx en

mr. A. Oosterveld, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2016.

Buiten staat

Mr. A. Oosterveld is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

[Bijlage bewijsmiddelen]